Verbeelding voorbij de horizon; Nederland heeft nauwelijks eigen sprookjes

Verbeelding voorbij de horizon

De traditionele sprookjes die wij in Nederland kennen komen oorspronkelijk uit het buitenland. Nederlanders kijken argwanend naar fantastische verdichtsels en toverij.

Paul Biegel
De gouden gitaar
Illustraties Babs van Wely
Holland, 40 blz., € 9,90 (6+)

Kate DiCamillo
Despereaux, of het verhaal van een muis, een prinses, een schoteltje soep en een klosje garen
Tekeningen Philip Hopman
Vertaald door Martha Heesen
Querido, 184 blz., € 13,50 (8+)

Tonke Dragt
De blauwe maansteen
Illustraties Tonke Dragt
Leopold, 170 blz., € 13,95 (9+)

Philip Pullman
The Scarecrow and His Servant
Illustraties Peter Bailey
Doubleday, 229 blz. (8+)
Verschijnt in september in vertaling bij Van Goor als De vogelverschrikker en zijn knecht, 256 blz., € 15,95

Akiko Sueyoshi
De geest op het dak
Uit het Japans vertaald door Karin van Veldhuizen-Wanrooij
Leopold, 155 blz., € 13,95 (10+)

Sam Swope
Jantje en de zeven reuzen
Vertaald door Bea de Koster
Illustraties Carll Cneut
De Eenhoorn, 87 blz., € 12,95 (7+)

