DE JAREN TACHTIG

Verantwoording? Ja, daag!

Anders dan Wijnand Duyvendak heeft Natasha Gerson, die in 1996 de krakersroman Plaatstaal publiceerde, geen spijt van haar leven als actievoerster. In het huidige debat wordt de context waarbinnen de acties plaatsvonden over het hoofd gezien.
Discussie:verantwoording afleggen over de jaren tachtig?

WOENSDAGMIDDAG 20 augustus 2008, voorafgaand aan wat de roerigste boekpresentatie sinds decennia zal worden. Het restaurant op de zevende etage van de nieuwe bibliotheek van Amsterdam verschaft een weids uitzicht over de opgepoetste, bedrijvige hoofdstad. In de verte, net niet zichtbaar, herdenken op de Dam enkele honderden mensen onder de vlag van Vrienden van Kerwin het 25ste jubileum van ‘de eerste naoorlogse racistische moord’. Beneden voor de deur, tussen politie en rokende actieveteranen, vraagt een in 1977 geboren journalist van Trouw aan mij, de ouwe kraakster die hij voor wat opoe-vertelt-verhalen had opgeduikeld in het kader van een serie over idealen: ‘Hadden jullie nou het idee dat je eigenlijk alles kon maken?’
Het antwoord is volmondig: ja, dat hadden we inderdaad. Niet voor niets heet Joost Seelens documentaire (1996) over de geschiedenis van de kraakbeweging tussen 1975 en 1988 De stad was van ons. Ik haast me wel om te verduidelijken dat het niet alleen ‘maken’ in de zin van ‘flikken’ was – waar deze dagen de nadruk op ligt – maar ook werkelijk maken, in de zin van ‘de maakbare samenleving’.
Al lang is het een reflex van oude actievoerders om zich te verdedigen door uiteen te zetten wat we destijds precies wilden, en vervolgens hoe we daar ten dele in geslaagd zijn. Als er weer eens teruggekeken wordt – iets wat in periodieke golven gebeurt – fixeren de vragen zich altijd op de ‘uiteindelijke’ geweldsspiraal en is de conclusie altijd weer dat elke revolutie haar eigen kinderen opeet. De rest van wat je dan betoogt, vind je eigenlijk nooit terug in de uiteindelijke publicaties. Dat kan bijvoorbeeld de toevoeging zijn dat het daarna helemaal niet afgelopen was met kraken en actievoeren, maar dat wat er overbleef en bij kwam in de jaren die volgden nagenoeg werd genegeerd. Juist omdat het niet gewelddadig of buitenwettelijk was, en dus voor media en politiek oninteressant. Maar er is geen goed zicht op de jaren tachtig mogelijk zonder de tussenliggende tijd ook mee te nemen. In de jaren negentig, tijdens de fruitige vrolijkheid van de zeepbeleconomie en na de optimistische start van het gezapige Paars, werd elk onvertogen woord tegen de status-quo van Nederland als áf en compleet als overbodig gezeur gezien. En zo bleven de jaren tachtig in de collectieve beleving dus óf de jaren van Hepi en Hepi-krultangpony’s en aerobics, óf van rellen en vliegende stenen.
Maar behalve de stad die van het collectieve ‘ons’ was, van de beweging, de scene, was er ook nog het ‘ons’ als in: ons-zelf. Ons eigen leven – in eigen hand. Vanaf 1982 was er crisis, werk was er nauwelijks en er was geen zicht op verbetering. Er was veel aandacht voor de gigantische jeugdwerkloosheid (met pieken tot twintig procent) en dus ook voor jongeren die alternatieve activiteiten ontwikkelden, zoals in de do it yourself-cultuur van de punk- en kraakbeweging of in actiegroepen. Er waren de studenten die zich ofwel helemaal richtten op ‘weten om het weten’, of juist probeerden boven de ellende uit te stijgen door zich te storten in bedrijfsstudies en dan het ondernemerschap.
De media, altijd belust op nieuwe ontwikkelingen en rariteiten, zeker waar het de nieuwe generatie betreft, berichtten destijds al onevenredig veel over kraken en actievoeren. En vooral over de spectaculaire kanten daarvan en over personen in wie zij leiders vermoedden. De politiek moest ook toen, zoals altijd, in elk geval de indruk zien te wekken dat zij luisterde naar de jeugd en het volk dat zich het luidst roerde. Daar trok het beeld al scheef. Veel anderen hebben zich destijds genegeerd en niet vertegenwoordigd gevoeld, zoals later omstandig bleek. Maar is dat iets waar wij ons voor moeten verantwoorden? Of kunnen de toenmalige verantwoordelijken in media en politiek dat zelf eens een keer doen?

