Landinzicht #11: Arnout den Ouden

Veranderend weer als enige constante

Journalisten Hidde Boersma en Janno Lanjouw onderzoeken hoe de Nederlandse landbouw de stap probeert te zetten naar een milieuvriendelijkere toekomst. Deze week: aardappelen, ‘idioot droge’ zomers en klimaatverandering.

Akkerbouwer Arnout den Ouden voor zijn nieuwe aardappelschuur

Bij helder weer kun je vanaf de dijk waaraan akkerbouwer Arnout den Ouden woont en werkt Hellevoetsluis en de Zeedijk zien liggen. Achter die dijk glinstert het Haringvliet, de voormalige zeearm waar Den Ouden soms gaat duiken. Maar vandaag is de mist te dicht, en wordt de bodem nat zonder dat het regent. Tijdens het handenschudden bemonstert Den Ouden het wolkendek. Hij besluit dat een lading aardappelen op de kar achter zijn trekker nog net buiten kan blijven. ‘Ze moeten niet te nat worden’, peinst hij. ‘Dat is belangrijk voor de opslag. Maar het kan net denk ik.’

Zo stuiten we direct op het onderwerp dat we met Arnout willen bespreken: het weer. Want waar dit voor niet-agrariërs vooral voer is voor bij de koffieautomaat, is het voor boeren van cruciaal belang. Heb je goed weer, dan zit alles mee: je planten groeien beter, je kunt al het reguliere werk op tijd uitvoeren, je hebt minder last van ziektes en plagen. En veel extra werk, zoals irrigatie, blijft je bespaard.

Maar dat soort perfecte jaren komen nauwelijks voor. En de afgelopen twee jaar al helemaal niet. Het jaar 2018 was volgens Den Ouden ‘idioot droog’, en het afgelopen seizoen was niet veel beter, mede door het feit dat grondwaterpeil dat in 2018 niet is aangevuld. ‘Ik prijs me gelukkig dat we aan de goede kant van het land zitten’, zegt Den Ouden. ‘Wij hebben normale opbrengsten kunnen binnenhalen. We zijn in staat om te beregenen en onze grond is van zichzelf vochtvasthoudend. Zandgrond zal veel sneller opgeven dan kleigrond.’ Den Ouden geeft aan dit jaar 110 ton suikerbieten per hectare te hebben gerooid. ‘Dat was eigenlijk gewoon heel goed’, zegt hij. Maar volgens Den Ouden was het in het oosten van Nederland een stuk slechter. ‘Daar zitten gebieden waar ze de dertig ton niet halen, terwijl negentig ton te doen zou moeten zijn.’

Den Ouden is derde generatie boer in Zuidland, een gebied op het eiland Voorne-Putten, vlak onder Rotterdam. Hij is pas tweede generatie akkerbouwer. Zijn opa was melkveehouder, zoals de meeste buren van Den Ouden. De grond leent zich daar goed voor. Maar de vader van Den Ouden had niets met koeien, dus begon hij aardappelen te telen.

Met die omschakeling naar akkerbouw werd het weer nóg belangrijker dan het al was. Bij akkerbouw moet het land intersiever bewerkt worden. Zware machines zijn onontbeerlijk, vooral in het voor- en najaar. Maar als de grond te nat is, moeten taken zoals zaaien of oogsten weken en soms zelfs een maand worden uitgesteld. ‘Afgelopen seizoen hadden we een “laat najaar”’, zegt Den Ouden. ‘September en oktober is eigenlijk oogsttijd voor de belangrijkste akkerbouwgewassen, zoals aardappels, bieten, wortels. Maar nu was het vijf weken simpelweg te nat om met de machines het land op te kunnen.’

Hoezeer de weersomstandigheden akkerbouwers bezighouden, wordt goed zichtbaar als je akkerbouwers op Twitter volgt. De wanhoop is af en toe tastbaar, zoals bij aardappelboer Arwin Bos, die we eerder in deze reeks tegenkwamen:

‘Vroeger moest je zorgen dat je in oktober alles klaar had voor de winter: geoogst, geploegd, helemaal klaar’, vertelt Den Ouden als we inmiddels aan zijn keukentafel zitten. ‘Maar krachtigere machines geven je de mogelijkheid die taken uit te stellen. Als akkerbouwer ga je inmiddels uit van een langer groeiseizoen, met het risico dat je in een natte periode moet gaan oogsten. Met moderne machines lukt dat nog. Maar je mishandelt wel je bodem.’

