Van experiment naar cultuur

Verbindend en weerbaar

Niemand twijfelt meer aan de noodzaak van herbezinning op ons leefsysteem. Maar het blijft vooralsnog bij voorzichtig geschuifel. ‘We kijken te weinig naar kansen. We aarzelen.’

Medium floor

Weken stonden ze in de rij. Tientallen kampeerders in busjes, campers en tenten in afwachting van de verkoop van zelfbouwkavels op het oude industrieterrein Buiksloterham in Amsterdam-Noord, een ruig en rommelig gebied dat zes jaar geleden was voorbestemd om door de gemeente, grote bouwpartijen en projectontwikkelaars te worden schoongeveegd en volgebouwd. Hoge bouwblokken, dichte eenheden, veel appartementen met alles erop en eraan. Een goudmijn, zo leek het. Noord was hip en het nieuwe filminstituut EYE, een paar honderd meter verderop, moest een internationale trekpleister worden.

Medium floor3

Ruim een half decennium later zit Maarten Claassen in het tijdelijke Café De Ceuvel aan een flesje mate, een Zuid-Amerikaans drankje gemaakt van thee, dat koud wordt gedronken en de verkwikkende werking heeft van cola. Want cola verkopen ze niet op deze duurzame, experimentele enclave aan de rand van Buiksloterham. Het café is door de oprichters, vier enthousiaste twintigers, gebouwd van oude meerpalen uit de Amsterdamse haven. De zwaar vervuilde grond is nog altijd niet gesaneerd en de geplande bebouwing is net als in de rest van Buiksloterham niet van de grond gekomen.

In plaats daarvan wordt her en der door individuen gebouwd aan een eigen huis en is deelgebied De Ceuvel omgetoverd tot experimenteel laboratorium voor de zuivering van land en water. Aan de waterkant liggen zestien afgedankte woonschepen zonder riolering, zonder aansluiting op gas en voorzien van zonnepanelen. Ze worden gebruikt door kleine creatieve bedrijfjes en kunstenaars. Regenwater wordt opgevangen en gezuiverd, etensresten en de uitwerpselen van de bewoners worden omgezet in gas om op te koken en de zon zorgt voor energie. Bovendien is een secuur systeem van flora en fauna aangelegd dat de grond in tien jaar tijd volledig zal zuiveren. Volgens de Volkskrant ‘een sterk staaltje crisisarchitectuur’, tot leven gebracht door een veelzijdig team van vernieuwende architecten, landschapsarchitecten en duurzaamheidadviseurs.

Claassen werkt voor het regionale watercyclusbedrijf Waternet, maar is kind aan huis bij De Ceuvel. Het nutsbedrijf heeft zich de laatste jaren ontpopt tot verrassende pionier op het gebied van duurzame waterhuishouding en energievoorziening. In de slipstream van een groepje fanatieke vernieuwers dat in Buiksloterham is neergestreken, is Claassen nadrukkelijk betrokken bij de zoektocht naar het nieuwe stedelijke wonen. Een systeem dat niet langer draait om groei en een streven naar almaar meer, maar om duurzaamheid, het koesteren van een leefbare omgeving. En waar de overheid en ook nutsbedrijven niet meer boven de burger staan, maar ertussen, samen werkend aan de juiste oplossing van afzonderlijke problemen. ‘De overheid en nutsbedrijven dienen een algemeen belang’, zegt Claassen, ‘maar als steeds minder mensen zich daarin kunnen vinden ontstaat een probleem. Burgers zijn mondiger en initiatiefrijker geworden en verwachten dat de overheid zich daar op een juiste manier toe verhoudt.’

Minstens even belangrijk is de opgeleefde nieuwsgierigheid naar de herkomst van producten en het functioneren van het systeem waarbinnen we leven. Een groeiende groep mensen wil zelf aan de knoppen zitten, zich niet meer klakkeloos uitleveren aan de grillen, de hebzucht en de slopersmentaliteit van olieproducenten in de Arabische wereld, gasbedrijven in Rusland of varkensstalhouders in Noord-Brabant. Waar het woord duurzaamheid zes jaar geleden voornamelijk de associatie opriep met geitenwollen sokken en weinig aangename natuurwinkels is het binnen hoogopgeleid, progressief Nederland inmiddels een statussymbool. Wie mee wil doen, doet zijn boodschappen bij de biologische winkel met streekproducten en neemt die mee naar huis in een linnen tasje. Kruiden en tomaten komen bij voorkeur uit de gezamenlijke moestuin in de buurt, vaak aangelegd op een braakliggend stuk grond dat niet zo lang geleden voorbestemd was te worden volgebouwd door de grote bouwbedrijven en projectontwikkelaars.

