Maartje M. Abbenhuis, The Art of Staying NeutralIsmee Tames, Oorlog voor onze gedachten

Verblekend nobel imago

Medium groene25opening

Het overheersende beeld van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog is dat van het poldervolkje dat angstig probeert in woelige tijden de voeten droog te houden. Twee recente publicaties nopen tot nuancering.

Pechvogels waren het, mijn grootvader en zijn maten uit dienst. In 1913 waren ze onder de wapenen geroepen en in de zomer van 1914 verheugden ze zich erop dat ze in september hun burgerkloffie weer aan konden trekken. Maar toen werd op 28 juni de Oostenrijkse troonopvolger in de Bosnische hoofdstad Sarajevo neergeschoten door een Servische nationalist – gebeurtenissen in een wereld waar mijn grootvader het bestaan nauwelijks van vermoedde – en brak een maand later de Eerste Wereldoorlog uit. Niks afzwaaien dus, maar een algehele mobilisatie, waardoor mijn grootvader pas vier jaar later naar huis mocht.

Toch was zijn pech relatief. Die vijf jaar exerceren, wachtlopen, koper en schoenen poetsen en de onderwerping aan de dienstklopperij van superieuren die zich zonodig moesten bewijzen, waren natuurlijk onuitsprekelijk vervelend. Deze verveling leidde niet zelden tot balorigheid en wangedrag en resulteerde in een lamlendige sfeer die treffend is beschreven in A.M. de Jongs bestseller uit 1928, Frank van Wezels roemruchte jaren. Ook Simon Hartmans had moeite met de discipline en toen hij uiteindelijk was opgeklommen tot korporaal duurde het niet lang eer zijn «bananenschil» (de rangaanduiding op de ondermouw) weer werd afgenomen. Maar evenmin als mijn andere grootvader maakte hij de realiteit van de moderne oorlogvoering mee. Materialschlachten als die bij Verdun, Ieper en de Somme bleven hem bespaard.

Het beeld van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog is heel lang gedomineerd door het idee dat ons land passief en naïef wachtte tot de storm overdreef. Dit werd nog versterkt doordat Nederland zich in de jaren twintig en dertig op het onhoudbare standpunt van de strikte neutraliteit stelde. Hoewel de internationale storm het water hoog opjoeg tegen de Nederlandse dijken hielden de gezapige polderbewoners droge voeten. Dit clichébeeld staat al geruime tijd onder druk. Inmiddels is wel duidelijk dat de impact van de Grote Oorlog op de economie, de maatschappelijke verhoudingen en het geestelijke klimaat in Nederland enorm is geweest. Bovendien viel het met die passiviteit wel mee, zo blijkt ook uit twee recente boeken.

Uit The Art of Staying Neutral van de Nieuw-Zeelandse historica Maartje Abbenhuis wordt duidelijk dat de Nederlandse overheid tijdens de Eerste Wereldoorlog niet achterover kon leunen en rustig kon toekijken hoe de omringende landen elkaar afslachtten. Om te voorkomen dat Nederland bij de vijandelijkheden werd betrokken, was er heel wat diplomatieke activiteit nodig, moest er stevig worden vastgehouden aan allerlei internationale overeenkomsten, dienden leger en vloot voldoende afschrikwekkend te zijn en moesten de grenzen intensief worden bewaakt. In feite was het land in staat van oorlog, alleen werd er niet gevochten. Dat deze neutraliteitspolitiek succesvol was, was uiteraard niet alleen de verdienste van de Nederlandse regering maar tevens voor een groot deel een kwestie van geluk.

Als gevolg van de strategische ligging van Nederland kon geen van de strijdende partijen zich veroorloven dat de ander het land zou bezetten. Na verloop van tijd verdween als gevolg van de geallieerde blokkade het economische belang dat Duitsland had bij een afzijdig Nederland en begonnen de Engelsen en Fransen zich steeds meer te ergeren aan de houding van de neutrale landen, die economisch garen leken te spinnen bij de strijd die miljoenen soldaten het leven kostte. In de loop van 1918 scheelde het dan ook weinig of Nederland was alsnog in de oorlog gesleurd. Evenals voor de oorlogvoerende landen kwam de wapenstilstand van november 1918 geen dag te vroeg.

In Oorlog voor onze gedachten laat Ismee Tames zien dat de visie van de oorlogvoerende landen op de neutraliteit van Nederland ook van grote invloed was op het vaderlandse zelfbeeld en het debat over onze nationale identiteit. Vóór 1914 kon een neutrale staat zich nog presenteren als boegbeeld van Recht en Rechtvaardigheid, als een onpartijdige scheidsrechter die oorlogvoerende landen tot de orde kon roepen. Tijdens de oorlog verbleekte dit nobele imago en werden neutrale landen gezien als cynische, calculerende en ruggengraatloze profiteurs.

Het uitbreken van de oorlog was ook voor Nederlanders een enorme schok. Wilde het land buiten het conflict blijven – en vrijwel niemand pleitte voor deelname aan de oorlog – dan kon het zich niet zonder meer identificeren met een van de strijdende partijen. Maar hoe kon Nederland zichzelf dan zien, welke nationale identiteit bleef er over?

