Een jaar na Wilders’ verkiezingsoverwinning  

Venlo lacht, Venlo zwijgt

Een jaar geleden werd Geert Wilders met acht gelijkgestemden tot Tweede-Kamerlid verkozen. In zijn geboortestad kreeg zijn partij ruim twintig procent van de stemmen. Funske weet hoe het er nu voor staat.

Woensdag 22 november 2006. Een uur of half elf ’s avonds. Bestuurlijk en politiek Venlo zit bij elkaar om de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen te bespreken. In een café uiteraard. Bij ein toèt beer. Wat zeg ik? Bij toète beer. Dienbladen vol. Want het is een historische avond geworden. Een drama, een veldslag, een aardverschuiving.

Eerder op de avond was er al commotie geweest. Omdat op het moment suprême burgemeester Hubert Bruls – Börger Baer in de volksmond – de uitslag van Venlo nog niet had. Terwijl de mobieltjes van bijna alle aanwezigen implodeerden door sms’jes van het thuisfront met nieuws over de spectaculaire cijfers uit Venlo. Was het echt waar? Meer dan twintig procent van de stemmen voor Geert Wilders? De Waterstofperoxide Mozartkugel? Ongelooflijk! En hoe kon het dan dat de burgemeester nog van niets wist? Een interne communicatiefout. De verantwoordelijke ambtenaar had het anp als eerste geïnformeerd.

Het rumoer en gemor verstomden onder het voorlezen van de uitslag. De sp was in Venlo de tweede partij. Na het cda. Geert Wilders had in Venlo het hoogste percentage stemmen gekregen van Nederland. De zittende politiek had evenveel aanhang verloren als een kerstboom naalden na Driekoningen.

De druiven waren zuur in het café waar de verkiezingsbijeenkomst werd gehouden. Vooral het enorme succes van Wilders viel slecht. Men was teleurgesteld, verbaasd, bedroefd, schaamde zich voor Venlo of was bang dat de tolerantie in het gedrang zou komen. De fractievoorzitters van de partijen in de Venlose gemeenteraad stonden er tijdens het slotdebat verslagen bij. De enige die zich niet liet meeslepen door de emotie was Börger Baer. Hij probeerde de uitslag te analyseren. Maar ook hij, als doorgewinterde theedrinker, had twee glazen bier nodig om de uitslag te verwerken. Het werd laat. Politiek Venlo zwoer dat er wat moest gebeuren.

De volgende dag was de Venlose staat van verwarring landelijk nieuws. Het NOS Journaal had er een item over. Er waren straatinterviews in Blerick, het stadsdeel dat volgens de verslaggeefster pas enkele jaren bij Venlo hoorde. Slecht voorgelicht, want Blerick was in 1940 al bij Venlo gekomen. Misschien was ze in de war met de andere stadsdelen: Tegelen en Belfeld. Venlo werd weggezet als een provinciestadje. Een intolerant provinciestadje als je de stem van het volk mocht geloven. Het regende bovendien en de beelden die de interviews illustreerden, kwamen ook al niet uit een promotiefolder van de vvv. Kommer en kwel alom.

Toch was de uitslag geen complete verrassing. Landelijke peilingen hadden al voorspeld dat de Groep Wilders een triomfantelijke intocht zou gaan maken in de Tweede Kamer. Op de Venlose jongerensite kloeken.nl had een enquête uitgewezen dat de Waterstofperoxide Mozartkugel met afstand het meest populaire kamerlid was. Hij was een Venlose jongen die de zelfingenomen leden van de Tweede Kamer onverbloemd de waarheid zou vertellen. Hij zei gewoon waarop het stond. Dat er te veel buitenlanders waren. Dat er een einde moest komen aan de ontwrichting. Dat er weer streng gestraft moest worden. En hoe hij het zei. Dat sprak ook wel aan. In korte zinnen, zonder bijzinnen of tussenzinnen, zonder verborgen agenda’s of bijbedoelingen. Niks daarvan, gewoon recht voor z’n raap.

