De klucht rond een mediainstelling

Verbeeldinstituut

Het beoogde Beeldinstituut in Rotterdam zou Nederland een vooraanstaande positie hebben opgeleverd in de internationale wereld van de media. Requiem voor een visionaire onderneming.

JE ZOU HET een fraaie politieke klucht kunnen noemen, wat zich de laatste weken heeft afgespeeld rond het Beeldinstituut. Met instemming van staatssecretaris Van der Ploeg ontwikkelden drie Rotterdamse foto-instellingen, het nieuwe-media-instituut V2 en het Filmmuseum te Amsterdam plannen voor deze nieuwe instelling — maar wat volgde was eigenlijk niet zozeer een klucht als wel een tragedie van gemiste kansen. De grootse plannen dreigen het jammerlijk te verliezen van krachten die alles bij het oude willen laten.


Het plan voor een Beeldinstituut — met inbegrip van zijn onvolkomenheden — biedt een unieke gelegenheid de toekomst van ons beelderfgoed opnieuw te overdenken, ditmaal op een niveau dat aansluit bij de ‘echte wereld’ van de mediaproducten en medianetwerken waaraan het publiek dagelijks wordt blootgesteld. Het voorstel betekent de afrekening met een situatie waarin de verschillende mediavormen en -ervaringen kunstmatig geïsoleerd en verbrokkeld zijn; er zou een omgeving kunnen groeien die een synergetische interactie van deze media-uitingen behelst, hetgeen de Nederlandse mediacultuur in een leidende positie in de wereld zou hebben geplaatst, en waarbij gebruikgemaakt had kunnen worden van de expertise van al deze instellingen. Een inspirerend vooruitzicht, maar wie afging op de argumenten die in de pers te lezen waren, in het bijzonder de argumenten die aangedragen werden door een kleine maar machtige groep binnen de filmwereld, zou denken dat het plan ontworpen was om het Filmmuseum te vernietigen en om zijn missie, het cultiveren van de filmkunst, om zeep te helpen. Niets is echter minder waar.


Ik schrijf dit als liefhebber van het celluloid — niet alleen van het materiaal dat in onze filmtheaters wordt gebruikt, maar ook van het nitraat waarmee de allereerste films werden vervaardigd. Ik schrijf dit als bewonderaar en veelvuldig bezoeker van het Filmmuseum in Amsterdam, dat zich het laatste decennium heeft ontwikkeld tot een instituut met een internationale reputatie. Ik schrijf dit tegelijkertijd vanuit het veilige, verre Utrecht — een relevante toevoeging, omdat er een onfortuinlijke, slepende strijd over het Beeldinstituut is gevoerd tussen Amsterdam en Rotterdam. Maar ik schrijf dit in de eerste plaats uit bezorgdheid over het lot van het Beeldinstituut-in-wording en uit bezorgdheid over de toekomst van het Filmmuseum.


Beide instellingen worden bedreigd door de kortzichtige en provinciaalse — zij het goedbedoelende — critici van het plan. Er worden eigenlijk maar twee argumenten aangevoerd tegen een Beeldinstituut in het Rotterdamse gebouw Las Palmas. Ten eerste zou het plan de autonomie van het medium film aantasten en daarmee de missie van het Filmmuseum. Het tweede argument is dat het instituut niet gepland is in Amsterdam — en waar zou het, aldus de critici, anders thuishoren?


Het eerste punt van kritiek kan op vele manieren worden weerlegd. Het plan is ontwikkeld door de vijf betrokken instellingen tezamen en het neemt de autonomie van deze vijf ook als uitgangspunt. Het is juist de kracht van elk van de deelnemers die de basis vormt van de samenwerking. En alle partners, met uitzondering van het bestuur van het Filmmuseum, hadden affiniteit met het plan (met het bizarre resultaat dat de positie van de directie van het Filmmuseum, dankzij haar vooruitziende blik, nu in gevaar is en daarmee de toekomst van het Filmmuseum).



