Cryptozoölogie

Verborgen beesten

In het schemergebied tussen mythologie en realiteit speurt de cryptozoöloog naar verborgen beesten. De niet-aflatende aandacht voor deze wezens toont hoe wetenschap grenst aan mysterie en fantasie.

Frankrijk, 1993. Cryptozoöloog Bernard Heuvelmans © Alain BENAINOUS/Gamma-Rapho via Getty Images

1938. Een Duitse expeditie vertrekt naar Tibet, onder leiding van bioloog en Untersturmführer Ernst Schäfer. Hij staat onder bevel van Heinrich Himmler, hoofd van de SS. Een aantal hooggeplaatste nazi’s gelooft dat in de Himalaya’s de oorsprong van het Arische ras zal worden gevonden. Er wordt zelfs gefluisterd dat de yeti – ook wel bekend als de verschrikkelijke sneeuwman – een voorouder van de Ariërs zou zijn. Schäfer wil zijn harige voorouder vangen. Een jaar later keert hij terug naar huis met 3300 dode vogels en een paar afgeschoten beren.

Cryptozoölogie is de studie van – en zoektocht naar – verborgen beesten. Denk aan: het monster van Loch Ness, bigfoot en de yeti. Het geloof dat er mysterieuze wezens zouden zijn die zich schuilhouden voor de mens is zo oud als het geloof in engelen en duivels. ‘In de achttiende eeuw, toen wetenschappers begonnen alle diersoorten te classificeren, werden mythische wezens als draken en eenhoorns naar het rijk der fabelen verbannen’, vertelt antropologe Jet Bakels aan de telefoon. Zij schreef met Anne-Marie Boer het naslagwerk Monsterdieren: Fabels & feiten (2018). ‘Maar er bleef een schemergebied over tussen mythologische en bestaande dieren.’ In dat gebied, tussen realiteit en fantasie, werken de cryptozoölogen.

Toen de nazi’s op jacht gingen naar hun gedroomde voorouder was er nog geen naam voor dit mysterieuze vakgebied. Pas in de jaren na de Tweede Wereldoorlog kreeg de studie naar verborgen beesten een naam: cryptozoölogie (naar het Grieks: kryptos, verborgen + zoon, dier + logia, studie). Amateurs en serieuze wetenschappers trokken samen op pad, op zoek naar de zogeheten ‘cryptiden’, beesten waarvan het bestaan wordt beschreven door plaatselijke bewoners in verhalen en legenden, maar die nooit zijn gevangen. ‘Het gaat daarbij meestal om een soort cultuurclash’, zegt Bakels, ‘waarbij wetenschappers worden geconfronteerd met verhalen van plaatselijke bevolkingen, die ze dan in hun eigen denkkaders proberen te begrijpen. Is het monster van Loch Ness misschien een levende dinosaurus? Is de yeti misschien de missende schakel tussen mens en aap?’

Want de kroonjuwelen van de cryptozoölogie zijn natuurlijk de verschrikkelijke sneeuwman en Nessie. Maar even beroemd is de sasquatch, beter bekend als bigfoot: een mensachtige aap die voor het eerst werd beschreven door lokale indianenstammen, maar die tegenwoordig regelmatig wordt gespot in de bossen van Noord-Amerika en Canada. En er is een heel scala van minder beroemde cryptiden, zoals de jackalope, een konijn met een gewei dat zich schuilhoudt in de wildernis van de Amerikaanse staat Wyoming. Of de Mexicaanse chupacabra, Spaans voor ‘geitenzuiger’, een reptielachtig wezen dat ’s nachts op gruwelijke wijze vee van arme boeren ombrengt. En wat te denken van de orang pendek, een aapachtige bosgeest die al sinds de koloniale tijd op Sumatra wordt gezien?

De yeti zou wel eens een levende gigantopithecus kunnen zijn, een uitgestorven mensaap van drie meter groot

‘In Amerika zijn er clubs die ieder weekend het bos in trekken, op zoek naar bigfoots’, vertelt Bakels. ‘En er zijn talloze ooggetuigenverslagen van mensen die geloven dat ze écht iets hebben gezien.’ Cryptozoölogen worden vaak weggezet als pseudo-wetenschappers, in hetzelfde kamp als religieuze fanatici en ufo-watchers, maar dat is volgens Bakels niet helemaal terecht. Er zijn consciëntieuze mensen bij, die zich aan de regels van de moderne wetenschap houden. Veel cryptozoölogen zijn wetenschappers die op jacht gaan in hun vrije tijd. Maar bewijsmateriaal voor het bestaan van cryptiden is, per definitie, schaars. Tot op heden is er een International Cryptozoology Society, met een vaktijdschrift waarin alle serieuze vondsten – onherkenbare plukjes vacht of bovengemiddeld grote voetafdrukken – onder de loep worden gelegd. Cryptozoölogie is geen nepwetenschap: het is de droom van een wetenschap. Maar waar die droom precies overgaat in mythologie en folklore is niet altijd even duidelijk.