Nederland wordt anders. Meer nog dan tot financiële aanpassingen heeft de opeenstapeling van crises ons gedwongen tot herbezinning op ons leefsysteem. Ondanks aanhoudende noodkreten over de noodzaak om minder te verspillen bleven grote veranderingen tot enkele jaren geleden uit. De aarde werd warmer en verschraalde, streken liepen onder water, energiebronnen raakten uitgeput maar we groeiden met plezier. Meer huizen, meer auto’s, meer eten, meer geld. Het was zo leuk, waarom zouden we stoppen? ‘Wij hebben een systeem dat ingesteld is op het bestendigen van zichzelf’, zei Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving en hoogleraar bestuur beleid aan de Universiteit van Amsterdam, in september tijdens de presentatie van de tweejaarlijkse Balans voor de Leefomgeving. Het liefst blijven we consumeren, bouwen en verdienen. Maar, vervolgde hij, ieder ecosysteem kent een kantelpunt. ‘Er zijn momenten dat de energie niet meer terugvalt. (…) Dan gaat de energie de andere kant op.’

In het vacuüm dat is achtergelaten door het grote geld ontstaan zeeën van ruimte voor de creatieve geest

Vijf procent, zo schat Maarten Claassen op dit moment het aantal mensen dat zich niet meer voegt naar het oude systeem. Een goede stap op weg naar de 20 tot 25 procent die nodig is voor een echte doorbraak, voor de ‘disruptie’ om over het kantelpunt heen te geraken. Als je de vakliteratuur leest, zou je geloven dat het kantelpunt al lang en breed is bereikt. Overal in Nederland, West-Europa en andere delen van de westerse wereld schieten de bottom-up-projecten en duurzame bouwwerken als paddestoelen uit de grond. In het vacuüm dat is achtergelaten door het grote geld ontstaan zeeën van ruimte voor de creatieve geest. Zandvlaktes, loodsen, kantoorgebouwen, haventerreinen: ze schreeuwen om aandacht en een nieuwe functie. De liefhebbers die zich tegoed doen aan deze verwaarloosde plekken doen en denken over het algemeen vooruitstrevend en vrijzinnig.

Het zijn de voorlopers zoals op De Ceuvel. Urban Farms die steeds meer terrein winnen in de verlaten autostad Detroit, oude fabrieken in het Ruhrgebied die worden omgetoverd tot culturele hotspots, een zelfvoorzienende woonwijk in Sneek, een eigen energiemaatschappij van en voor de bewoners van Texel, het oude handelskantoor Haka in Rotterdam dat werd getransformeerd met hergebruikte materialen uit de omgeving. Het is slechts een marginale greep uit de overvloed van vernieuwende initiatieven.

Medium floor2

Op de veelgelezen en invloedrijke weblog Ruimtevolk beschrijft de Amsterdamse beleidsadviseur en specialist Jurgen Hoogendoorn de nieuwe situatie onder de titel ‘De stille transformatie van gebiedsontwikkeling’. Van een overzichtelijk systeem met een overheid, een projectontwikkelaar en een afnemer zijn we overgegaan naar een complex speelveld ‘(collectieve) zelfbouwers, ontwikkelende bouwers met eigen vermogen, ontwikkelaars die bouwen met vermogen van pensioenfondsen en rijke families, organisaties die bouwen voor specifieke niches zoals studenten en straks ook woningcoöperaties’. Hoewel het bouwen in grote eenheden door grote partijen verleden tijd is, is de woningproductie via transformatie en herbestemming sterk gegroeid. In Amsterdam, stelt hij, wordt eenderde van de nieuwbouw inmiddels gerealiseerd via transformatie. ‘De Amsterdamse woningproductie in totaal is sinds jaren niet zo hoog; kennelijk maken vele kleintjes groot.’