OM ONSZELF te overtuigen van het belang van zo’n Beeldinstituut hoeven we alleen maar te kijken naar de niet-gesubsidieerde media en enkele recente ontwikkelingen overzee. America Online is erin geslaagd om al na een bestaan van vijftien jaar aanzienlijke belangen te verwerven in Time-Warner, een conglomeraat van ‘oude’ mediavormen zoals gedrukte uitgaven, film en omroepactiviteiten. Yahoo heeft inmiddels twee keer de waarde van het Disney-imperium, en dat na amper tien jaar. Het business-volume van de video- en computerspelletjesindustrie heeft dat van Hollywood weten te overtreffen, terwijl Hollywood zelf in toenemende mate afhankelijk is geworden van revenuen uit video, DVD (digital video disk) en andere inkomstenbronnen buiten de filmtheaters.


Hoewel sommigen deze ontwikkelingen graag een halt zouden willen toeroepen om de bestaande mediavormen te bevriezen tot een staat van tijdloze perfectie, is verandering van wezenlijk belang voor onze media. Die zijn immers al vanaf hun ontstaan in een permanente staat van overgang. De overname van Time Warner is illustratief: de drukpers (Time-Life), het dominante massamedium tot en met het begin van de twintigste eeuw, maakte in de jaren tien ruimte voor haar opvolger, de film (Warner Bros.); op zijn beurt creëerde de film in de naoorlogse jaren ruimte voor de televisie (CNN); sinds kort is daar internet bijgekomen (AOL). Alle oude vormen bestaan nog, maar ze zijn beïnvloed door de veranderingen in hun culturele context, status en betekenis. Minstens zo belangrijk is het feit dat deze mediarevoluties plaatsvonden met toenemende snelheid, waardoor gedegen langetermijninvesteringen plaats hebben gemaakt voor ongewisse avonturen.


De grootste kracht van deze ontwikkelingen schuilt in de omstandigheid dat de producten en marketing van de verschillende media-industrieën elkaar wederzijds versterken. Het publiek heeft een heel netwerk van mediavormen ter beschikking gekregen. De internationale filmindustrie van Bollywood tot Hollywood steunt nu volledig op digitale technologie voor visuele effecten, geluid, montage en DVD-uitgaven. Maar de digitale televisie van de nabije toekomst en de vooruitgang op het gebied van compressie en high definition-ontvangst beloven nog heel wat nieuwe revoluties en zullen de nu nog vanzelfsprekende verschillen tussen de media wegblazen.



NIEUWE technologieën komen ook van pas bij het behoud van de bestaande media-archieven. Digitale restauratietechnieken hebben hun waarde al bewezen bij de restauratie van het filmerfgoed. Digitale distributie van deze beelden maakt oude films toegankelijk voor een groot publiek. Niet alleen het culturele geheugen zal hiervan profiteren, maar ook de financiële positie van de archieven.


De taak van een Beeldinstituut gaat echter verder; een dergelijke instelling dient ook de creatieve producties van nieuwe generaties, die voortkomen uit de nieuwe technologieën, te stimuleren, aan te trekken en te archiveren. En juist hierin, in het bieden van een infrastructuur voor dat wat in de ‘echte wereld’ van productie, distributie en vertoning en ook in ons dagelijks mediagebruik allang aan de gang is, ligt de gezamenlijke missie van het Filmmuseum, de betrokken foto-instellingen en V2. Degenen die menen dat het Filmmuseum erbij gebaat zou zijn buiten het Beeldinstituut te blijven, zouden nog eens beter na moeten denken. Juist de vitaliteit van het medium film en de toekomst van het museum, dat belast is met de taak het bewegende beeld als cultureel fenomeen te koesteren, maken het noodzakelijk zo’n samenwerkingsverband aan te gaan, wil het Filmmuseum in het digitale tijdperk overleven en meer zijn dan een magazijn voor de output van de Nederlandse filmindustrie.


Wat is de nationale en internationale agenda van een Beeldinstituut? Zijn alle noodzakelijke partners er vertegenwoordigd? En wat is de Realpolitik die bedreven gaat worden om de overgang te maken naar een beeldcultuur van de eenentwintigste eeuw?