Voor zijn klip-en-klare standpunten had hij zijn vrijheid opgeofferd. Hij werd continu beveiligd en woonde in een safe house. Vastelaovend vieren, tijdens het Zomerparkfeest komen stappen, bij zijn moeder op bezoek gaan, was niet meer mogelijk. Als hij het wilde, gaf dat een hoop gedoe. Eigenlijk was ózze Geert door wat hij uitdroeg een eigentijdse martelaar geworden. Zoals de paters van Steyl die tijdens de Boxeropstand in China waren vermoord en van wie de met bloed doordrenkte kleding te zien was in het Missiemuseum van Steyl.

De eclatante overwinning van Wilders’ pvv kreeg nog een staartje. Stadsdichter en plaatselijk wonderkind Frans Pollux verkondigde ferm dat hij zijn functie wilde neerleggen. Uit protest tegen het succes van Wilders in de stad waarvan hij de poëet was. Zijn opmerkelijke stap deed veel stof opwaaien. Wederom landelijk. Weer buitelden de meningen over elkaar heen. Stond het schuim bij sommigen op de mond. Pollux was meer dan geslaagd in zijn missie: het debat over de visies van Wilders nog eens laten oplaaien. Maar hoe oprecht was het protest? Het besluit te stoppen als stadsdichter was al weken voor de verkiezing van de Tweede Kamer genomen. Zijn opvolger – Daan Doesborgh, de huidige Venlose stadsdichter – stond al in de startblokken.

Er deed zich nog iets anders voor. Limburgers die in de landelijke politiek actief zijn, worden in hun land van herkomst meestal op handen gedragen. Ze nemen deel aan politieke cafés, houden spreekuren, worden op recepties omzwermd, nemen zitting in comités van aanbeveling voor charitatieve doelen en worden gevraagd in de jury die moet bepalen welk carnavalsliedje het beste is. Niets van dat alles met de Limburgse pvv-kamerleden Geert Wilders, Teun van Dijck en Dion Graus.

Pijnlijk duidelijk werd dat toen de laatste met zijn partner in zijn woonplaats Heerlen een concert bezocht van het Limburgs Symfonie Orkest. Graus kwam in de pauze binnen en onmiddellijk deden de mensen een stapje terug in de overvolle foyer van de schouwburg. Hij doorbrak zelf het cordon sanitaire door op ons af te stappen en te zeggen: ‘Jij kent mij niet, maar ik ken jou wel. Ik ben Dion Graus, ik heb ook in Venlo gewoond. We hebben elkaar vaker gesproken.’

Wat volgde was een onderonsje over het politiek handwerk en de alledaagse beslommeringen in Den Haag, een gesprek dat afgebroken werd door de zoemer die ons opriep plaats te nemen voor de eerste symfonie van Mahler. Niks aan de hand, maar toch. Nog nooit hadden we zo veel ogen in onze rug voelen branden als in de paar minuten dat we met Dion Graus hadden staan praten.

Een jaar is voorbij. Van de lokale politiek is weinig vernomen. Er is een stilzwijgen over het succes van Geert Wilders. Het stedje van lol en plezeer heeft traditiegetrouw op 11 november jongstleden de vastelaovend ingeschoten en afscheid genomen van Prins Carnaval. De goedheiligman heeft in het Limburgs Museum weer zijn Pakhuis van Sinterklaas geopend.

Maar is er na een jaar iets veranderd? Eigenlijk niet. In de periferie, ver weg van het epicentrum, gaat het gekibbel van de landelijke politiek aan de mensen voorbij. Zeker als het gaat over thema’s die de gewone burger niet raken. En de filippica’s van Geert Wilders? Tegen dat en tegen deze? Je hoort er bijna niemand meer over. Veel Venlonaren zijn Mozartkugel-moe geworden. Men weet het onderhand wel. En om de manier waarop Geert Wilders het zegt, wordt meer en meer gelachen. Langzaam kantelt het beeld van de martelaar en duikt hij op als een ander Limburgs archetype. Dat van buutereedner, een hilarische carnavalskomiek die op de buitenpost Den Haag de dragers van de macht op de korrel neemt.