Maar zijn de kleintjes ook een gedegen fundament voor een structurele verandering? Want als het aan de grote bouwbedrijven ligt, gaan ze zodra de financiële situatie en de woningmarkt het toelaten verder waar we in 2008 waren gebleven. Bouwen, verkopen, verdienen. Hoe meer, hoe beter. Zoals ook veel gemeenten die met lappen dure grond in hun maag zitten graag op zo groot mogelijke schaal aan de slag gaan om de verliezen te beperken. Een werkwijze die niet meer lijkt aan te sluiten bij de economie van de toekomst, een economie die onvermijdelijk deels zal draaien op nieuwe verdienmodellen en een nieuwe kijk op bezit, gebruik en waarde. De voorbodes van een nieuwe economische crisis maken de noodzaak van een fundamentele omslag eens te meer duidelijk.

De toekomst is nú luidt de titel van de nieuwste Balans voor de Leefomgeving. In het stuk benadrukt Maarten Hajer eens te meer de urgentie van de vraagstukken waarvoor we ons gesteld zien. Op zes thema’s – woningmarkt, waterveiligheid, mobiliteit, energie, voedsel en natuur – zijn dringend ingrijpende veranderingen nodig om Nederland leefbaar te houden. Krimp, vergrijzing en de aanhoudende trek naar de steden, vooral in de Randstad, zorgen voor een geheel nieuwe dynamiek op de woningmarkt en dus ook de woningbouw. Op veel plekken moet meer worden gesloopt dan gebouwd en doen gemeenten er verstandiger aan bestaande, leegstaande huizen, scholen, winkels en kantoren te transformeren, dan nieuwbouw te realiseren.

Het klinkt simpel, maar het vraagt veel van bestuurders, bewoners en andere betrokken partijen. Uit de dorpen en steden in krimpregio’s kennen we inmiddels de moeizame gesprekken en samenwerkingen tussen verschillende gemeenten en woningbouwcorporaties. Wie houdt de school? Wie de kerk? Wie het ziekenhuis? Welke huizen slopen en welke laten staan? Wie betaalt de renovatie inclusief de noodzakelijke energie besparende maatregelen van de oude voorraad? Wat doen we met de leeggekomen gebouwen? Om nog maar te zwijgen van het psychologische proces dat bestuurders en bewoners doormaken voordat ze de onvermijdelijke krimp accepteren. ‘Je gaat eerst door een paar jaar van ontkenning’, zei de Emmense wethouder Ton Sleeking over de trage aanpassing van het ruimtelijke beleid.

‘We voelden meteen dat de crisis ons een kans bood om een nieuwe manier van denken en werken te ontwikkelen’

Maar toch is op het thema krimp het tipping point wel degelijk bereikt. Niemand twijfelt meer aan de noodzaak om het beleid en ruimtegebruik aan te passen aan de leegloop van steden, dorpen, regio’s. ‘Dat was in 2008 totaal anders’, zegt voormalig Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol. We wisten het wel, maar we geloofden het niet. ‘We zaten nog in de tijd dat we zestigduizend woningen in Almere wilden bouwen. Van groei, uitbreidingswijken, Vinex-locaties.’

Van der Pol weet nog precies het moment dat niets doen voor haar geen optie meer was. Het was het voorjaar van 2009, de kredietcrisis was een half jaar aan de gang en het was al snel duidelijk dat juist de bouw bijzonder hard zou worden getroffen. En ieder bouwproces begint bij een ontwerp, bij de architect. Overal in het land werden architectenbureaus gedwongen het personeelsbestand te verkleinen. ‘En dat gebeurde op de meest simpele manier: last in, first out’, herinnert Van der Pol zich. Zo kwam een hele generatie jonge architecten op straat te staan. ‘Terwijl binnen de architectuur juist de instroom van jonge mensen en nieuwe creativiteit noodzakelijk is om te blijven vernieuwen.’

