Een andere kijk op bezit

Verdeel en beheers

We leven in een tijdperk van groeiende ongelijkheid. Moet vermogen opnieuw verdeeld worden? Nieuw werk van Thomas Piketty en Branko Milanovic toont de noodzaak ervan.

Londen, Piccadilly © Richard Baker / In Pictures / Getty Images

1754 was een jaar van thuiskomen voor Jean-Jacques Rousseau. Hij ondertekende zijn werken altijd met ‘burger van Genève’, en na een tijd van omzwervingen vond hij het tijd om terug te gaan naar de Zwitserse stadstaat waar hij geboren was. Om zijn goede wil te tonen, liet Rousseau zich weer inschrijven als calvinist. Eerder had hij zich bekeerd tot de katholieke kerk, toen hij zich mengde in de adellijke kringen van het naburige Savoye.

Rousseau was zo verguld terug te zijn in Genève dat hij zijn nieuwste werk, Vertoog over de ongelijkheid, opdroeg aan de burgers van de stad. Hij zag een functionele hiërarchie die economisch standsverschil combineerde met politieke gelijkheid. Was het gevoel van thuiskomst minder met Rousseau op de loop gegaan, dan had hij wellicht meer oog gehad voor het opportunisme van de kleine mogendheid. Toen hij jong was, werd zijn eigen vader, een horlogemaker, gestraft na een aanvaring met een Engelse officier. Het was de bezoeker die zijn zwaard trok, maar het stadsbestuur was bang Engeland voor het hoofd te stoten. En voor zover Rousseau blind was voor het dogmatisme waarmee calvinisme in Genève werd beleden, gingen zijn ogen ongetwijfeld open toen in 1762 zijn boeken op de brandstapel werden gegooid en hij gedwongen werd de stad te verlaten.

Officieel was het Rousseaus losse houding tegenover het geloof dat het stadsbestuur dwarszat. Emile, de jonge man uit Rousseaus gelijknamige traktaat dat samen met zijn andere werken in vlammen opging, krijgt van zijn mentor te horen dat het beter is niets van God te weten dan bezig te zijn met de vraag waar God boos over zou worden.

Toch lijkt de kerk niet de enige gevoelige plek te zijn waar Rousseau op drukte. In zijn traktaat over ongelijkheid verkondigde hij dat in een georganiseerde samenleving burgers streven naar status en steeds meer bezit willen vergaren. Die menselijke karaktertrek, gecombineerd met een systeem dat privébezit beschermt, creëert een verschil tussen arm en rijk dat iedereen ongelukkiger maakt, vond de filosoof. Rijken zijn ontevreden omdat ze zich spiegelen aan anderen, er is altijd iemand die nóg meer heeft. Ze hebben bovendien angst hun bezit te verliezen. En de armen zijn, nou ja, arm, en moeten het stellen zonder de privileges die anderen wel toekomen.

Rousseaus boodschap viel niet best bij zijn tijdgenoten. Voltaire, zelf zeer bemiddeld, vond het niks. ‘Ziehier de filosofie van een bedelaar die vindt dat de armen de rijken moeten plunderen’, pende de filosoof in de kantlijn van zijn exemplaar van Vertoog over de ongelijkheid.

De passage die de sneer van Voltaire uitlokte, is beroemd geworden: ‘De eerste die een stuk grond omheinde en durfde te zeggen “dat is van mij”, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren om hem te geloven, was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat een misdaden, oorlogen, moorden, wat een ellende en verschrikkingen was de mensheid niet gespaard gebleven als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had gedempt en tot zijn medemensen had geroepen: “Hoed je om naar die bedrieger te luisteren; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten iedereen toebehoren en dat de aarde van niemand is!”’