Met de affaire-Duyvendak klinkt opnieuw de roep om een analyse, om psychologische verwerking zelfs, van de jaren tachtig in het algemeen en het actiewezen in het bijzonder. Maar de beschouwing lijkt weer te blijven steken in contextloos herkauwen van losgezongen feiten en destijds al overbelichte deelgeschiedenissen. Daar gaan we weer met de kroningsrellen en de tanks in de Vondelstraat. En dat we elkaar uiteindelijk allemaal naar het leven stonden. En wie vormden Rara? Zijn die nog te ontmaskeren? Verdienen die hun geld, en zo ja hoeveel, wellicht in het publieke veld? Dat wordt eindeloos interessanter gevonden dan: hoe kwam het dat Nederland, hoewel doortrokken van het actievoeren, op dat moment zo’n beetje het enige Europese land was waar géén echte politieke terreurgroep opereerde met dodelijke aanslagen, liquidaties en ontvoeringen? Geen Rode Brigade, geen CCC of Action Directe? Als reden voor het uitblijven daarvan wordt genoemd het al snel ontstaan van een onofficieel poldermodel avant la lettre, dat nu gehekeld wordt als een groot links complot.
De eisen die aan de jeugd werden gesteld waren in die jaren niet bepaald hoog. Als je jezelf een beetje wist bezig te houden en niet al te grote overlast of problemen veroorzaakte, was het allang best. Opgroeien tijdens de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, waarin elk moment iemand op een knop kon drukken en het afgelopen kon zijn met de wereld – daar werd je dagelijks aan herinnerd – was niet alleen doom and gloom. Het No Future-adagium van de punk-scene bracht ook grote vrijheid met zich mee – het argument (of excuus) tot verzet – en enorme welwillendheid ten aanzien van elk eigen initiatief.
Bij het terugkijken op de kraak- en actiebeweging wordt de context geheel weggelaten. De beweging wordt nooit gezien in haar eigen tijdsbiotoop. In die tijd waren jongeren bijvoorbeeld collectief ontheven van het ontwikkelen van toekomstperspectief, en was er dus ook geen prestatiedrang. Dat bracht verschijnselen met zich mee die nu, omdat ze nagenoeg verdwenen zijn, niet meer als factoren van invloed worden gezien. Vergeten is bijvoorbeeld de gigantische impact, destijds, van drugs, in het bijzonder heroïne, op de maatschappij. Voor de jeugd van vooral de late jaren tachtig was daar de romantiek – zoals die nog aanwezig was in bestsellers als Christiane F., eind jaren zeventig – al van af. Ook het medelijden met verslaafden was nagenoeg verdwenen.
Maar ze wáren er wel, de junkies. En er kwamen steeds nieuwe bij, uit alle gelederen; jongeren die in de apathie van die tijd hun leven als zinloos ervoeren. Zozeer drukten ze hun stempel op het openbare stadsleven en slokten in zo’n grote mate de capaciteit van (jeugd)hulpverlening en politie op dat ze op een merkwaardige manier de norm bepaalden. Veel ouders waren allang blij als hun kinderen niet verslaafd waren, en ook niet dealden. De openbare ruimte was door junks geannexeerd. In de oude wijken gaven buurtbewoners te kennen dat ze toch liever ‘gewone krakers’ in de leegstaande panden – soms complete woonblokken – hadden dan junks. Hun somber makende alom-aanwezigheid (‘psst, fiets kopen?’) zorgde voor maatschappelijke erosie, een dagelijkse herinnering aan het falen van de bestaande structuren.
Tegelijkertijd was duidelijk dat aan deze zombies ergens daarboven veel geld werd verdiend. En niet alleen aan hen. De nu zo uitgebreide misdaadjournalistiek had zich nog nauwelijks ontwikkeld, en dus had ook de curieuze bewondering voor drugsbaronnen en penose haar intrede nog niet gedaan. Mensen die geld verdienden aan drugs, porno of mensensmokkel, mensen die rijk werden van de uitbuiting van andermans ellende, werden door bijna iedereen nog gewoon aangemerkt voor wat ze zijn: tuig. Het echte tuig, zo werd het vaak verwoord.
Sympathie voor krakers in de volksbuurten was op heel wat meer gebaseerd dan op mode en gewenning, zoals het nu wel eens wordt gepresenteerd. Tegenstand tegen de nieuwe, ‘grijze’ economie, waar gewone mensen werkelijk last van hadden en nog steeds hebben, droeg bij aan die sympathie. Aandacht voor grootschalig witwassen van zwart geld was er tot medio jaren negentig van justitiezijde nauwelijks. Dus toen criminelen in toenemende mate ‘investeerden’ in onroerend goed, om dat te laten verkrotten of tegen woekerprijzen te verhuren, vonden veel mensen het prima dat het bezit van die criminelen gekraakt werd en hun het leven zo zuur mogelijk werd gemaakt. Omdat men dat zelf niet kon of durfde.