Omgaan met het weer hoort er gewoon bij, vindt Den Ouden. Nu klimaatverandering hoog op de agenda staat, is het verleidelijk om de twee afgelopen droge jaren en het slechte najaar daaraan toe te schrijven. Maar het is, zo vindt Den Ouden, nu eenmaal onderdeel van zijn werk. ‘Sinds mijn vader als akkerbouwer begon is er voor boeren al ontzettend veel veranderd. Het weer lijkt, in al zijn onvoorspelbaarheid, eigenlijk de enige constante.’

Toch zal de Nederlandse akkerbouwer de komende jaren toch écht te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. 'De temperaturen zullen verder stijgen’, vertelt weerman Gerrit Hiemstra telefonisch. ‘Dat betekent minder koude-extremen en meer warmte-extremen, dus minder vorst en vaker hoge temperaturen.’ Afgelopen zomer steeg de temperatuur in Nederland voor het eerst voorbij veertig graden, zegt Hiemstra. ‘Dat was nu nog heel bijzonder, maar ik verwacht dat het vaker gaat gebeuren.’ Ook de extreem zachte winter waar we nu middenin zitten, lijkt Hiemstra’s voorspelling te ondersteunen. Zelf is hij voorzichtig. ‘Het is altijd lastig om incidenten direct te koppelen aan klimaatverandering. Maar die 40,7 graden in Gilze-Rijen deze zomer… Klimaatverandering is daar niet de oorzaak van. Maar wel een van de oorzaken. Zonder klimaatverandering had dat niet kunnen gebeuren.’

Piet Hermus aan zijn keukentafel

Ook de neerslag verandert. Klimaatdeskundigen verwachten dat winters in de toekomst natter gaan worden. Zomers worden droger, maar met meer plotselinge, extreme buien. Een boer die dit al heeft meegemaakt, is Piet Hermus. In 1998 verzopen al zijn aardappelen voor het eerst, na een plotselinge, extreme regenval, vertelt hij als we hem spreken op zijn boerderij. ‘In 2002 gebeurde het nog een keer: plotselinge, zeer lokale en zeer hevige regenval. Hier in de buurt stonden de percelen blank, de sloten vol. Dat kan een keer gebeuren en misschien wel twee keer, maar alles wijst er op dat dit het nieuwe normaal gaat zijn.’

Hermus is een opvallende figuur in de boerenstand. Waar bij veel van zijn collega’s de klimaatscepsis overheerst, luidt Hermus het liefst zo hard mogelijk de noodklok. Net als veel van zijn collega’s reed ook hij afgelopen jaar met zijn trekker naar de stad om zijn onvrede te uiten, maar dan in de klimaatmars. Hij gelooft dat de mens verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde. Het is een mening die veel van zijn collega’s tegen de haren instrijkt. Hermus ontving bedreigingen en zelfs een dode rat in de brievenbus. Hoewel hij bekendstaat als iemand met een uitgesproken mening over van alles, is hij er zelf van overtuigd dat de bedreigingen verband houden met zijn houding ten opzichte van klimaatverandering. ‘Vooral boeren die niet volledig afhankelijk zijn van te oogsten gewassen vinden klimaatverandering en de maatregelen die daaruit voortkomen een bedreiging. Die worden boos en hun woede wordt aangewakkerd door politieke charlatans.’

Hermus heeft opvallend veel begrip voor collega’s die hem zien als een lastpak. ‘Je moet het in perspectief zien: vlak na de oorlog waren er 400.000 boeren op een totale Nederlandse bevolking van 9,5 miljoen mensen. Nu hebben we er vijftigduizend op een bevolking van zeventien miljoen. Dan heb je 85 procent van je beroepsgroep moeten uitzwaaien. Dan is het ook geen wonder als je een beetje – of misschien wel heel erg – defensief wordt. Niet dat het goed te praten valt, maar ik snap waar het vandaan komt. Ooit profiteerde jij ervan dat je buurman stopte, kocht hem op, maar misschien ben jij nu aan de beurt. Die kans groeit. Dat geeft onbehagen.’

