In dit boek werkte Galeano samen met Jose Francisco Borges (1935), die in de binnenlanden van Brazilie met zijn houtsneden en verhalen van dorp naar dorp trekt. De houtsneden bij de legenden, sprookjes, verhalen en spreuken van Galeano vertellen evengoed hun eigen verhaal; de manier waarop een figuur wordt uitgebeeld hoeft niet direct naar de letter van de tekst te zijn. Een mooie vrouw komt er in de tekening vaak veel minder fraai van af, maar ze wordt wel interessanter. In de houtsneden ontbreekt nagenoeg iedere beweging, de figuren worden gevangen in een karakteristieke houding. Ook komen er meer gevleugelde figuren en geraamten voor dan in de vertellingen en vooral ook meer duivels, met staarten die in een pijlpunt eindigen en met sporen aan de voeten.
Ik weet niet hoe de oorspronkelijke uitgave er uitziet, maar van de Nederlandse uitgave vind ik het jammer dat er niet voor een groter formaat is gekozen. De gravures hadden dan meer ruimte gekregen, terwijl ze nu soms veel te groot zijn voor de tekst ernaast. Het geheel werkt nogal rommelig. Dat neemt niet weg dat de combinatie van beeld en verhaal heel bijzonder is. Voor een deel sluiten de verhalen aan bij een even oude overlevering als waaruit de houtsneden stammen, maar de verwijzingen in de tekst naar de huidige tijd geeft aan het geheel een moeilijk te benoemen spanning; eenzelfde bevreemding als wanneer ergens in een houtsnede een schrijfmachine te zien is.
De verhalen zijn onmogelijk onder een noemer te brengen. Tussendoor staan er een soort vignetten - ‘Venster op het woord’, ‘Venster op de tijd’, ‘Venster op de onzichtbare dictaturen’, enzovoort - miniaturen waarin op een thema wordt gevarieerd, spreuken of anekdoten; soms worden het bijna gedichten. Bij de verhalen gaat het om sprookjes of schelmenverhalen, geinige dan wel tragische vertellingen, maar altijd zijn er wel vreemde wendingen en zelden loopt een verhaal af als verwacht, soms loopt het helemaal niet af.
Zo krijgt de schrijver in ‘Het verhaal van de rechtvaardige en de aartsengel in het paleis der zondaressen’ sappige stof aangeboden door iemand die een niet al te hoge dunk van deze schrijver heeft. Het zou het verhaal moeten zijn van een Calamity Jane in een bordeel en een aartsengel in de gedaante van ‘een dwerg van gevorderde leeftijd met een rode neus en een kinderstemmetje, door God als onthoofde duivel vermomd om losbandige vrouwen angst in te boezemen’: ‘Ik bied hem (deze geschiedenis - jv) u aan, zodat u hem kunt laten gebeuren. Neem een besluit, mijnheer de schrijver, en weest u tenminste een keer de bloem die geurt in plaats van de beschrijver van het aroma.’
Dit is tevens het programma van het boek: niet beschrijven, maar laten zien, horen en voelen - en dat in het licht van het motto ‘van dichtbij gezien is niemand normaal’, mooi gedemonstreerd in ‘Het verhaal van een dag in het cafe’, een van de weinige verhalen die expliciet in de tegenwoordige tijd spelen.