Renée Stotijn, Stilleven met vaas en stoel © reneestotijn.com

Het werk van Renée Stotijn (1940-2020) is opmerkelijk omdat zij het zelf onder stoelen en banken stak, letterlijk: bij het opruimen van het huis na haar overlijden troffen haar twee dochters in de handige bovenhoofdse kabinetjes en verlaagde plafonds van de keuken dikke pakken met haar werk aan, in aquarel, olieverf, houtskool, honderden stuks. Dat Stotijn kon schilderen was geen geheim. Ze bezocht in de jaren zestig de kunstacademie in Amsterdam. Ze kreeg les van sterk figuratieve kunstenaars als Röling, De Kat en Schröder en volgde klassieke vakken als anatomie, boetseren en letter- en kostuumtekenen. Ze viel daar op en kreeg een eigen atelier in het Academiegebouw, waar ze vooral veel portretten maakte, van medestudenten, vrienden en voorbijgangers. Ze legde zich ook toe op landschappen en stadsgezichten in Amsterdam en omgeving, vrijwel altijd in aquarel. Lang niet alles van die herontdekte werken is gedateerd of gesigneerd. Er is weinig bekend over de mensen die geportretteerd werden, of waar in stad en land zij precies haar ezeltje neerzette. Ze heeft op een enkele uitzondering na nooit geëxposeerd.

Renée Stotijn was de oudste dochter van Haakon Stotijn, eerste hoboïst van het Concertgebouworkest, telg uit een familie van muzikanten – de zangeres Christianne en de bassist Rick horen er ook toe. Haar moeder, Mieke ‘Melly’ Lindeman, was een getalenteerde tekenaar en actief in de strijd voor het behoud van monumenten in de Concertgebouwbuurt als de Obrechtkerk en het Zuiderbad. Renée kreeg twee kinderen met de violist Dick Bor, ook al lid van een muzikale familie, maar trouwde niet: De Telegraaf portretteerde het stel ooit als ‘de eerste lat-relatie’ van het land. Stotijn ontwikkelde zich niet tot zelfstandig kunstenaar. Financiële problemen na het overlijden van haar vader en een slecht verlopen operatie, waardoor ze de macht over haar rechterarm gedeeltelijk verloor, stonden dat in de weg, maar het blijft niettemin wat raadselachtig, gezien het voorspoedige begin en het onmiskenbare talent.

Het overzicht in de Beurs is zeer uitgebreid. Het is in de eerste plaats een familiealbum en een kennismaking, niet een tentoonstelling met een kunsthistorische of artistieke pretentie. Dat is soms een beetje ongelukkig. In haar portretten en landschappen, met name in aquarel, was Stotijn van zeer hoog niveau. Technisch beheerste ze het lastige medium perfect, en ze had ook – in de portretten – een sterk gevoel voor de ‘aanwezigheid’ van haar onderwerpen, die, hoewel anoniem, vief en origineel werden neergezet. Dat niveau haalde zij, begrijpelijkerwijs, niet altijd. Uit een lange rij stillevens met poppen, bijvoorbeeld, was een scherpere keuze denkbaar geweest.

Ook opmerkelijk, ten slotte, is de vraag naar de plaats van Stotijn in de kring van figuratieve, ambachtelijk werkende kunstenaars van de jaren zestig en zeventig, die in het moderne schema zo vaak over het hoofd worden gezien. Zij heeft daarin zeker een positie, maar dat vraagt na de kennismaking om een tweede fase, een kunsthistorisch overzicht.

Renée Stotijn: Verborgen kunst onthuld. Beurs van Berlage, Amsterdam, t/m 19 september, beursvanberlage.com, reneestotijn.com