Verpakt in een historisch gedachte-experiment over de ontwikkeling van de mens, bevroeg Rousseau de claim op bezit en de verschillen die daaruit voortkomen. Hij vormde niet zozeer een bedreiging voor het geestelijk welzijn van Genève, als wel voor de portemonnee van de rijke bovenlaag.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Casper Thomas over de groeiende ongelijkheid. Moet vermogen opnieuw verdeeld worden?
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Wie nu economische ongelijkheid ter sprake brengt, hoeft geen boekverbranding te vrezen. Integendeel, de hedendaagse vertogen over ongelijkheid worden hoog opgestapeld in boekhandels en op vliegvelden, zelfs al gaat het om vuistdikke werken vol grafieken en formules, geschreven door een vakeconoom met een moeilijke naam. Bijna iedereen kent Thomas Piketty sinds zijn Kapitaal in de 21ste eeuw vanuit het Frans werd vertaald. Mede dankzij hem werd het tweede decennium van deze eeuw het tijdperk van een mondiaal debat over ongelijkheid.

Cijfers over een groeiende kloof tussen hoge en lage inkomens en tussen een bezittende klasse en een cohort onvermogenden daaronder – twee verschillen die steeds meer samenvallen – waren al langer in omloop. Begin deze eeuw stelde de Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanović een database samen waaruit duidelijk bleek dat verschillen in welvaart tussen landen en binnen landen groter zijn geworden de afgelopen veertig jaar. Milanović, destijds hoofd onderzoek bij de Wereldbank, deed zijn werk zonder dat het al te veel opviel. Zijn boek The Haves and the Have-Nots: A Brief and Idiosyncratic History uit 2010 werd welwillend ontvangen. Foreign Policy noemde het ‘genoeglijk’ en ‘eigenzinnig’, maar het idee dat groeiende ongelijkheid samenlevingen ondermijnde, sloeg niet aan. Toen Piketty een aantal jaren later erop wees dat verschillende economische groepen steeds verder uit elkaar dreven, werd hij onthaald als een revolutionair. Vernieuwende ideeën hebben een gulzige tijdgeest nodig, voor ongelijkheid is dat niet anders.

Wat Piketty vooral toevoegde, was een ijzeren logica: wanneer het rendement op vermogen hoger is dan de jaarlijkse groei van de economie, neemt de ongelijkheid vanzelf toe. Immers, wie alleen afhankelijk is van loonstijging blijft achter bij wat een kapitaalbezitter erbij krijgt. Piketty bedacht er een formule voor die op T-shirts en koffiemokken werd gedrukt: R>G, rendement is groter dan groei, een alarmbel voor wie gelijkheid nastreeft.

In de twintigste eeuw hadden twee wereldoorlogen verschillen in rijkdom genivelleerd. Topbelastingtarieven van meer dan zestig procent hielden tot aan de jaren tachtig ongelijkheid binnen de perken. Maar wie de lange geschiedenis van het kapitalisme in ogenschouw nam, kon volgens Piketty maar één ding concluderen: behoudens een overheid die ingrijpt of een plotselinge schok, worden de rijken vanzelf rijker.

Ook in Nederland sloeg het Piketty-virus toe. Plotseling was duidelijk dat we een land zijn dat zich beleidsmatig had onderworpen aan Piketty’s fundamentele wet van het kapitalisme. ‘Elke sukkel haalt meer dan vier procent rendement’, zei toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm, toen hij in 2001 de vermogensrendementsheffing invoerde. Die gaat uit van een fictief rendement van vijf procent. De laatste keer dat groei van de Nederlandse economie boven de vier procent uitkwam, was begin jaren tachtig. R>G gaat zeker op in de polder. Maar dankzij onder andere wijdverspreid huizenbezit valt de groeiende kloof hier mee. Sinds 2011 is de vermogensongelijkheid in Nederland zelfs iets afgenomen, constateerde het Centraal Bureau voor de Statistiek vorig jaar.