Tegelijkertijd werd het punt bereikt dat de grote ruimtelijke problemen waarvoor het land gesteld stond niet meer konden worden ontkend. De eindeloze hoeveelheid vierkante meters leegstaande kantoorruimtes, de toenemende problemen met de bereikbaarheid van de steden, de kwetsbare positie van natuurgebieden, het stijgende water en de verzwakte dijken, vervuilde grond en vervuild oppervlaktewater, een toenemende overvloed van regenwater. Na vijftig, zestig jaar van optimistisch bouwen en groeien bleken we te zijn beland in een ravage. Een verschaald, verrommeld, kwetsbaar land, zonder visie en met beperkte financiële middelen om de problemen tegemoet te treden. Het was weekend en Van der Pol hield het niet meer uit. Ze pakte hoogstpersoonlijk de telefoon en belde een rondje langs de grote stakeholders: Bouwend Nederland, het ministerie van Vrom, de branchevereniging voor architecten bna, bouwfondsen, woningbouwcorporaties, universiteiten, gemeenten en nog veel meer. Het werd tijd om bij elkaar te komen en de handen ineen te slaan. Tot haar grote verrassing kreeg ze enkel positieve reacties. ‘Tot dat moment was iedereen zijn knopen aan het tellen. De crisis was als een bom ingeslagen. Niemand had aandacht voor elkaar of voor het grotere probleem.’

Niet veel later kropen de partijen bij elkaar, spraken af de problemen onder ogen te zien en richtten samen Nederland wordt anders op. Een project waarbij 65 werkloze, getalenteerde architecten, stedenbouwkundigen en andere relevante jonge experts verdeeld in zes ateliers werkten aan vernieuwende oplossingen voor urgente problemen. ‘We voelden meteen dat de crisis ons ook een kans bood om een nieuwe manier van denken en werken te ontwikkelen.’ Een time-out voor herbezinning en reflectie op ruimtelijke opgaven. Met een integraal gedachtegoed als centraal uitgangspunt. Bouwopgaven, krimp, infrastructuur, duurzaamheid, waterhuishouding, verstedelijking, ze kunnen niet langer worden beschouwd als losstaande thema’s. Alles grijpt in elkaar. Bovendien moest worden gezocht naar nieuwe vormen van samenwerking tussen de nieuwe mondige en initiatiefrijke burger en de klassieke grote partijen: overheden, bouwfondsen, nutsbedrijven, ontwikkelaars. En de ontwerpers moesten terug naar de basis. Zo sliepen de architecten die in Nagele in de Noordoostpolder aan de slag gingen regelmatig in het dorp. Ze leerden de cultuur, de mensen en de problemen kennen en gingen samen met het dorp aan de slag. Van der Pol: ‘De tijd van vraag, offerte, aan de slag, antwoord, klaar is voorbij.’

Tijdens de tweede live-bijeenkomst van Nederland wordt anders in september van dit jaar ging architecte Eline Strijkers in op de nieuwe rol van de ontwerper. Bureau Doepel Strijkers, waarin zij een partnerschap vormt met Duzan Doepel, grijpt de veranderde omstandigheden nadrukkelijk aan om ontwerp te koppelen aan maatschappelijke vraagstukken. ‘Ik ben ervan overtuigd dat wij als ontwerpers een belangrijke bijdrage kunnen leveren bij het tegengaan van CO2-uitstoot en het creëren van meer leefbare steden.’ En bij de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. ‘We denken na over het reactiveren en herprogrammeren van leegstaande gebouwen in de stad. We denken na hoe we zero-waste en bioklimatische architectuur kunnen maken en we doen onderzoek naar strategieën die de stad kunnen verduurzamen.’ Vanuit deze gedachte werd ook het Haka-gebouw in Rotterdam, nu Haka Recycle Office, onder handen genomen. Sloopmaterialen uit de stad werden gebruikt voor het interieur, dat werd gemaakt door gereïntegreerde ex-gedetineerden.

Oude scheidslijnen en vanzelfsprekende taakverdelingen bestaan niet meer, zegt ook Petra Rutten van vastgoedontwikkelaar Heijmans: ‘Ook wij moeten nadenken over wie we zijn en wat we kunnen toevoegen. Als je blijft reageren op de vraag, raak je achterop.’ Het is een nieuw spel, dat de samenleving lijkt te dwingen de innovaties te ontwikkelen waar te lang mee is gewacht. Want zowel van boven als van onderop wordt juist van de grote spelers meer verwacht.

En hoewel de honger naar het makkelijke geld bij de meeste bedrijven nog de boventoon voert, zijn er partijen die de uitdaging niet uit de weg gaan. Rutten: ‘Hoe maak je innovaties toepasbaar? Dat is voor ons nu de grote opgave en daar werken we hard aan.’ Niet alleen vanuit idealisme, maar ook uit eigenbelang. Want welke rol speelt de bouwwereld nog als iedereen straks met een 3D-printer zijn eigen huis kan bouwen? Het 3D-grachtenpand van DUS Architects op Buiksloterham is enerzijds een voorbeeld van de nieuwe mogelijkheden die de technologische revolutie ons gebracht heeft, maar ook een noodsignaal voor de gevestigde orde.

