Catullus en Horatius

Ver van het zakenleven

Anders dan tegenwoordig waren kunstwerken vroeger hecht in de samenleving verankerd. Zo ook de gedichten van de Romeinen Catullus en Horatius.


DAT GEDICHTEN en romans autonome kunstwerken zijn, is een dogma waaraan weinigen tornen. Wanneer Leo Vroman zijn Systeem aanspreekt, gelooft niemand dat hij op dat moment werkelijk aan het bidden is, en beveelt K. Michel: ‘Dichter! Kam je haar, poets je schoenen!’ dan is er geen dichter die zich geroepen voelt dit gebod onmiddellijk te gaan opvolgen. Ook weet iedereen dat het streng verboden is de ‘ik’ in een gedicht met de dichter te vereenzelvigen, terwijl uitspraken van personages in romans de schrijver niet aangerekend mogen worden. Voorts hebben literaire werken weliswaar het vermogen emoties op te roepen, maar is het bekend dat je die niet zomaar aan de auteur mag toeschrijven. Een gedicht is een ongenaakbaar ding dat beslist niet vervaardigd is met de bedoeling een normale vorm van communicatie tussen maker en lezer tot stand te brengen.


Toch zijn er evidente uitzonderingen. Voor Multatuli was het onverdraaglijk dat zijn Max Havelaar in eerste instantie niet als politiek pamflet maar als fictie werd beschouwd. Ook deze regels van Lucebert waren zeker niet vrijblijvend bedoeld: ‘Ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer/ hoeveel wreekt de bruidegom de bruid/ als op java plassen bloed zij stuiptrekt/ uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen’. En de tientallen gedichten die aan de dood van Herman de Coninck zijn gewijd, getuigen van oprecht verdriet om het verscheiden van een hoogst reële dichter. Kennelijk is de poëzie toch minder autonoom dan vaak wordt beweerd.


De gedachte dat kunstwerken autonoom zouden moeten zijn, is een erfenis van de modernistische traditie die bij Mallarmé begint. In vroeger eeuwen en in culturen die niet zo ontspoord zijn als de onze, was poëzie hecht in de samenleving verankerd.


Toen de Romeinse dichter Gaius Valerius Catullus omstreeks 60 voor Christus zijn gedichten aan Lesbia begon te publiceren, wist heel Rome welke vrouw achter die naam schuilging. Zeker weten wij het niet, maar vermoedelijk was deze Lesbia niemand anders dan het nymfomane zusje van Cicero’s aartsvijand Clodius. Catullus moet bij het begin van de stormachtige affaire een jaar of 25 zijn geweest, Clodia was tien jaar ouder. Hoewel niemand eraan twijfelt dat aan Catullus’ erotische gedichten een reële verhouding ten grondslag lag, heeft de dichter zelf enige kunstgrepen toegepast om het verband tussen poëzie en werkelijkheid op z’n minst wat minder eenduidig te maken. Door zijn dame Lesbia te noemen roept de dichter associaties met Sappho op, waardoor de liefde in hoge mate verliteratuurd wordt. Bovendien heeft Catullus de Lesbia-gedichten bij bundeling niet chronologisch achter elkaar geplaatst, maar schijnbaar willekeurig door zijn boek heen gestrooid. Wie dus aan de hand van de gedichten het verloop van de verhouding probeert te reconstrueren, zoals Jan Kal in zijn boek doet, gaat in tegen de bedoeling van de dichter.


Anders dan Paul Claes, die enkele jaren terug het hele oeuvre van Catullus in vrije verzen vertaalde, heeft Kal voor een metrische vertaling gekozen. Omdat Kal een behendig verzensmid is, heeft dat hier en daar, vooral in de overwegend jambische gedichten, prachtige vertalingen opgeleverd. Dit gedicht laat weinig aan de verbeelding over:


Onze Lesbia, Caelius, de enig
ware Lesbia, die Catullus enkel
liefhad boven zichzelf en al de zijnen,
staat op viersprongen en in nauwe steegjes
Remus’ hoogstaande nakroost af te rukken.



Iets minder geslaagd zijn de gedichten in zogeheten ‘elegische disticha’. Het ritme van deze regels is niet erg duidelijk: ‘Lesbia spreekt altijd kwaad over mij en houdt nooit eens haar mondje:/ dus mag ik sterven wanneer Lesbia niet van me houdt’.


