Verbluffend vooruitziend

Jevgeni Zamjatin, Wij. Vertaald door Dick Peet, € 18,95
Karel Capek, Oorlog met de salamanders. Vertaald door Irma Pieper, € 17,90

Toch bizar dat rechtse populisten van nu zich van dezelfde taal en middelen bedienen als de utopisten uit het begin van de twintigste eeuw: de afkeer van kunst en natuur, en het streven naar eenvormigheid.

Hoe ziet een maatschappij zonder kunst eruit? Het is een actuele vraag geworden, niet alleen door de bezuinigingen op de kunsten, maar ook door de denigrerende en soms dreigende toon waarop door sommige politici gesproken wordt over kunst en culturele vrijheid. Maar de vraag is niet nieuw: na de Eerste Wereldoorlog werd er volop nagedacht over nieuwe maatschappijvormen, waarin kunst een verdacht begrip was. Die vergelijking tussen de toon van politici nu en toen, in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog, is taboe. Thomas von der Dunk probeerde in april het taboe te doorbreken in zijn Arondéus-lezing, die dan ook prompt verboden werd door de opdrachtgever, de Provinciale Staten van Noord-Holland. Het is dan ook een alerte reactie van Nederlandse uitgevers om twee anti-utopische romans uit het interbellum, die zowel vanuit wereldbeschouwelijk als literair oogpunt revolutionair waren, opnieuw uit te brengen. Romans die laten zien hoe zo'n maatschappij zonder ziel, zonder kunst, zonder fantasie en zonder vrijheid eruitziet. De droom van de eenvormige gelukzaligheid.

De Rus Jevgini Zamjatin (1884-1937), die een leidende figuur was in literaire kringen na de Russische Revolutie, maar die uiteindelijk toch op de vlucht moest voor het regime, schreef in 1921 zijn toekomstroman Wij. In Rusland mocht het boek niet worden uitgegeven, maar inmiddels is het een klassieker geworden. En er is een nieuwe, sprankelende vertaling verschenen van de satirische roman Oorlog met de salamanders uit 1936 van de Tsjechische grootmeester Karel Capek (1890-1938).

Oorlog met de salamanders is een vermakelijk boek, dat modern is en toch stevig wortelt in de achttiende-eeuwse romantraditie van Laurence Sterne (Tristam Shandy) en Jonathan Swift (Gulliver’s reizen). In de Tsjechische literatuur is vaak een absurdistische toon te vinden, en Capek beheerst die meesterlijk. We worden als lezer met lichte spot aan de hand genomen en wandelen een satirische schets binnen, die naarmate het verhaal vordert grimmiger wordt en meer gaat lijken op de bizarre werkelijkheid.

Onze eerste leidsman in het boek is scheepskapitein J. van Torch, een figuur die zo in de film Pirates of the Caribbean zou kunnen opduiken. Van Torch zwerft over de oceaan, op zoek naar handelswaar; niet voor niets heeft Capek er een Nederlander van gemaakt. Het zijn de hoogtijdagen van het imperialisme. ‘Hier komen mensen immers enkel neuzen of er wat te vreten valt en dat niet eens: of er wat te kopen en te verkopen valt’, heet dat in Irma Piepers virtuoze vertaling. De eilanden zijn min of meer kaalgeplukt door de Europeanen, en de oorspronkelijke bewoners ongenadig uitgebuit. Van Torch heeft handel ontdekt: parels. Vooral de Singalezen zijn handige parelvissers, omdat ze lang onder water kunnen blijven. Dan doet hij de ontdekking van zijn leven: in een baai vindt hij een onderwatervolkje van 'baarlijke monsters’, reuzensalamanders met de kop van een zeeduivel.

De salamanders blijken niet alleen vreedzaam - zo komen ze ’s nachts het strand op om gezamenlijk een rituele volksdans te dansen - maar ook heel slim. Binnen de kortste keren imiteren ze Van Torch en kunnen ze gereedschappen hanteren. De kapitein rust ze uit met messen en geweren, om zich tegen hun enige vijand te kunnen verweren: haaien. De salamanders zijn uitmuntende parelvissers, Van Torch doet goede zaken, en de Europese parelmarkt maakt een ongekende bloeitijd door.