‘Waar Duitsers denken: we gaan het oplossen, denken wij: hoe kunnen we het zo goedkoop mogelijk doen?’

Die trend bracht Maarten Claassen ertoe om namens Waternet een prominente positie in te nemen binnen de ontwikkelingen in Buiksloterham. ‘We kunnen veel meer dan dat waar we strikt genomen verantwoordelijk voor zijn. Waarom zouden we dat dan niet doen?’ Op De Ceuvel experimenteert Waternet samen met enkele partners met het scheiden van urine en ontlasting, het omzetten van ontlasting in energie en het zuiveren van regen- en oppervlaktewater tot drinkwater. En met het schaalniveau waarop voorzieningen worden aangeboden. Hier wordt alles per woonboot bijgehouden, verwerkt en hergebruikt. De een doet het zelf, de ander met de buren. Het tegenoverstelde van onze standaard van grootschalige netten van riolering en drinkwaterbuizen. De toekomst ligt ergens in het midden. Technologische ontwikkelingen maken het voor individuen of collectieven mogelijk de huishouding van water en energie voor eigen rekening te nemen. Wat is dan nog de rol van een nutsbedrijf?

‘Dat is precies de vraag die wij ons ook stellen’, zegt Claassen. ‘En waar we in de experimentele proeftuin Buiksloterham antwoord op willen vinden.’ In de verschillende deelgebieden zal worden gewerkt met verschillende schaalniveaus van voorzieningen. Voor het ene bouwblok zal de ouderwetse manier het beste werken, op de zelfbouwkavels is ieder geval anders. Het ene huis regelt zijn waterhuishouding zelf, een ander wil wel een aansluiting op het waterleidingnet. Een veranderde situatie die je beter te vroeg dan te laat kan onderkennen, hoe beangstigend die voor een bedrijf ook kan zijn. ‘Stel je voor dat we voor de hele wijk een uitgebreid net aanleggen, maar niemand maakt er gebruik van. Wat doe je dan? Toch geld eisen? We leven inmiddels in een samenleving waarin dat niet meer wordt geaccepteerd. Daarvoor zijn burgers te mondig, te slim en te zelfredzaam.’

Waarom alleen op de winkel passen als er mogelijkheden zijn echt iets te veranderen? Zeker in de wereld van het water, waar veel móét gebeuren. Regenbuien worden met het jaar heviger en dat zal de komende tijd alleen maar erger worden. Rotterdam, stad aan de Maas, zorgde begin dit jaar voor een primeur met de opening van het eerste waterplein ter wereld. Zolang alles goed gaat, is het Benthemplein een plek om te vertoeven, te skaten en te basketballen, maar als de hemel zich opent is het een reservoir voor 1,7 miljoen liter water. Zo wordt het riool ontlast en neemt de kans op overstromingen af.

Medium floor4

Op Prinsjesdag presenteerde minister Melanie Schultz van Infrastructuur en Milieu een nieuw Deltaplan. In het document wordt een programma uitgewerkt dat ons land ook in de toekomst moet beschermen tegen overstromingen. Gezien de lange traditie met waterhuishouding lijkt het aannemelijk dat ook nu de strijd tegen het water tijdig in het voordeel van de Hollanders wordt beslist. Het is de enige tak van sport waarin wij direct overgaan tot actie als de nood te hoog wordt, zegt Hajer. Hij maakt de vergelijking met Duitsland, een echte ingenieursnatie, waar bijvoorbeeld het energievraagstuk wordt benaderd vanuit een technologisch perspectief. ‘Daar is een enorm onderzoeksprogramma opgezet voor het opwekken van duurzame energie.’ En met succes. Duitsland zet grote stappen op weg naar het halen van de Europese energienormen.