«Dat is een sprookje van moeder de gans» is een Nederlandse zegswijze die onze volksaard typeert en alles zegt over de wantrouwende houding tegenover sprookjes. Verdichtsels moet je nooit geloven. Sta met beide benen op de vlakke poldergrond en gebruik je gezonde verstand. Gewoon is al gek genoeg.
Er heerst achterdocht vanaf het mo ment dat de eerste vertaalde sprookjesbundels in Nederland verschijnen (de Arabische sprookjes uit Les milles et une nuits in 1709 van Antoine Galland, Charles Perraults Contes de ma mère l’oye / Vertellingen van moeder de gans in 1745 en de Kinder- und Hausmärchen van Jacob en Wilhelm Grimm in 1820). Aanvankelijk wordt gesproken over «souteloose sproockjes» en auteurs «die zich alleen op leugens toeleggen». Iets later pleit Betje Wolff in haar Proeve over de opvoeding (1779) voor overdracht van bijbelse verhalen en zedelijkheid en keurt ze het ten zeerste af om een schrander kind zotte sprookjes te vertellen. Wolffs waarschuwing wordt overgenomen door de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, een vereniging van verlichte burgers die door middel van deugdprediking een beschavingsoffensief richt op het gewone volk. De invloed van de Maatschappij tot Nut reikt tot ver in de negentiende eeuw. Overprikkeling van de verbeelding dient te worden vermeden, moralisme viert hoogtij en de «Grimmsprookjes» deugen niet.
Hoe anders wordt in de rest van Europa tegen sprookjes aangekeken. In Duitsland wijden de literatuurwetenschappers Jacob en Wilhelm Grimm hun leven aan het verzamelen van sprookjes en geeft een vooraanstaande dichter als Schiller (1759-1805) toe dat in de sprookjes die hij uit zijn jeugd kent meer waarheid schuilt dan in al het andere wat hij de rest van zijn leven heeft geleerd. In Denemarken introduceert Andersen succesvol het cultuursprookje. In Engeland onderkent Charles Dickens in zijn Frauds on the Fairies (1853) het belang van sprookjes in een geïndustrialiseerde samenleving, en zelfs een rationele wetenschapper als Albert Einstein wijst erop dat «logica je weliswaar van A naar B brengt, maar dat verbeelding je pas overal brengt».
In Nederland heb je geen fantasie nodig om ergens te komen. De horizon is onze grens. Er zijn geen heuvels, bergen, dalen of dichte bossen die ons uitzicht belemmeren en ons terugwerpen op creativiteit en verbeeldingskracht. Bovendien zorgen de ANWB-paddestoelen en de tot in detail uitgevoerde Nederlandse bewegwijzering ervoor dat verdwalen en dus avonturieren ten enen male onmogelijk is.
Het verbaast dan ook niet dat er bijna geen sprookjes aanwijsbaar zijn die Nederland als kerngebied hebben. Het merendeel van de traditionele sprookjes die wij in Nederland kennen komt oorspronkelijk uit het buitenland. Fantasie blijkt duidelijk niet een gave waarover de Nederlandse (jeugdboeken)auteur beschikt en echte verhalenvertellers kom je van oudsher zelden tegen in ons vlakke truttige landje. Wij hebben geen Niels Holgersson, geen Pinocchio, geen Babar het olifantje, geen Alice in Wonderland, geen Peter Pan en geen Harry Potter. Behalve Paulus de Boskabouter van Jean Dulieu en Kikker van Max Velt huijs zijn onze jeugdliteraire helden typische «gewone» herkenbare kinderen als Dik Trom, Ot en Sien, Pietje Bel, Kruimeltje, Jip en Janneke en Madelief.
Tegen deze cultuurhistorische ach tergrond zijn Tonke Dragt en Paul Biegel opmerkelijke auteurs. Hun verhalen zijn de bevestigende uitzondering op de regel: fantasierijk, geheimzinnig en bevolkt door spoken, dwergen, feeën, prinsessen, tovenaars en andere leden van de sprookjesfamilie. Centraal staat meestal, zoals sprookjes eigen is, de universele strijd tussen licht en duisternis en de allesomvattende vraag wat het betekent om mens(elijk) te zijn. Die vraag moet de held beantwoorden door middel van een zoektocht naar het ware, het licht en de liefde. Plaats en tijd van handeling kunnen in dit soort verhalen onbenoemd blijven. «Er was eens» voldoet als tijdsaanduiding, en ruige bergen, wilde wouden, oude ruïnes, tochtige kastelen, haardvuren en bliksem en donder vormen het passende decor.
Zelfs de nog niet zo overtuigend vormgegeven hoofdpersoon Jodokus de veldmuis uit Biegels debuut De zingende gitaar, ter ere van zijn tachtigste verjaardag heruitgegeven, is zo’n echte sprookjesheld die moederziel alleen zomaar ergens op een willekeurig tijdstip in een oude klomp het avontuur tegemoet vaart, op zoek naar zijn kwaliteiten als virtuoos gitarist, een veilig huis en een beetje liefde. Samen met zijn Mia, die hij tijdens zijn zoektocht tegen het frêle muizenlijf loopt, ontdekt de onzekere Jodokus dat zijn ouderlijke braamstruik de ideale woonplek voor het muizenpaar is: «Onder die braamstruik kregen ze wel tien kinderen en leefden ze heel lang en gelukkig.»