Hoewel Catullus geen keurige dichter is, zijn ook zijn scheldpartijen doorgaans zorgvuldig gestileerd. Kal heeft de neiging Catullus op zulke momenten iets te lollige woorden in de mond te leggen. Toch geeft het volgende gedicht een goede indruk van Catullus’ meer scabreuze kanten:



Café van Wippestein en vaste stamgasten,
op negen zuilen van de Vilten Hoed Broeders,
denk je dat enkel jullie daar een pik hebben,
en enkel jullie soort de meiden mag naaien,
en dat de anderen bestaan uit stinkbokken?



Het is aardig om te weten dat met die hoerenkast het huis van mevrouw Clodia wordt bedoeld, waarvan de dichter in de tweede regel het adres vermeldt.


Een kwart eeuw later, toen Catullus allang dood was, schreef Quintus Horatius Flaccus een boekje met zogeheten ‘epoden’. In het twaalfde gedicht scheldt hij een verlopen courtisane uit: ‘Wat een zweetlucht en kwalijke stank stijgen op van je rimpelig/ lijf, wanneer het de niet te bedwingen/ geilheid haastig bevredigt terwijl mijn lul al verslapt is’. De slet verwijt Horatius zijn impotentie: ‘Bij Inachia kun je wel drie keer per nacht, bij mij is/ één keer jou al te veel! Die Lesbia/ haat ik: toen ik een stier zocht, koppelde zij me/ aan een kruk’. Kennelijk is de inmiddels zestig jaar oude Clodia in Horatius’ tijd nog actief als uitbaatster van een escortservice.


Liet Catullus zich in de eerste plaats inspireren door verfijnde Hellenistische dichters als Kallimachos, Horatius zoekt zijn voorbeelden verder terug. In de bundel Epoden is het vooral de vlijmscherpe Archilochos uit de zevende eeuw voor Christus die hem van gereedschap voorziet. Het boek bevat zeventien gedichten, waarvan er vier een duidelijk aanwijsbare historische aanleiding hebben. Aanvankelijk als medestander van Brutus, later als vriend van Maecenas was Horatius nauw betrokken bij de politieke woelingen tussen de moord op Caesar en de definitieve overwinning van Augustus op Antonius en Cleopatra. De bundel is opgedragen aan Maecenas.


Hier spreekt Horatius met onverholen afkeer over Cleopatra:



Het nageslacht zal het ontkennen, maar Romeinen,
onderworpen aan een vrouw,
zijn in haar legermacht soldaat en dienen onder
rimpelige haremwachters,
tussen militaire vaandels ziet de zon
een mensonterend bedgordijn.



Piet Schrijvers, die eerder alle lyrische gedichten van Horatius vertaalde, heeft nu ook de epoden in de oorspronkelijke metra toegankelijk gemaakt. Evenals Kal heeft Schrijvers soms de neiging wat te grappig te worden, bijvoorbeeld wanneer hij spreekt over een ‘pastor van de gifmengersgemeente’ of over een ‘Caecubische grand cru’. Ook staan er enkele storende fouten in het boekje. Zo is er sprake van ‘leme voeten’, ‘moeie ossen’ en het ‘verzakken’ van make-up. Verder is het jammer dat Schrijvers geen enkele toelichting biedt. Vooral de gedichten die aan contemporaine politieke gebeurtenissen refereren, zijn voor hedendaagse lezers moeilijk te volgen. Dat neemt niet weg dat het hoog tijd werd dat deze gedichten in een eigentijdse vertaling beschikbaar kwamen, want de meest recente versie, die van Louis van de Laar uit 1987, is ronduit onleesbaar.


Het bekendst is de tweede epode, die met de woorden ‘beatus ille’ begint. Het is een pleidooi voor het eenvoudige landleven, uitgesproken door de bankier Alfius, die er waarschijnlijk geen woord van meent:



Gelukkig is de man die ver van het zakenleven,
zoals de mensen van weleer,
de akkers zijner vaderen met eigen ossen afbeult,
van elke schuldenlast bevrijd.



Misschien een aardig advies voor Nina Brink en Bram Peper.



Catullus, Laat ons leven en minnen: De mooiste liefdesgedichten, samengesteld en vertaald door Jan Kal. Uitg. Bert Bakker, 72 blz., ƒ15,30; Horatius, Epoden, vertaald door Piet Schrijvers. Historische Uitgeverij, 32 blz., ƒ18,50.