Bigfoot, de Amerikaanse versie van de verschrikkelijke sneeuwman; de foto’s zijn gemaakt ten noordoosten van Eureka, Californië © Bettmann / Getty Images

De eerste échte cryptozoöloog was een studeerkamergeleerde, de Belgische dierkundige Bernard Heuvelmans. Hij publiceerde in 1955 een boek dat de inspiratiebron zou worden voor alle cryptozoölogen na hem: Sur la piste des bêtes ignorées – op het spoor van onbekende beesten. Heuvelmans verzamelde meters dozen aan krantenknipsels en ooggetuigenverslagen over mysterieuze dieren, waaronder zeemeerminnen en eenhoorns. Zijn archief is tegenwoordig te vinden in het zoölogisch museum in Lausanne.

In Sur la piste verzet Heuvelmans zich tegen het geloof dat alle diersoorten wel zo’n beetje beschreven zouden zijn. ‘Dat wordt door iedere generatie zoölogen beweerd’, schrijft hij, ‘en keer op keer blijkt het niet te kloppen. Voor de dierkundige is de gehele wereld terra incognita en er is zeker reden om te geloven dat er nieuwe soorten ontdekt zullen worden, met name onder de kleine dieren.’ Daar had Heuvelmans een punt. Zelfs nu nog worden jaarlijks zo’n 15.000 nieuwe diersoorten geïdentificeerd, waarvan ongeveer de helft insecten. Maar om de kleine beestjes is het cryptozoölogen natuurlijk niet te doen. Zij zijn van oudsher op zoek naar spannende beesten – hoe groter, hoe beter. Zo vertelt Heuvelmans verhalen van Zuid-Amerikaanse stammen die geloven in reusachtige slangen, speculeert hij over de lengte van reuze-inktvissen en stelt hij dat de yeti wel eens een levende gigantopithecus zou kunnen zijn, een uitgestorven mensaap van wel drie meter groot, die zeker nog tot honderdduizend jaar geleden in India leefde. Het boek verbindt de kritische blik van de wetenschapper met een bijna kinderlijke verwondering over het mysterieuze. ‘Heuvelmans was een oprechte wetenschapper en verzamelaar’, zegt Bakels, ‘met een onmiskenbare flair voor het fantastische.’

De grondlegger van de cryptozoölogie had een hekel aan de arrogantie van westerse onderzoekers die geloven dat ze alle bergen en bossen wel eens zullen uitkammen. Anders dan zijn collega’s nam hij de verhalen van plaatselijke bevolkingen serieus. ‘Maar het was ook een ijdele man’, zegt Bakels. ‘Hij liet zich graag fotograferen met zijn Sherlock Holmes-pet op, in het bijzijn van schaars geklede dames.’ Ook presenteerde hij een tijdje een Frans televisieprogramma met de Engelse titel: Sherlock Holmes at the Zoo. Daarin zien we zwart-witbeelden van Heuvelmans in een laboratorium, Heuvelmans in een duikpak bij Loch Ness, et cetera. Met al die media-aandacht werd hij naast de grondlegger ook het boegbeeld van zijn vakgebied, totdat hij werd overschaduwd door twee andere Belgische avonturiers: Kuifje en kapitein Haddock.

Heuvelmans was goed bevriend met de striptekenaar Georges Remi, beter bekend als Hergé. Hij leverde de documentatie voor verschillende Kuifje-albums en liet zijn vriend gebruik maken van archiefmateriaal toen die zijn hoofdpersoon, in navolging van Ernst Schäfer, naar het Himalayagebergte stuurde in Kuifje in Tibet (1960). In dat boek ontmoeten Kuifje en de kapitein een yeti, die een zachtaardige aap blijkt te zijn, met wat menselijke trekjes. De tekenaar baseerde het uiterlijk van het beest op een foto van een puntig schedeldak uit de verzameling van Heuvelmans. Op die manier leerde een groot publiek op jonge leeftijd het verhaal van de yeti kennen. Maar de cryptozoölogie beperkte zich niet tot spannende jeugdboeken. Heuvelmans kreeg navolgers over de hele wereld, onder wie beroemde wetenschappers en avonturiers. Velen van hen gingen wél op expeditie en brachten soms fantastische relikwieën mee naar huis.