In de archiefwereld zitten, net als in de academische wereld, veel participanten opgesloten in het systeem van gevestigde machten en tradities. Hun opstelling leidt vooral tot de marginalisering van de eigen club, dat blijkt onmiddellijk als we naar de levendige mediawereld kijken, die haar eigen spoor volgt. Er zijn altijd wel een paar geïnspireerde zielen die de boodschap van buiten wél oppikken. In Nederland behoren de organisatoren van het programma Exploding Cinema van het Rotterdamse Filmfestival daartoe, evenals het Centrum voor Oude en Nieuwe Media te Amsterdam. In het buitenland stimuleren organisaties als MIT’s Comparative Media Studies en het Media Lab een nieuwe media-interactieve visie. Deze instellingen tonen interesse in de unieke aspecten van de verschillende media, maar ook in de vage grensgebieden tussen die media, alsmede in de vragen die nieuwe mediavormen en hun gebruikers opwerpen. Ze hebben een kritische visie op het snel veranderende heden en spelen een cruciale rol bij het verbinden van het verleden met de toekomst.



EENZELFDE VOORUITSTREVENDE houding ten aanzien van de interactie tussen de media, waarvan de toenemende intensiteit onontkoombaar is, hebben de partners in hun plannen voor het Beeldinstituut tentoongespreid. Ze hadden zich vrijgemaakt van achterhaalde denkschema’s, die enkel een mediabeleid kenden in termen van de afzonderlijke instituties. Het Beeldinstituut biedt een mogelijkheid om de Nederlandse mediawereld voort te stuwen naar het front van de internationale onwikkelingen, met alle positieve gevolgen van dien voor onze media-industrieën, -gebruikers en -erfgoed.


Bij de herrie die is losgebroken rond de kwestie van de vestigingsplaats zou je haast gaan denken dat de discussie ging om Las Palmas in Spanje. Het hele locatiedebat zou triviaal moeten zijn, maar aangezien het met een machtige politieke lobby gepaard ging, heeft het helaas zeer reële en rampzalige gevolgen gehad.


We wonen in een heel mobiele mediawereld waarin film, televisieprogramma’s, fotografische beelden en digitale cultuur zich kunnen verheugen in grote toegankelijkheid. Alles wat eraan bijdraagt de activiteiten van de organisaties van deze media-archieven voorbij Rotterdam en Amsterdam te verspreiden naar plaatsen als Groningen of Maastricht waarderen we positief. Waarom zijn we dan zo conservatief als het de film betreft, een van de meest mobiele media? Het voordeel van het Rotterdamse plan was dat het een alternatief bood voor de culturele hegemonie van Amsterdam, terwijl het tegelijkertijd het Filmmuseum een blijvende poot aan de Amsterdamse grond opleverde. Net zo belangrijk was de gelegenheid om via de institutionele samenhang van het Beeldinstituut met behulp van de nieuwe technologieën ook een wereldwijd bereik te creëren.


Het idee voor een Beeldinstituut is een radicaal idee binnen de behoudende wereld van de kunsten en de archieven, en het is een idee dat op het goede moment werd gelanceerd en dat naadloos aansluit bij de grotere ontwikkelingen in de echte wereld van de beeldmedia. Dat zo’n plan juist in Nederland werd ontwikkeld, hoeft niet te verbazen, want deze natie bekleedt de positie van een koploper in de beeldcultuur en in de technologische infrastructuur. We moeten er alleen voor waken dat de begrijpelijke vrees voor het nieuwe leidt tot een situatie waarin we blij moeten zijn met het oude — een situatie waar we nu akelig dicht bij in de buurt komen.



William Uricchio is hoogleraar in de film-, televisie- en nieuwe-mediawetenschap aan de letterenfaculteit van de Universiteit Utrecht. Uricchio is tevens, samen met mensen als Jan Blokker en Fons Rademakers, een van de zeventig ondertekenaars van een brief, gericht aan staatssecretaris Van der Ploeg en de Tweede Kamer, waarin gevraagd wordt terug te komen op het besluit om het Amsterdamse Filmmuseum los te weken van de plannen voor een Beeldinstituut in Rotterdam.



Vertaling: Verbij&Partner