Het kan geen toeval zijn dat zowel Biegel als Dragt niet-Nederlandse wortels heeft. Biegel suggereert in een interview dat zijn voorliefde voor sprookjes wellicht verklaarbaar is vanuit zijn Duitse afkomst (via grootvader Biegel). «De sfeer van een boerenhoeve ergens in de bergen, met een haardvuur en alle luiken dicht en dan lekker binnen, terwijl de wolven huilen», vertelt Biegel, die ervan overtuigd is dat «alles wat wij fantasie noemen uit een veel diepere realiteit komt dan datgene wat wij fysiek waarnemen».
Ook voor Dragt zijn fantasie en realiteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zij bracht een groot deel van haar jeugd in Nederlands Indië door. Het berglandschap en de ondoordringbare jungle hebben een onsterfelijke indruk op haar gemaakt. De geheimzinnige «stille krachten» inspireerden Dragt; de ruimte van het landschap is als vanzelfsprekend in haar werk terechtgekomen.
In Dragts in 1979 voor de basisschool geschreven De blauwe maansteen, een op het oeroude versje Magoggeltje («wat heb je voor ons meegebracht») en een Russisch sprookje gebaseerd avonturenverhaal dat herzien onlangs als boekhandeleditie is uitgegeven, begint het verhaal precies naar Biegels citaat. De tienjarige hoofdpersoon Joost zit veilig binnen voor een haardvuur terwijl buiten niets dan «de donkere avond en zwarte schaduwen» zijn. Joost verlangt naar het avontuurlijke fantasie rijke leven dat hij leidde toen hij nog klein was. Hij droomt ervan de maan nog een keer blauw te zien worden zodat hij, zoals ooit, weer kan vliegen. Zittend voor de haard ziet Joost in de vlammen van het vuur «donkere wezentjes, salamanders, kleine draakjes, grotten, spelonken (…) grillige vormen van rotspunten en boomwortels die voortdurend veranderden van vorm».
Joost ziet Dragts Indonesische oerwouden, die het perfecte begin vormen voor een sprookjesachtige vertelling over zijn spannende zoektocht naar datgene wat hij lang geleden is kwijtgeraakt: fantasie. Tijdens zijn tocht door een Onderwereld vol geheimzinnige grotten, een Bovenwereld met zee, duinen, bergen, bossen en verborgen kronkelweggetjes, ontmoet hij Magoggeltje, prinses Hyancinta, de tovenaar Orm en ridder I-an. De blauwe maansteen leest als een klassiek sprookje waarin duisternis en licht strijden, met als resultaat dat Joost, als hij na zijn avontuur naar school terugkeert, geestelijk is gegroeid en weet wat fantasie is. Joosts meester beschouwt het verhaal aanvankelijk als «heel fraai, maar onwaar», maar realiseert zich vervolgens dat «als het niet onwaar is, het fantasie moet zijn».
Dragt en Biegel mogen onvolprezen zijn, veel goede hedendaagse sprookjes worden nog steeds uit het buitenland geïmporteerd, getuige de geprezen Ame rikaanse vertellingen Despereaux en Jantje en de zeven reuzen van respectievelijk Kate DiCamillo en Sam Swope, The Scarecrow and His Servant van Engelands gevierde «masterly storyteller» Philip Pullman en het met de Japanse Shogakukan-cultuurprijs bekroonde De geest op het dak van Akiko Sueyoshi, het minst sprookjesachtige boek van de vier.
De geest op het dak speelt zich weliswaar af in een bergachtig gebied met diepgewortelde volkstradities, maar Sueyoshi schetst toch vooral een herkenbare gewone (Japanse) wereld, met als modern hoofdpersonage de moeder loze twaalfjarige Yuka, die het een regelrechte ramp vindt om met haar vader in een bouwvallig hotel op het platteland te moeten verblijven, zich verveelt en vermaakt met computerspelletjes. Totdat de huisgeest Chachamaru, lief, echt en grappig, haar meeneemt op een reis door de tijd, waardoor Yuka droeve oude Japanse streekverhalen leert kennen (roerend verwoord) die alles met haar afkomst te maken hebben.
Swopes Jantje is ook «gewoon een stoute jongen», maar zijn wereld is ontegenzeglijk die van het (wester se/Europese) sprookje, waarin klein en groot en goed en kwaad tegenover elkaar staan. Jantje en de zeven reuzen is een eenvoudig, doeltreffend verteld verhaal (een variant op het Engelse sprookje Jack and the Beanstalk), waarin zeven reuzen de hoofdzonden symboliseren. Jantje, verstoten en wees, moet de strijd met zichzelf en de reuzen aangaan. Natuurlijk wint hij. Vaak toevallig en op humoristische wijze. De meest aansprekende reus is de Rijmelaar: een dichter die voor luiheid staat en Jantje meegeeft dat «de fantasie net zo goed gevoed moet worden als het lichaam». Een raad die Jantje ter harte neemt. Dankzij zijn verbeeldingskracht en daaruit voortkomende creativiteit overwint hij zichzelf en verslaat de reuzen. En is dit niet de voortdurende en stuwende kracht van tijdloze vertellingen? De hoop en innerlijke sterkte die ze ons door middel van verbeelding verschaffen? De richting die verhalen soms aan ons leven geven?