Dat Hermus zich zorgen maakt over klimaatverandering, komt voort uit historisch en geografisch besef. 'De klei in mijn grond heb ik te danken aan de Sint Elisabethsvloed van 1421. Voor die ramp was hier een grote veenpolder, de Grote Waard.’ En die veenpolder klinkt in. Als het land daalt en de dijk niet sterk genoeg, overstroomt de polder. Hermus: ‘De polder waar ik nu in zit, was een van de eerste die in 1538 werd teruggewonnen op het water.’ Die geschiedenis heeft natuurlijk niets van doen met door mensen gecreëerde klimaatverandering, geeft Hermus toe. Maar het geeft volgens hem wel aan in wat voor land we wonen: een laag land met veel water. Collega-agrariërs die klimaatverandering ontkennen omdat de consequentie ervan ze niet aanstaat, steken wat Hermus betreft hun kop in het huidige sediment.

Verschillende aardappelsoorten in de opslag van akkerbouwer Arnout den Ouden

Hermus is niet de enige is die zich zorgen maakt. Dat blijkt uit de toenemende populariteit van de zogenoemde 'brede weersverzekering’. Die verzekering keert uit wanneer een ondernemer schade ondervindt van extreem weer. Tot 2010 was hier een potje van de overheid voor, de Wet Tegemoetkoming Schade (WTS). De weersverzekeringen die vanaf dat moment werden aangeboden vielen niet direct bij alle buitentelers in de smaak. Ze werden, mede door door de hoge assurantiënbelasting, te hoog bevonden. En bovendien waren ze vrij complex.

Op het moment dat een akkerbouwer een stuk grond van een buurman huurde, wat veelvuldig gebeurt, werd het bijvoorbeeld veel te ingewikkeld. Daarom is in 2020 slechts één vijfde van de buitentelers (niet alleen akkerbouwers, maar ook tuinders en andere bedrijven die voor een heel groot deel van hun inkomsten afhankelijk zijn van de teelten die onderhevig zijn aan extreem weer) nog aangesloten bij een brede weersverzekeraar. De verwachting is dat dit aantal in 2020 sterk zal groeien, onder andere omdat de assurantiebelasting ervoor wordt geschrapt waardoor het goedkoper wordt. Wellicht dat ook Den Ouden dan omgaat – in tegenstelling tot Hermus vond hij de verzekering vooralsnog te duur voor te weinig zekerheid.

‘Op de korte termijn is Nederland misschien aan de winnende hand’, zegt Ernst van den Ende, directeur van de afdeling plantkunde van de Wageningen Universiteit. ‘In Spanje hakken de hete, gortdroge zomers er veel zwaarder in. De afgelopen oogsten waren daar dramatisch.’ Voor Nederland is dat voordelig omdat de prijzen dan stijgen en Nederland wel kan irrigeren. ‘Maar het is zeker geen goed nieuws’, zegt Van den Ende. ‘Wereldwijd is klimaatverandering een zeer zorgelijk verhaal voor de voedselvoorziening. De grote graanschuren van de wereld, het gebied rondom de Ganges en Indus in India en het midwesten van de Verenigde Staten, hebben allemaal te kampen met dreigende watertekorten.’

Van den Ende ziet klimaatverandering voor de Nederlandse boer als een serieus probleem. In feite bevinden boeren zich in de frontlijn van klimaat en klimaatbeleid. En het zal in grote mate van hun boerenslimheid afhangen hoe succesvol hun pogingen zijn om ermee om te gaan. 'Door de opschuivende klimaatzones zal de ziekte- en plagendruk toenemen’, waarschuwt Van den Ende. En ook weerman Hiemstra vindt het benadrukken van de positieve kanten van klimaatverandering wel erg kort door de bocht. ‘Voor agrariërs is vorst bijvoorbeeld heel welkom. Dat vriest de grond kapot, waardoor de bodemstructuur verbetert en daarnaast doodt het overgebleven gewassen en onkruid uit het vorige seizoen. Dat scheelt een akkerbouwer flink werk in het seizoen erna.’

Hermus ziet de problemen aan die frontlijn. ‘Toen ik dertig jaar geleden voor het eerst hoorde van klimaatverandering, was ik in eerste instantie positief’, grijnst hij. Hij dacht dat een langer groeiseizoen goed zou zijn voor zijn suikerbieten. 'Maar het lijkt erop alsof de voordelen niet opwegen tegen de nadelen.’