In het voorjaar van 2021 besloten Remy Koens van Follow the Money en Coen van de Ven van De Groene Amsterdammer om te turven hoe het gesteld is met de nabijheid van publieke voorzieningen sinds 1980. Om er zo achter te komen wat er waar is van de veelgehoorde klacht dat de overheid zich terugtrekt uit het leven van burgers. Waar liepen die voorzieningen terug of namen ze juist toe? Hoe zichtbaar is de overheid nog in ons leven?

Die zoektocht begon met een forse overschatting van die overheid, of in ieder geval van de archieven. De overheidsarchieven bleken er soms niet te zijn of waren onvindbaar. De Nederlandse overheid blijkt dementerend. De politie beschikt bijvoorbeeld slechts over de adressen van haar eigen vestigingen vanaf 2013, het jaar dat de Nationale Politie ontstond. Waar de bureaus voordien waren gevestigd bleef onduidelijk tot een medewerker van een depot van het PIT Veiligheidsmuseum in Arnhem op de proppen kwam met oude jaargangen van de Politie Almanak. Die leenden wij van het depot om vervolgens zelf te archiveren. Al bleken die ook maar ten dele bruikbaar door grote onvolledigheid en de uiteenlopende rapportagemethoden van de politiekorpsen.

Uiteindelijk konden we drie redelijk goed bijgehouden politiegebieden (Friesland, Zeeland en Zuid-Holland) wél digitaliseren, om zo in kaart te brengen waar politiebureaus verdwenen en in welk tempo dit gebeurde (in Zeeland sloot tussen 1980 en 2021 74 procent, in Zuid-Holland ‘slechts’ 27 procent).

Dit patroon kwamen wij keer op keer tegen. Ministeries of uitvoeringsinstanties wisten veelal niet hoeveel bibliotheken, brandweerkazernes, scholen, ziekenhuizen of andere voorzieningen er op specifieke momenten in de Nederlandse geschiedenis waren. Niemand bleek te weten hoeveel bushaltes of OV-lijnen er in bepaalde jaren waren. De zoektocht is daarmee verre van compleet, het geheugen van de staat vertoont zwarte gaten. Wij stelden daarom onze vraag bij naar het in kaart brengen van voorzieningen vanaf het moment dat er cijfers gevonden konden worden. Voor basisscholen bleek dat bijvoorbeeld 1997, voor politiestations 1980 en voor bibliotheken vanaf 2008.

Uiteindelijk hebben we voor onze analyse gebruikgemaakt van rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en van datasets van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de Nationale Politie, De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de jaargangen van de Politie Almanak, die we dus leenden van het PIT Veiligheidsmuseum.

Het verhaal bevat daarmee veel cijfers die twee dataconclusies staven. 1) Zichtbare overheidsvoorzieningen nemen af. 2) Dit proces voltrekt zich sneller op het platteland dan in de Randstad of andere stedelijke groeikernen.

Vooral de tweede conclusie behoeft toelichting. Hoe konden wij dat ‘in kaart’ brengen? Dat is gebeurd door uit te gaan van COROP-regio’s (veertig regio’s die de Nederlandse overheid sinds 1971 gebruikt om Nederland te bestuderen). Voor die veertig regio’s hebben we aan de hand van CBS-data bekeken wat de afstand is tot huisartsen, huisartsenposten, ziekenhuizen, bibliotheken, havo/vwo-scholen, vmbo-scholen en basisscholen over de periode 2007 en 2019.

Door per categorie een rangschikking te maken en punten toe te kennen voor een regio op die ladder konden wij tot een totaal komen van meest achtergestelde regio’s. Als een regio bijvoorbeeld de grootste afstand kent tot ziekenhuizen, dan krijgt zo’n regio veertig punten, de regio waar ziekenhuizen het meest nabij zijn krijgt één punt. Als we vervolgens de som nemen van al die lijstjes, dan tekent zich een duidelijke rangschikking af. Deze ranking hebben wij ter controle voorgelegd aan een onderzoeker van het CBS die zich daar bezighoudt met nabijheidsstatistieken.

Eenzelfde rangorde konden wij toepassen op de toename tot voorzieningen. Daarvoor hebben wij de jaren 2007 en 2019 met elkaar vergeleken: waar liepen voor die verschillende categorieën de afstanden het meest op? Door opnieuw een ranking te maken konden wij aantonen dat de achteruitgang veruit het grootst is aan de randen van Nederland.

Daarnaast maakten wij twee rankings speciaal voor onderwijsvoorzieningen en zorgvoorzieningen. Deze zijn in de online versie van het stuk te vinden.

Het is belangrijk om een kanttekening te plaatsen bij het gebruik van de COROP-regio ‘Noord-Friesland’. Onder deze regio vallen de vier Friese Waddeneilanden, waardoor de hele regio zeer grote afstanden kent. In onze analyses hebben we deze regio wel gewoon de positie gegeven die uit berekeningen komt, maar in onze eigen interpretaties en bij keuzes van reportagelocaties genegeerd.

Onze conclusie dat na gemeentefusies voorzieningen in een vrije val terechtkomen is gebaseerd op een berekening. Wij hebben de afstand tot voorzieningen tot aan de fusie vergeleken met de afstand tot voorzieningen ná de fusie. Om aan te tonen dat de neergang harder is verlopen dan in niet heringedeelde gemeenten hebben wij de neerwaartse trend vergeleken met gemeenten die niet fuseerden. Die bleek forser bij wel heringedeelde gemeenten.