In Nederland blijft het bij voorzichtig geschuifel. Hajer: ‘Waar Duitsers denken: we gaan het oplossen, denken wij: hoe kunnen we het zo goedkoop mogelijk doen?’ Want een gezond milieu is leuk, maar als handelsnatie denken we altijd eerst aan de economische belangen. Bovendien denken we toch altijd graag eerst aan ons eigen belang voordat het algemeen belang aan bod komt. We willen graag schone energie, maar geen windmolens in ons eigen blikveld. We rijden graag in een elektrische auto, maar dan vooral omdat het fiscaal zo aantrekkelijk is. Hajer: ‘Daardoor wordt er nog steeds te weinig naar de kansen gekeken. We aarzelen.’

Met als gevolg dat de vooruitstrevende initiatieven vooralsnog blijven steken op een kleinschalig, lokaal niveau. Bottom-up-projecten en losse projecten van een ontwikkelaar hier of een gemeente daar. Een groter plan zoals in Athene waar het hele stadscentrum op de schop gaat en wordt getransformeerd tot een sustainable urban system, het gigantische nieuwe stadspark in Montpellier, de experimentele aanpak van stedelijke ontwikkeling in Bordeaux, blijft vooralsnog uit. We ontberen de visie, de durf en het leiderschap.

De aarzeling zie je ook terug bij het aanpassen van regelgeving om vernieuwende initiatieven mogelijk te maken. Neem De Ceuvel, waar de vernieuwers te maken hebben met ruim veertig regels en richtlijnen. Van de hekjes die niet ver genoeg van het water staan tot het onttrekken van fosfaat uit urine. De zeldzame grondstof is bij uitstek geschikt als mest bij voedselproductie. Maar in Nederland is het officieel nog een afvalproduct en mag het dus niet worden gebruikt. De Duitsers zijn een stapje verder en ontvangen met genoegen treinladingen Hollandse urine. Op De Ceuvel worden de regels, eveneens bij wijze van experiment, waar mogelijk, genegeerd. Omdat iedereen het belang en de goede bedoelingen onderkent, wordt deze zelfbenoemde regelvrije zone vooralsnog gedoogd.

‘Heel goed’, vindt Hajer, die in 2011 een veelbesproken stuk schreef, ‘De energieke samenleving’, met als ondertitel: ‘Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie’. ‘De samenleving kan zoveel sneller leren dan een ambtenarenapparaat’, zegt hij. ‘Experimenteerruimte is noodzakelijk om tot innovaties te komen.’ En ook binnen het ministerie van Infrastructuur en Milieu is het bewustzijn er wel degelijk. ‘We moeten als overheid inspelen op die initiatieven om verandering mogelijk te maken’, zei Schultz tijdens de Nacht van de Leefomgeving. Om te vervolgen met een blik op de toekomst. ‘Opgewekte energie uit je eigen zonnepanelen, wat doe je ermee? Ga je terugleveren aan het net, ga je delen met de buurt? Ga je regenwater opvangen? Zuiveren in je eigen kelder en meteen gebruiken? Ga je je huis verwarmen met aardwarmte of vandaag met iets anders omdat iets anders vandaag duurzamer is?’

Is dit een realistisch toekomstbeeld? Ja, zegt Schultz. ‘We hebben als overheid niet meer de ruimte om het op de traditionele manier te doen. De trendbreuk komt er, dat weet ik zeker.’


Beeld: (1, 2, 3) De grootste elektriciteitsmaatschappij van Spanje, Endesa, gaf Rodrigo Rubio de opdracht voor het ontwerp van het Endesa Paviljoen in Barcelona. Het is het prototype voor een gebouw met een zo efficiënt mogelijke energie genererende, stapelbare en zelf digitaal te produceren gevel. De gevel kreeg zijn typische vorm, die uniek is voor deze locatie, door het principe form follows energy – op basis van zonlicht, zonwering, isolatie, ventilatie, lichtinval, uitzicht etcetera. De opdrachtgever laat zien wat energie-innovatie kan inhouden en opent het perspectief van een nieuw esthetisch beeld (Adria Goula). (4) Het terrein van ‘Ceuvel Volharding’ ligt in de oude havens van Amsterdam- Noord. Deze voormalige scheepswerf was tot voor kort verlaten en vervuild en zou in economisch betere tijden op traditionele wijze gesaneerd zijn en vervolgens worden volgebouwd. Door de crisis is de geplande stedelijke ontwikkeling stil komen te liggen. En deze situatie biedt juist nu kansen voor alternatieve ontwikkelingen. Ontwerp: Space & Matter, Delva Landscape (Architects Martijn van Wijk / space&matter).