Met de fixatie in de achterafbeschouwing op het – overigens zeer tijdelijke – interne geweld (verhoren van al dan niet vermeende informanten, intimidatie) en het rijk gedocumenteerde openbare geweld van de actiebeweging (stenen gooien, brandstichting, daadwerkelijke of vermeende bomaanslagen, ‘Kedichem’) wordt het externe geweld vergeten. Krakers en actievoerders verhardden op een gegeven moment ook omdat ze steeds meer een leven in geduwd werden waarbij geweld een constant gegeven werd. Hardhandige ontruimingen, arrestaties en invallen van politiezijde.
Ik herinner me een ontruiming waarbij een door de ME met een karabijn door het raam geschoten traangaspatroon zich op minder dan een meter van mijn hoofd in de muur boorde, waarna ik werd gearresteerd en veroordeeld voor openlijke geweldpleging wegens het uit dat raam gooien van een fles. Ook waren er dreigingen van nazistische splintergroepjes, voetbalhooligans en knokploegen van louche eigenaren. Van de 25 leden van de bende die in 1986 acht krakers van een pand aan de Amsterdamse Looiersgracht met honkbalknuppels het ziekenhuis in sloegen – vooral botbreuken, waaronder een gebroken been en een schedelbasisfractuur – is nooit één lid veroordeeld. De zaak eindigde met een serie vormfouten en uiteindelijk verjaring. Veel krakers leefden lange tijd achter deuren die waren versterkt met ijzer en bedspiralen. Zeker is dat van daaruit een deformatie optrad waarbij de impact van geweld (brandende lappen) of geweldsdreiging (nachtelijke telefoontjes) op eigen doelwitten ernstig werd onderschat.
De Leegstandswet (1987) maakte een einde aan het grote kraken, maar verschaft nog altijd duizenden studenten tijdelijke huisvesting in de vorm van antikraak (want zonder kraken is er geen antikraak). De economie trok aan, de werkloosheid nam af, de junks stierven uit, Hilbrand Nawijn was hoofd van de IND, Rita Verdonk gevangenisdirecteur, Nederland was klaar en ging met Grote Projecten in de weer: Betuwelijn, Afrikahaven. Het polderen deed zijn intrede. Kraak- en actiebeweging gingen daar ten dele in mee. Veel actiegroepen werden organisaties of collectieven die zich richtten op onderzoek, informatieverschaffing, lobbyen, hier en daar ondersteund door bijna altijd geweldloze acties in het kader van speculatie, milieu, globalisering, vreemdelingen (vooral vluchtelingen) en antiracisme.
Niet alleen werd kraken moeilijker, ook kromp de actiebeweging verder in omdat de studenten, door de invoering van de tempobeurs en OV-jaarkaart, al snel afhaakten. Vrijwilligers-met-behoud-van-uitkering verdwenen. Hier en daar viel nog wat te lappen met een ID-baan.
In de politieke leemte van de jaren negentig was er een kleine opleving met de opkomst van de actiekampen van GroenFront!. Ook de veelbesproken dierenrechtenbeweging was in opmars. Beide waren het domein van een heel nieuwe generatie actievoerders.

