Verboden

Daniel Buren vroeg zich af wat hij van de modernistische orthodoxie mocht schilderen. Simone Häfele werkt veel vrijer.

MET DANIEL BUREN reed ik op een zomerse dag in 1975 door de bossen van de Hoge Veluwe. Tussen de bomen was een levendig schouwspel van zonlicht en dansende schaduwen aan de gang, in de schemer van het groen. Het werk van Buren bestaat uit ruimtelijke arrangementen van abstracte vormen, geknipt en gesneden uit verticaal gestreept materiaal. Het is midden jaren zestig ooit begonnen met gewoon markiezendoek in simpele kleuren: rood-wit, bruin-wit, groen-wit, blauw-wit. De weg slingerde en in het verschuivende licht van de zon kregen wij in het landschap wisselende variaties te zien van kleuren in clair-obscur. Ik vroeg hem of hij niet in de verleiding kon komen zoiets moois toch eens te willen schilderen. Neen. Dat had ik natuurlijk kunnen weten. Zojuist had zijn generatie afscheid genomen van de nasleep van het impressionisme - van schilderijen als Composition (1956) van Serge Poliakoff, in Moskou geboren maar begin jaren twintig naar Parijs gegaan om daar tot een heel eigen vorm van informele, atmosferische abstractie te komen, ernstig en beschouwelijk.

Het schilderij is een patroon van vrij en intuïtief getekende vormen die, ieder iets anders van kleur, in een ensemble elkaar in een teder evenwicht houden. Het oppervlak van kleur is zacht en mat geschilderd. In de donkere schemer van het gedempte grijs en bruin die vooral de omfloerste toon bepalen, zien we tegen elkaar gevlijd rood en geel gloeien - het rood warm, het geel door bruin getemperd. Van dit soort dromerige abstracties heeft Poliakoff er veel gemaakt omdat je er eindeloos mee kunt doorgaan. Het is pure vrije fantasie, en daar had Daniel Buren (die voor de kunst van de oudere meester groot respect heeft) genoeg van. Dus standaardiseerde hij de abstracte vormgeving en begon die steeds fantasievoller in te passen in de architectonische condities van de tentoonstellingsruimte zoals hij die aantrof. Maar wat is hier eigenlijk abstract? Ik las deze twee regels bij Paul van Ostaijen: ‘Over het bij vlekken zongeplengde dak/ hangt de beuk zijn loof van dieper rood.’ Bij alles wat je ziet, zoals hier de dichter twee soorten rood, kun je als schilder toch ook de rijkdom in de natuur nooit zomaar vergeten, hoe abstract je de kleuren ook denkt te kunnen ordenen. Wie weet of het rood en geel in het doek van Poliakoff, zo naast elkaar gloeiend, geen herinnering zijn aan bloesems of aan twee lampionnen ’s avonds in de tuin.

Tot deze bespiegelingen ben ik gekomen toen ik een schilderij zag van een open plek in het bos - een werk van Simone Häfele, in 1982 in Karlsruhe geboren en van een generatie die zo ver voorbij is aan de discussies in de jaren zestig over abstract en/of figuratief, en of je nog wel mocht schilderen, dat haar werk een echt onbekommerde frisheid heeft. Katzenbaum heet het schilderij. Het beeld is om een boom gerangschikt. Omdat het gebladerte zich verstrengelt met dat van bomen verder weg ontstond er bovenin een donkergroen bladerdak - boven de schuin oplopende vloer van het bos. Die is met mos en planten begroeid. Open stukken zandbodem tussen dat donkere groen (met sporen blauw) zijn okerbruin van kleur, met roze erin en ook nog wat geel. Daar ontvouwt zich een schemerige kleurigheid die verder weg opklaart met een stralend licht van geelgroen en oranje. Verder is het bos, als in een sprookje, op de voorgrond bevolkt met parmantige kleine katten die er als poppen uitzien. Overigens zit het groene gebladerte ook nog vol sliertige verfdetails (blauw en roze) die bloemen zijn of misschien vogels of gewoon versieringen voor het mooi. Dit schilderij is zo meeslepend fris omdat het zich, in alle opzichten, niets nog aantrekt van wat volgens de oude discussies wel of niet mocht. Het is niet abstract maar ook niet in klassieke zin figuratief - het is zoals al haar schilderijen totaal verzonnen uit alles wat de schilder zo kent: andere schilderijen, stripverhalen, vakantiefoto’s, (teken)films, televisie, sprookjesboeken en zeker nog veel meer.

Van het befaamde boek Les fleurs de Tarbes ou la terreur dans les lettres van Jean Paulhan hoorde ik midden jaren zestig, van mijn vrouw vermoedelijk, die toen Frans studeerde. Het ging over de twijfelachtige ambitie om stijl en strak taalgebruik in de moderne literatuur streng te bewaken. Net als in de moderne kunst: wat mag en wat niet? Wel helder rood bijvoorbeeld maar niet zacht roze. Veel was verboden want, zeg maar, te ouderwets mooi. Als pakkend beeld voor die terreur verwees Paulhan naar het bordje aan de ingang van de jardin publique in Tarbes: Het is verboden de tuin te betreden met bloemen in de hand. Toen Daniel Buren zei dat hij het zonnige bostafereel nooit zou schilderen, vroeg hij zich vermoedelijk wel af of zoiets van de modernistische orthodoxie wel mocht. Simone Häfele, zien we in Katzenbaum, is godzijdank nu vrij van zulke absurde vooroordelen.

PS De schilderijen van Häfele zijn te zien in De Nederlandsche Bank, Amsterdam, na telefonische aanmelding: 020-5242183. Het boek van Paulhan is nooit vertaald. In het Frans moet het nog wel bij Gallimard te krijgen zijn