Maar wat wil de Europeaan, altijd uit op vooruitgang, op economische groei, op welvaart? Juist: meer geld. Een groep investeerders komt via Max Bondy, een charismatische joods-Tsjechische zakenman, wiens portier onze tweede leidsman in dit boek zal worden, op het idee niet de opbrengst van de parelvangst, maar de salamanders zelf te gaan verhandelen. Ze kunnen overal voor gebruikt worden: dammenbouw, inpoldering, kunstmatige eilandvorming, name it! 'Als zo'n heiden van een Batakker of een Singalees het kan, dan kan een tapa-boy het toch zeker ook!’ zegt Van Torch het kolonialistisch. Van Torch legt al snel het loodje; hij is veel te negentiende-eeuws om de ontwikkelingen bij te houden. 'Wij verruilen het avonturenverhaal over parels voor het hymnische lied van de arbeid.’ In de twintigste eeuw dient alle potentieel immers volop benut te worden!

Er is niet zo snel een moderne ontwikkeling of stroming te bedenken die niet in dit wervelende boek voorkomt. Mr Abe Loeb, zoon van een steenrijke Amerikaanse filmmagnaat, ontdekt met zijn liefje, filmsterretje in spe Li, wat er gaande is in de baai en maakt de salamanders tot sensationeel wereldnieuws: een parodie op de opkomst van de massamedia en spektakelfilms na de Eerste Wereldoorlog. FILMARTIESTE OVERVALLEN DOOR ZEEGEDROCHTEN!

En als de salamanders eenmaal handel zijn, en overal ter wereld aan de kusten gekweekt worden, wordt de hele menselijke machinerie op ze losgelaten. De obsessie met seksualiteit, bijvoorbeeld. Waar mensen zich moeten behelpen met lust en begeerte weten de salamanders zich razendsnel te vermenigvuldigen door eitjes te leggen als kikkerdril. De moderne wetenschap, het vrouwenkiesrecht (oftewel: salamanderkiesrecht), de strijd tegen racisme, het recht op gemengde huwelijken (niet dat een salamander daar ooit om gevraagd heeft!), het recht op scholing, de uitbuiting van de arbeiders (en van de salamanders), de politiek, conflicten over territoriale wateren, de wapenwedloop, de oorlogvoering: de hele twintigste eeuw komt voorbij. De mens probeert zodoende de salamander tot medemens te maken. 'Ergens anders zijn die misbaksels toch niet goed voor, dan om er een utopie mee te bedrijven.’ Door de mens te imiteren, zijn talen te leren, zijn wetenschap te kopiëren, en onder water een eigen maatschappij op te bouwen, staat de homogene salamandergemeenschap, die inmiddels in omvang de mensheid verre overtreft, al snel op een cruciaal punt. Ze nemen de heerschappij over en gaan de mensen uitbuiten en kolonialiseren.

Ja, dat gebeurt er dus als je de menselijke drijfveren kopieert, zónder last te hebben van een ziel en zonder gevoel voor kunst. Capek citeert de dirigent Toscanini: 'Ik ben ervan overtuigd dat wezens die geen eigen muziek hebben, ook geen ziel bezitten.’ Het puur materialistische wereldbeeld dat zowel de kapitalistische als de communistische maatschappij draaiende houdt, en het heilige geloof in de markt, leidt in Capeks visioen tot de ondergang van de menselijke soort. De mens die streeft naar utopie hakt in zijn eigen voet.

'Zonder een vleugje kunst zult u nooit iets nieuws bedenken. We moeten dichters zijn als we de wereld in gang willen houden’, probeert een van Capeks personages nog tevergeefs. In Zamjatins roman Wij, die zich in de verre toekomst afspeelt, zie je hoe zo'n maatschappij zonder kunst eruitziet. Het is bijna te lezen als een vervolg op Oorlog met de salamanders, maar werd zestien jaar eerder geschreven. Capek ziet het nationaal-socialisme en het communisme al volop in ontwikkeling en reageert daar in 1936, ongelooflijk eigenlijk, vol humor op. Bij Zamjatin moet het in 1921 een nog theoretisch denkproces zijn geweest: wat zijn de uiterste consequenties van een volkomen doorgerationaliseerde utopie?

Wij, dat zijn de tot een hechte, nauwelijks gedifferentieerde massa gevormde nummers, voormalige mensen, die in een perfecte samenleving leven. Ieder doet zijn taak, alles is transparant - letterlijk, want de muren zijn van glas in deze toekomstmaatschappij - en iedereen is gelukkig. Het is sciencefiction van het hoogste literaire niveau, en van een verbluffende vooruitziendheid. Hoe is het mogelijk dat Zamjatin al in 1921 zag hoe de eenheidsmaatschappij, zoals die in China wellicht het verst verwezenlijkt is, tot ontmenselijking leidt? Want daar gaat het drama in Wij over: ontmenselijking. De grote tegenstelling in deze toekomstdroom/nachtmerrie is die tussen geluk en vrijheid. Het is diezelfde vraag die je tijdens de Culturele Revolutie levensgroot, maar ook nu weer terugziet bij de Chinese machthebbers, die kunstenaars in de gevangenis zetten en schrijvers de mond snoeren: een oprechte angst voor vrijheid, omdat vrijheid en geluk nooit samen zouden kunnen gaan, en verbazing over de keuze van een individu vóór die vrijheid en dus, in hun ogen, tégen het geluk van het collectief.