In haar boek onderscheidt Tames drie fases in het debat over de Nederlandse identiteit in deze bange jaren. Aanvankelijk bleef men in het begrip Recht een essentieel kenmerk zien. De meeste deelnemers aan het publieke debat plaatsten zich niet klakkeloos op het standpunt van een van de twee kampen, maar trachtten een eerlijk en «neutraal» standpunt in te nemen. Hoewel het begrippenkader dat men hanteerde meer overeenkomsten vertoonde met het liberale debat zoals dat in Engeland werd gevoerd dan met de Duitse overtuiging dat de verheven Kultur met militaire middelen verdedigd diende te worden tegen het decadente en opportunistische Westen, waren de meeste publicisten niet uitgesproken anti-Duits. Vooral de Duitse cultuur en wetenschap werden nog steeds zeer bewonderd. Werden onze oosterburen gezien als jong, onbesuisd en militaristisch, de Nederlanders zagen zichzelf het liefst als rijp, evenwichtig en vredelievend.

Omdat vooral Groot-Brittannië zich opwierp als de grote verdediger van het Recht en uiteindelijk ruim negenhonderdduizend van zijn onderdanen hun leven daarvoor gaven, kon een bangelijk en afzijdig landje als Nederland zich moeilijk nog opwerpen als vaandeldrager van dit fraaie ideaal. De deelnemers aan het publieke debat lieten dit begrip in de loop van de jaren 1915-1916 dan ook varen en begonnen steeds vaker het nationale eigenbelang van Nederland voorop te stellen. Omdat dit wat erg egoïstisch klonk, werd dit streven aan de man gebracht als het bewaren van de Nederlandse zelfstandigheid. Die zelfstandigheid kon alleen gegarandeerd worden in een harmonieuze, vreedzame omgeving, zodat het begrip Vrede de opvolger werd van Recht als overkoepelend ideaal.

Bij het tot stand brengen van de vrede zou Nederland een rol kunnen spelen als bemiddelaar. Volgens tal van publicisten was Nederland daarvoor bij uitstek geschikt, omdat het Nederlandse volkskarakter raakvlakken had met alle omringende naties. Vrijwel iedere deelnemer aan het publieke debat ging ervan uit dat er een erfelijke verwantschap met de Duitsers bestond en dat Nederlanders behoorden tot het Germaanse ras. Tegelijkertijd bestond er grote waardering voor de Franse cultuur en had Nederland als zeevarende en koloniale mogendheid veel gemeen met Groot-Brittannië.

Evenals het verzuilde Nederland zou Europa een eenheid in verscheidenheid kunnen zijn, waarbij elke natie «soeverein in eigen kring» zou zijn. Door deze wending in het debat wonnen de confessionelen – wier emancipatie in deze jaren leidde tot de vestiging van een verzuild bestel – terrein ten koste van de liberalen. Liberale opinion leaders als de jurist J.A. van Hamel en de historicus G.W. Kernkamp, beiden redacteur van De Groene Amsterdammer, hielden vast aan universele waarden en idealen, terwijl het denken in zuilen in feite de Nederlandse variant was van het sterk opkomende etnische denken.

Hoewel in de laatste fase van de oorlog het concept Democratie terrein won ten koste van het begrip Vrede wil dat niet zeggen dat de meeste publicisten van mening waren dat er één democratisch model was dat overal diende te worden toegepast. Ook een autocratisch land als Duitsland zou wel democratisch moeten worden, maar dit zou wel van binnenuit en op eigen kracht moeten gebeuren. In dit verband wijst Tames erop dat de Nederlandse houding ten opzichte van Duitsland in de jaren twintig en dertig wellicht wat minder negentiende-eeuws naïef is geweest dan vaak is beweerd. Kennelijk was het publiek doordrongen van het besef dat wanneer Nederland het recht had zich naar zijn eigen karakter te ontwikkelen dit ook voor Duitsland gold. Hoewel aan deze opvatting een gevaarlijke keerzijde zit, en elk regime ermee kan worden goedgepraat, is het debat over de universaliteit van politieke idealen nog altijd actueel.

De wijze waarop Tames de ontwikkelingen in het publieke debat over de positie en identiteit van Nederland heeft weergegeven is helder en voorbeeldig. Ze heeft zich bewust niet gericht op bekende intellectuelen, maar is onderaan begonnen. Dat wil zeggen dat ze een aantal invloedrijke week- en maandbladen heeft bestudeerd en het aldus vergaarde materiaal heeft aangevuld met brochures, boeken, lezingen en dagbladartikelen van de auteurs die zich hadden gemanifesteerd als belangrijkste woordvoerders in deze debatten. Hierdoor zijn het relatief onbekende namen die het boek domineren. Methodisch gezien is deze aanpak zeer te prijzen, omdat op deze wijze niet alle aandacht uitgaat naar mensen die achteraf een zekere roem hebben vergaard, maar juist degenen die toen invloedrijk waren voldoende aan bod komen.

In combinatie met Tames’ nogal vlakke, academische schrijftrant heeft dit echter ook een nadeel opgeleverd. Het zijn dikwijls niet de meest getalenteerde auteurs die worden geciteerd – vooral Van Hamel was berucht om zijn moeizame taalgebruik – en verder wekt Tames niet de indruk een bijzondere neus voor treffende citaten te hebben. Wat betreft de onderkant van de publieke opinie zou het ook te verdedigen zijn geweest wanneer Tames rijkelijk had geput uit populaire liedjes, rijmelarijen en cabaretteksten. Het zou een wat aantrekkelijker, levendiger boek hebben opgeleverd, waardoor ze wellicht een groter publiek zou hebben bereikt dan nu waarschijnlijk het geval is.

Maartje M. Abbenhuis

The Art of Staying Neutral: The Netherlands in the First World War, 1914-1918

Amsterdam University Press, 423 blz.,€ 39,50

Ismee Tames

Oorlog voor onze gedachten: Oorlog, neutraliteit en identiteit in het Nederlandse publieke debat, 1914-1918

Verloren, 300 blz., € 28,-