‘Naar die Yeti-haren is echt veel onderzoek gedaan. Ze blijken altijd van een gewoon dier; een hond, geit, beer’

In de Verenigde Staten, in Portland, Maine, is het enige museum over cryptozoölogie ter wereld. Bezoekers treffen er allerlei eigenaardigheden aan: opgezette zeemeerminnen, die verdacht veel lijken op aapjes met een vissenstaart, gipsen afgietsels van bigfoot-sporen en documentaires over de eigenaar van het museum: Loren Coleman, tevens auteur van het overzichtelijke handboek Cryptozoology A to Z (1999). In het museum lopen feit en fictie soms door elkaar, maar één ding is duidelijk: serieuze wetenschappers hebben zich in de loop van de tijd met de cryptozoölogie geassocieerd.

Van alle cryptiden heeft de yeti ongetwijfeld de meeste aandacht gekregen van onderzoekers. In het museum in Maine leert men dat het woord ‘yeti’ van het Nepalese woord yet-teh komt, dat grofweg ‘dat ding’ betekent. De eerste gedrukte verwijzing stamt uit 1832. In het Journal of the Asiatic Society of Bengal werd verslag gedaan van een ooggetuige die een ‘harige tweevoeter’ zou hebben gezien in het noorden van Nepal. De schrijver vermoedde dat het om een orang-oetan ging, hoewel die in dat gebied nooit eerder was gezien. In 1899 werd het verhaal door een Britse majoor afgedaan als een sprookje.

Maar de verhalen over ‘dat ding’ gingen niet weg. Sterker, ze werden alleen maar fantastischer. Tijdens een expeditie naar Mount Everest in 1921 vonden luitenant-kolonel C.K. Howard-Bury en zijn expeditie mysterieuze sporen die drie keer groter waren dan menselijke voetafdrukken. De plaatselijke gidsen – sherpa’s – meenden dat die afkomstig moesten zijn van een meh-teh (een ‘mensachtig wezen dat geen mens is’). In een plaatselijke krant werd die term vervolgens verkeerd vertaald als abominable snowman, oftewel: verschrikkelijke sneeuwman. En dat sprak tot de verbeelding: een paar jaar later zag een Britse fotograaf bij een gletsjer ‘een naakte figuur, net een mens’ door de sneeuw lopen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de interesse in de yeti een vlucht, er ontstond een ware yeti-koorts. Zo liet de Texaanse oliemiljardair Tom Slick in de jaren vijftig de vinger van een yeti naar Londen smokkelen, in het ondergoed van Gloria Stewart, de vrouw van de beroemde acteur Jimmy Stewart. Eenmaal in Londen stelde men vast dat het ‘gewoon’ een mensenvinger was.

Even leek het mysterie van de Yeti opgelost – en wel door de beroemdste bergbeklimmer ter wereld: de Nieuw-Zeelander Edmund Hillary, de eerste blanke man die de Mount Everest beklom, in 1953. Ook hij was gefascineerd door de verhalen over de yeti. Op expedities naar de berg Everest vonden Hillary en zijn collega’s regelmatig vreemde plukken haar en grote voetsporen. Tenzing Norgay, Hillary’s sherpa, beweerde het beest zelfs met eigen ogen te hebben gezien. In 1960 kreeg Hillary een beurs van de American Encyclopedia Company om een expeditie op te zetten om het mysterie van de yeti te onderzoeken. Voor die tocht liet hij zich grondig informeren door cryptozoölogen. Hillary en zijn companen vonden tijdens die tocht weer dezelfde grote voetsporen, maar concludeerden dat het moest gaan om in de zon gesmolten afdrukken van mensen of dieren.