Het individu bestaat praktisch niet meer in Wij; alle nummers staan op het hetzelfde uur op, gaan naar hun werk, recreëren gezamenlijk; alle activiteiten zijn van minuut tot minuut vastgelegd. Ieder stuk voedsel dient met 'vijftig gewettigde kauwbewegingen’ gegeten te worden. Seks, al net zo'n heet hangijzer als in Oorlog met de salamanders, is te verkrijgen via een systeem van roze bonnetjes, die je in moet leveren bij de huisambtenaar. Dan mogen de rolgordijnen voor precies één uur naar beneden. Voortplanting is onder voorwaarden toegestaan, maar leidt helaas wel in alle gevallen tot de dood van de moeder, die dus nooit het 'product’ zal zien opgroeien. Nummer D-503, de verteller en hoofdpersoon van Wij, woont in een miljoenenstad, vele jaren na afloop van een verwoestende tweehonderdjarige wereldoorlog, waarin slechts 0,2 procent van de menselijke bevolking het overleefd heeft. De maatschappij is geordend volgens het idee van de 'ideale onvrijheid’. Alles wat bezield is, alle individualiteit, alle kunst, alle fantasie, alle begeerte is uitgeroeid. Honger en Liefde, de 'gebieders van de wereld’, zijn onder controle gebracht. Utopia is aangebroken. De stad is omgeven door 'De Groene Muur’ en hermetisch afgesloten van wat zich daarbuiten bevindt: de chaos, de natuur, 'de irrationele, afzichtelijke wereld der bomen, vogels en dieren’. Wat bijna niemand weet, is dat er tóch nog menselijk leven is in die woestenij. En een glimp van die menselijke vrijheid, van seksuele uitspattingen die in de ogen van de nummers aan dierlijkheid grenzen, zet alles onder spanning. D-503 valt uit zijn rol en geeft zich over aan gevoelens die uitgebannen waren: verliefdheid, angst, begeerte. Als hij nog een nummer is, gaat zijn historisch bewustzijn niet verder dan bewondering voor het grootste monument van de oude literatuur: Dienstregeling der spoorwegen. Maar als zijn bloed weer stromen gaat, dompelt hij zich graag onder in kunstzinnige fantasieën, in een verlaten 'antiek’ huis waar hij onder het portret van Poesjkin de aantrekkelijke I-330, gehuld in een japon uit oude tijden, verleidt.

I-330 blijkt de geraffineerde spil van een verzetsgroep met grootse plannen voor een nieuw leven buiten de Muur. Maar de Weldoener, de gezichts- en identiteitsloze leider van de genummerde wereld, zet een ongekende operatie op om de mens voorgoed gelukkig te maken: een kleine ingreep, waardoor je bevrijd zult zijn van je ziel. Dan zal niemand meer hunkeren naar vrijheid.

Wat een geploeter toch, die kunst, dat wachten op inspiratie als op een epileptische aanval, denkt D-350. 'Gelukkig zijn die oertijden van allerlei Shakespeares en Dostojevski’s, of hoe ze ook allemaal mogen heten, voorbij.’ In deze ideale maatschappij is kunst uitgebannen, net als in de Salamanderwereld van Capek. De salamanders zijn ontzettend succesvol en modern, daar kunnen de mensen met hun 'langzame, onbenullige en nutteloze gepeuter dat voor cultuur, kunst, pure wetenschap en wat niet al moest doorgaan’, niet tegen op! 'Heel die vermolmde, vervelende en pedante rotzooi die met poëzie, muziek, architectuur, filosofie en cultuur in het algemeen wordt aangeduid… seniele woorden die ons doen kokhalzen.’

Waar doen deze woorden toch aan denken? Dat dedain voor kunst en voor de kunstenaar? Toch bizar dat de rechtse populisten van nu zich van dezelfde taal en middelen bedienen als de utopisten uit het begin van de twintigste eeuw: het snoeren van de mond van het individu, de afkeer van kunst en van natuur, en het streven naar eenvormigheid. Dat is een keuze vóór het onmenselijke 'geluk’ en tegen de menselijke 'vrijheid’, om in Zamjatins termen te blijven. En zo is het interbellum toch weer een spiegel van de huidige tijd. Waarom mogen we dat niet zeggen? Daar is kunst toch voor bedoeld?