Als uitgangspunt voor ons onderzoek hebben we de Union Registry-data genomen, die de Europese Commissie zelf bijhoudt en publiceert op de website, onder ‘Reports’ de lijst ‘Verified Emission for 2019’. Volgens DG Clima, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van Commissiebeleid, zijn dit de betrouwbaarste cijfers over de emissies en de toegekende emissierechten.

De database bevat de hoeveelheden uitstoot en gratis rechten van alle ETS-installaties in de EU vanaf 2008 tot en met 2019. Wij hebben per installatie de uitstoot van die jaren bij elkaar opgeteld. Datzelfde hebben we gedaan met de gratis emissierechten van die jaren, zodat we het verschil konden berekenen.

De database bevat ruim zesduizend industriële installaties. Bij elke installatie staan in de database twee namen: de naam van de installatie en een ‘identifier name’. Op basis van die twee namen hebben we geprobeerd de moederbedrijven van deze installaties te achterhalen. Eén concern kan meerdere installaties bezitten, in meerdere landen. Shell heeft bijvoorbeeld negentien installaties, behalve in Nederland ook in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Noorwegen. Bovendien is een moederbedrijf gerechtigd om gratis emissierechten die ze voor de ene installatie tekortkomt te dekken met rechten die ze op een andere installatie overhoudt. Met andere woorden: de moederbedrijven kunnen met de rechten schuiven. Wat ze per saldo overhouden, kunnen ze verkopen en ze kunnen de winst aan de aandeelhouders uitkeren.

De database bevat echter ongewoon veel vergissingen en hiaten. Namen van installaties zijn soms vervangen door nietszeggende nummers of door de algemene aanduiding ‘fabriek’. Omdat we niet de middelen hebben om zesduizend installaties te controleren, hebben we voor een steekproef gekozen. We hebben eerst gekeken welke installaties in 2019 de meeste broeikasgassen uitstootten. Vervolgens hebben we van boven naar beneden op de ranglijst uitgezocht wie de eigenaren van deze installaties zijn. Energieopwekkers hebben we overgeslagen, omdat deze sinds 2013 geen gratis emissierechten meer krijgen. Na ruim zeshonderd installaties te hebben opgezocht, konden we honderd industriële moederbedrijven identificeren die dus de grootste vervuilers in de EU zijn. In 2019 waren ze samen goed voor driekwart van de broeikasgassen die de Europese industrie in dat jaar in totaal uitstootte.

We hebben al het mogelijke gedaan om vervolgens alle installaties van deze honderd moederbedrijven in de lijst op te sporen. Zo hebben we onder meer rekening gehouden met verschillende spellingswijzen van (en spelfouten in) de namen.

Als twee moederbedrijven samen eigenaar zijn van een installatie (wat in de petrochemische industrie niet ongebruikelijk is) hebben we de uitstoot en gratis rechten navenant verdeeld. Als bijvoorbeeld een moederbedrijf 45 procent van de aandelen heeft, dan hebben we ook maar 45 procent van de emissies en rechten aan dat bedrijf toegerekend.

Op staalbedrijven hebben we een correctie toegepast voor de allocaties die ze hebben moeten afstaan aan energiebedrijven die hun restgassen hebben verstookt. Op basis van publicaties van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) over het gebruik van restgassen uit de staalsector in de energiesector hebben we berekend dat 27 procent van alle emissierechten van de staalsector worden doorgeschoven naar energieproducenten. Daarom hebben we de allocaties van alle staalbedrijven met 27 procent verlaagd.

De uitkomsten zijn conservatief. Omdat we niet álle installaties van deze honderd grootvervuilers hebben kunnen opsporen, zijn sommige totalen in werkelijkheid waarschijnlijk hoger. Voor het verschil tussen emissies en rechten heeft dit slechts beperkte gevolgen: door een installatie toe te rekenen aan een moederbedrijf nemen immers zowel haar totale uitstoot als haar voorraad gratis emissierechten toe.