De fout die veel (voormalige) actievoerders, en nu ook Wijnand Duyvendak, maken, is dat ze denken dat sommige conclusies vanzelfsprekend zijn en dat ze er tegelijkertijd van uitgaan dat veel meer van hun geschiedenis mét de context bekend is dan over het algemeen het geval is. Maar pas vanaf het begin van het millennium leefde de politieke interesse plotseling weer op, en dan ook nog vanuit onverwacht perspectief. Mensen die zich nooit of jarenlang niet met politiek hadden beziggehouden, die in de jaren tachtig ‘werkten en zich normaal gedroegen’, en jongeren die waren opgegroeid in de jaren negentig en voor wie alles nieuw was, vonden elkaar in hun haat tegen links. Dit werd gevoed door cynische en soms listige babyboomers die de Verloren Generatie van de jaren tachtig aan hun stoelpoten hadden voelen zagen en die graag de aandacht van zichzelf afleidden, en door wat publicist Arjan Gout typeert als ‘psychisch rechts’: de linkse spijtoptanten. Alles wat links was, van de extreem-linkse Anti-Fascistische Aktie tot en met gezapige sociaal-democraten als Marcel van Dam en Ed van Thijn, werd tot hun aller verbijstering op één hoop gegooid.
Links in zijn algemeenheid werd verweten dertig jaar de andere kant op gekeken te hebben als het ging om de vreemdelingen- en islamproblematiek. Links werd van zakkenvullen, uitvreten en potverteren beticht. De actiebeweging was in dat alles de primaire kop-van-jut. Net als de veel geplaagde Duyvendak: juist omdat hij ook in het verleden zijn activiteiten nooit onder stoelen of banken stak, woordvoerder was bij talloze wettelijke of onwettelijke acties en carrière maakte via ngo naar politiek, juist daarom was hij al jaren bij uitstek het middelpunt geweest van de gerust obsessief te noemen aandacht van een kleine kongsie van elkaar voedende links-watchers.
Duyvendak verkoos lange tijd het geherkauw vooral te negeren, maar toen hij een boek ging schrijven, moest zijn actieverleden toch eens verklaard en moest hij er voor de goede orde – en tot verdriet van veel oude compadres – stellig en zo breed mogelijk afstand van nemen. De horde hyena’s sloeg toe, in onder andere De Telegraaf gevolgd door een nieuwe klimaatopwarming-bestaat-niet-hype.
Aan het begin van een parlementair jaar waarin het klimaat, energie en Afghanistan belangrijke thema’s zullen zijn en waarin ook nog eens het kraakverbod aan de orde komt, is Duyvendak de eerste die zich, mede dankzij de slappe knieën van zijn fractievoorzitster, vakkundig heeft laten kaltstellen. Ex-kraakster, actievoerster en SP-Kamerlid Krista van Velzen is de volgende die op de knieën moet, schuimen inmiddels de anonieme reaguurders op de populaire weblogs die steeds dwingender de politieke mores voorschrijven.

Inmiddels is, blijkens recente justitiële rapporten (WODC 2006), maar liefst veertig procent van het onroerend investeringsgoed binnen de Amsterdamse ring in handen van de georganiseerde misdaad, en zelfs tot zeventig procent waar het verwaarloosde ‘aanschrijfpanden’ betreft. Zelfs aan G.W. Bakker, projectontwikkelaar en in de jaren tachtig krakersvijand nummer één, kon in de Volkskrant (23 augustus 2003) de verzuchting ontlokt worden dat het allemaal niet leuk meer was, want dat het bijkans onmogelijk was om misdaadgeld te vermijden. En dan moeten wij bij onszelf te rade gaan of we ons twintig jaar geleden wel goed gedragen hebben en anderen wel genoeg ruimte hebben gegeven? Ja, daag! Er is inmiddels genoeg verantwoording afgelegd. Kraak- en actieveteranen zoeken elkaar steeds vaker op. De eerste T-shirts met de opdruk ‘GeenSpijt’ zijn al gesignaleerd.

Lees ook:
DE ZAAK-DUYVENDAK
Wat is uw mening over de zaak-Duyvendak?