Maar daarmee was de fascinatie nog niet weg, integendeel. Tot op vandaag zijn er sightings. In 1998 meende de Amerikaanse bergbeklimmer Craig Calonica twee yeti’s te hebben gezien: met zwarte vacht, lange armen en grote handen. Calonica verklaarde dat ‘wat ik zag niet menselijk was – geen gorilla, geen beer, geen geit, het was een Yeti.’ Sindsdien hebben bergbeklimmers uit Engeland, Canada, de VS, Duitsland en Zwitserland aapachtige wezens gespot in de Himalaya’s. Velen brachten stukjes huid of vacht mee naar huis. Het verhaal blijft tot de verbeelding spreken. En waarom niet? Grote delen van de Himalaya’s zijn onherbergzaam en nog nooit door een mens betreden: ruimte genoeg voor ‘dat ding’ om zich te verstoppen.

‘De aantrekkingskracht van cryptozoölogie is natuurlijk toch die “what-if”-gedachte’, zegt Bakels. ‘Mensen zijn nu eenmaal geneigd om het mysterie het voordeel van de twijfel te geven.’ Over de psychologie daarachter is volgens Bakels veel geschreven. ‘Als er eenmaal een beeld is ontstaan, dan interpreteren mensen wat ze niet begrijpen in termen van het beeld dat ze verwachten aan te treffen. Je hoeft maar een paar stipjes te zien en je hersenen maken er een fraaie voorstelling van. Dan is het natuurlijk niet zo raar dat mensen die in de wilde natuur rondlopen denken: “Ik heb wat gezien!” Als je bij het meer van Loch Ness bent en iedereen is opgewonden en wíl het beest graag zien, dan verandert de vraag: “Zou hij bestaan?” al snel in de vraag: “Wanneer ga ik hem zien?”’

Van alle plukjes vacht die uit de Himalaya’s werden meegebracht, bleek er niet één van een onbekend dier te zijn. ‘En naar die Yeti-haren is echt veel onderzoek gedaan’, zegt Bakels. ‘Ook dna-onderzoek. Ze blijken altijd van een gewoon dier; een hond, een geit, een beer.’ In een wereld die onttoverd is door smartphones en Google Maps lijken cryptozoölogen zelf steeds meer op een uitstervende diersoort: twintigste-eeuwse drakendoders, avonturiers die hun leven wagen voor een plukje vacht of een korrelige foto, op zoek naar een gedroomde voorouder of de schakel tussen mens en dier. ‘De kans dat er nog grote nieuwe beesten ontdekt zullen worden, lijkt steeds kleiner’, geeft Bakels toe.

Toch wordt nu en dan een spectaculaire ontdekking gedaan. Bakels vertelt over haar eigen onderzoek naar de orang pendek, de mysterieuze bosgeest op Sumatra. In 1912 publiceerde Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië een bericht waarin werd aangekondigd dat het mysterieuze wezen was gevangen en per boot onderweg was naar de hoofdstad. Op de kade stond een menigte te wachten, maar eenmaal aan wal was er geen spoor van het dier te bekennen. ‘Eén van de kenmerken van de orang pendek is dat hij zomaar kan verdwijnen. En dat je nooit weet welke kant hij opgaat: zijn sporen gaan altijd verschillende kanten uit’, zegt Bakels. ‘Toen ik dat voor het eerst hoorde, dacht ik: dat is nou bij uitstek een mooie spiegelbeeldige constructie, een wezen dat zo onvoorspelbaar is als de wilde natuur zelf.’ Maar toen Bakels een orang-oetan-deskundige sprak, vertelde hij dat die beesten hun handen omgekeerd over hun voeten zetten, zodat het lijkt alsof hun spoor twee verschillende kanten opgaat. ‘Zo zie je dat zulke verhalen toch op nieuwe informatie kunnen wijzen’, zegt ze. ‘Niet veel later werd een nieuwe populatie orang-oetans ontdekt op een plek waarvan niemand wist dat ze daar leefden. Je zou kunnen concluderen dat het om de orang pendek ging, die in de 21ste eeuw nog is ontdekt!’

Cryptozoölogie is de levende herinnering aan het feit dat alle wetenschap uiteindelijk wordt omgrensd door mysterie en fantasie. Maar een aap is natuurlijk niet hetzelfde als een yeti. Toen in 2003 in Indonesië de restanten van de homo floresiensis werden gevonden, schreef Henry Gee, redacteur van het toonaangevende tijdschrift Nature, dat de ontdekking ‘het waarschijnlijker maakt dat verhalen over andere mensachtige wezens zoals yeti’s op enige waarheid berusten. Cryptozoology is back in from the cold.’ Zo blijft het onwaarschijnlijke – maar daarmee niet minder aantrekkelijke – idee bestaan dat er beesten zijn die niet door mens gevonden kunnen óf willen worden.