Verboden vruchten

Op 17 september 1934 stond er een korte advertentie in The Times: ‘Will T.S. Eliot please return to his home, 68 Clarence Gate Gardens, which he abandoned Sept. 17, 1932. Keys with W.J.’ De advertentie was geplaatst door Vivienne Haigh-Wood, die op dat moment bijna twintig jaar was getrouwd met de befaamde Engelse dichter. Het huwelijk was geen succes. In 1937 werd Vivienne opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ze stierf tien jaar later. In de jaren zestig schreef Eliot over zijn huwelijk met haar: ‘To her, the marriage brought no happiness… to me, it brought the state of mind out which came “The Waste Land”.’

Vanaf zijn vroege jeugd kende Eliot de Amerikaanse Emily Hale, met wie hij tientallen jaren correspondeerde. De vele brieven die hij haar schreef werden door haar in 1962 aan de bibliotheek van Princeton University geschonken. Eliot was ‘disagreeably surprised’ over die schenking en liet de brieven van Hale aan hem door een vriend verbranden. Zijn brieven aan haar liggen tot vijftig jaar na zijn dood verzegeld in een kluis in Princeton.
Verboden vruchten zijn aantrekkelijk, ook voor een romanschrijver. Martha Cooley kwam op het lumineuze idee om dit gegeven te combineren met het verzonnen leven van de conservator Matthias Lane. Hij beheert in de roman de brieven van Eliot. Zijn huwelijksleven vertoont enkele opmerkelijke gelijkenissen met dat van Eliot. Lane’s vrouw Judith, met wie hij een stormachtig huwelijk kent, wordt ook in een inrichting opgenomen. Ze pleegt daar zelfmoord in 1965, het jaar dat Eliot overlijdt.
Het derde levensverhaal in de roman is dat van Roberta Spier - door haar pleegouders herdoopt tot Spire -, kind van joodse vluchtelingen die uit Berlijn (1940) via Maastricht (1944) in New York-Hoboken (1948) terecht zijn gekomen.
Het seksuele leven en de gedichten van T.S. Eliot zijn niet vaak in één roman te vinden met jazzpianist Bud Powell, tweedegeneratie-oorlogsslachtoffers en een Amerikaanse universiteitsbibliotheek. Het is ook nauwelijks voor te stellen dat die combinatie een aantrekkelijke roman oplevert. Maar debutante Martha Cooley slaagt erin de verschillende draden op een mooie manier te vervlechten. Ze doet dat door de roman in vieren te delen. Verhaal één is dat van Matthias Lane’s huwelijksleven en zijn ontmoeting met de studente Roberta Spier. Deel twee is het dagboek van Judit in de inrichting Hayden House tussen 1959 en 1965. Deel drie speelt in de jaren tachtig en werkt toe naar de desastreuze ontknoping in het laatste deel. Zal Roberta de geheime brieven lezen? Staan er ongepubliceerde gedichten in de brieven? Werpen die een ander licht op het dichtwerk van Eliot?
Tussen de antwoorden op deze vragen staat veel moois, onder meer over de relatie tussen jodendom en christendom, over de jazzpianist Bud Powell, over opportunisme aan de Amerikaanse universiteit, en over de onmogelijke liefde in het huwelijk. Kleine fouten zoals het verblijf van de Spiers in bezet Maastricht in 1945 (Maastricht werd als eerste Nederlandse stad op 14 september 1944 bevrijd) en gehannes met de maanddatering in 1965 zijn Cooley daarbij vergeven: debuutfoutjes. De roman is enigszins highbrow, maar met gevoel voor poëzie en spanning geschreven.
Wedden dat men in de bibliotheek van Princeton als een haas is gaan kijken of de geheime brieven van T.S. Eliot nog wel veilig liggen opgeborgen?