Philip Pullman (auteur van His Dark Materials) is hiervan in ieder geval overtuigd. «All stories teach the world we create. All stories teach the morality we live by», zei hij in zijn Carnegie Medal Acceptance-speech (2003). In zijn nieuwe, meesterlijk vertelde, humorvolle The Scarecrow and His Servant toont Pullman inderdaad onomwonden dat voor hem het leven een onophoudelijke, existentiële zoektocht is met hoop als nimmer aflatende drijfkracht.
Wanneer de door een blikseminslag tot leven gewekte Vogelverschrikker door zijn innig geadoreerde Bezemsteel wordt afgewezen vervolgt hij, ondanks heftig liefdesverdriet, dapper en goedgemutst zijn hilarische levensavontuur, want «zijn nieuwsgierigheid naar de wereld en in het leven was onaangetast». Terzijde gestaan door het pientere weesjongetje Jack, die hem dient zoals Sancho Panza Don Quichot en Tom Poes Heer Bommel, strijdt de Vogelverschrikker onverschrokken te gen het Kwaad, verpersoonlijkt door de op geld beluste familie Buffaloni. Het optimisme van de Vogelverschrikker brengt levenslust en, zo bewijst Pullman met zijn nieuwste sprookje, het vertellen van verhalen helpt daarbij.
Een al even onverwoestbaar optimis tisch karakter als de Vogelverschrikker is Kate DiCamillo’s schepping Despereaux, een abnormaal kleine muis met immens grote oren die «honing» (mu ziek) kan horen en een teleurstelling is voor zijn Franse «maman», die vanwege haar «desperate droevigheid» geen an dere naam voor haar mislukte zoon kon bedenken. Maar, zo spreekt DiCamillo haar lezers rechtstreeks en fijntjes toe: «Je moet weten dat er voor iemand die zich niet aanpast, muis of mens, bijna altijd een bijzonder lot is weggelegd.» En Despereaux’ lot is bijzonder. Daar bestaat geen twijfel over.
Met vaart en een voortreffelijk gevoel voor humor, dat dankzij de knappe vertaling van Martha Heesen in het Nederlands geheel tot zijn recht komt, vertelt DiCamillo in vier delen over Despereaux’ diepe liefde voor de moederloze prinses Erwt die hem – verstoten door de muizenfamilie – doet belanden in de door ratten bewoonde donkere kerkers onder het kasteel waar hij woont. Daar blijkt dat Despereaux niet de enige is met een bijzondere lotsbestemming. De rat Chiaroscuro (Roscuro), ook een van de hoofdpersonages, is binnen zijn duister minnende familie al net zo’n non-conformist als de iele muis, omdat hij denkt «dat licht de betekenis van het leven is».
Despereaux is een heerlijk bizar sprookje over de strijd tussen duisternis en licht en de inspiratiebronnen liefde, vergevingsgezindheid en hoop, door DiCamillo met licht cynisme gekarakteriseerd als «krachtig en heerlijk en belachelijk». Het slothoofdstuk Nog lang en gelukkig verraadt dat alles goed komt. Een goede afloop die alleen met behulp van soep en garen bewerkstelligd kan worden, zoals de intrigerende ondertitel Het verhaal van een muis, een prinses, een schoteltje soep en een klosje garen al vertelt.
De ondertitel verklapt echter niet dat Despereaux in werkelijkheid overleeft dankzij zijn geloof in sprookjes en zijn rotsvaste vertrouwen in «en ze leefden nog lang en gelukkig». Als jong muisje las Despereaux een verhaal (in plaats van het boek op te eten) dat begon met «Er was eens», «een prach tig, verrukkelijk zinnetje (…), de mooiste en sterkste woorden die Despereaux sindsdien kende». Als de nood het hoogst is vertelt Despereaux zichzelf een sprookje, want «verhalen betekenen licht. (…) En Despereaux wilde zo verschrikkelijk graag blijven leven.»
Hoe merkwaardig toch dat veel achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlanders de poëtische universaliteit van sprookjes nooit doorzagen. Hoezo «souteloos» en «onzedelijk»? Sprookjes als licht moralistische existentiële vertellingen passen toch juist binnen onze cultuur waar men zo graag met de vinger zwaait? Gelukkig is het wantrouwen jegens sprookjes anno 2005 grotendeels verdwenen, al vindt jeugdboeken au teur en publiekslieveling Carry Slee het onnodig Harry Potter te lezen en keurt de Vereniging Bijbel & Onderwijs het thema van de komende kinderboekenweek, «De Toveracademie: Boeken vol magie», af. Het verwijt van de vereniging: de CPNB brengt basisschoolleerlingen «duivelse praktijken» bij. Tja… Hollandse vlakheid. Ongeschikt voor een florerende sprookjesproductie.