De ongelijkheidsdiscussie in Nederland is een netelige. Economen steggelen over de vraag of pensioenen wel of niet meegerekend moeten worden. Het cbs doet dat niet, omdat het geen ‘actief vermogen’ is. Dit lokte de kritiek uit dat vermogensverschillen hierdoor te groot worden voorgesteld. Ook heeft Nederland een relatief hoge erfbelasting, waardoor groeiende ongelijkheid met het verstrijken van elke generatie weer een beetje wordt teruggedraaid. ‘Nederland is juist te veel Piketty-proof’, klaagde de vvd in 2014 toen GroenLinks met het Kapitaal in de 21ste eeuw in de hand pleitte voor hogere belastingen. Of Nederland een egalitaire oase is in een wereld van scheve verdeling of dat ontwrichtende ongelijkheid hier ook door de kieren naar binnen sijpelt, lijkt kortom deels een ideologische keuze.

Een samenleving die een groot deel van haar leden uitsluit van bezit, laat de toekomst over aan de selecte groep die wel vermogend is

Toen ik Piketty sprak in 2014 in zijn werkkamer in Parijs, kort nadat zijn boek in vertaling was verschenen, legde hij uit waarom het belangrijk is ongelijkheid in de gaten te houden. ‘Wie nauwelijks iets bezit, heeft al snel het idee niet betrokken te zijn bij het reilen en zeilen van de economie’, zei hij. ‘Er is een groot gevoel van onteigening, mensen hebben het idee dat ze economisch aan de zijlijn staan.’ Bezit is meer dan cijfers op een banksaldo of stenen om je heen, was Piketty’s punt. Een samenleving die een groot deel van haar leden uitsluit van bezit, laat de toekomst over aan de selecte groep die wel vermogend is. De politiek luistert eerder naar een klasse die iets te verliezen heeft. Bedrijven luisteren naar aandeelhouders, en als die om maximale winsten vragen, is winstmaximalisatie wat er geleverd wordt, al gaat dat ten koste van de loongroei van werknemers of het duurzaam voortbestaan van de planeet.

Wie zo naar Nederland kijkt, ziet dat er wel degelijk iets aan de hand is. Toen de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een aantal jaar geleden Nederland langs de Piketty-meetlat legde, kwam er een tweeledig oordeel uit. Met de inkomensongelijkheid valt het mee, maar vermogens zijn een stuk schever verdeeld. De rijkste tien procent heeft meer dan zestig procent van het totale vermogen in Nederland in bezit. De rijkste twintig procent heeft samen ruim 83 procent in handen. En als je schulden en bezittingen tegen elkaar wegstreept, heeft de onderste veertig procent van Nederland geen vermogen. De armste tien procent staat netto in het rood. Als vermogen een instrument is waarmee invloed kan worden uitgeoefend, is de toekomst in handen van een kleine minderheid.

Bovendien is Nederland allesbehalve immuun voor de grote trends in het kapitalisme anno nu. De belasting op inkomen uit arbeid is toegenomen, terwijl verdiensten uit kapitaal juist minder belast worden. Over een arbeidsinkomen wordt gemiddeld 35 procent netto afgedragen, terwijl de belastingdruk op kapitaal uitkomt op twaalf procent, een van de laagste percentages in Europa. Volgens het Nibud heeft bijna een derde van de Nederlandse huishoudens onvoldoende buffer om een klap op te vangen. Het scenario dat Piketty schetste, dat van een terugkeer naar de belle époque waarbij vermogenden rijker worden zonder iets te doen terwijl wie van arbeid afhankelijk is langzaam armer wordt, is niet geheel uit de lucht gegrepen.

Hongkong, Times Square © Bruno Barbey / Magnum /HH

De uiteenzetting over het belang van bezit was het sluitstuk van mijn interview met Piketty, maar getuige de ruim duizend pagina’s in zijn nieuwe boek Kapitaal en ideologie is hij nog lang niet uitgepraat over het onderwerp. Kapitaal en ideologie is economische geschiedschrijving sinds de Middeleeuwen en richt zich behalve op het Westen ook op Azië. Zoals marxisten geloven in klassenstrijd als drijvende kracht van de geschiedenis, zo biedt Piketty economische ongelijkheid als groot verhaal om de geschiedenis te ordenen. Op het oog lijken het twee varianten van hetzelfde linkse snit, maar er is een verschil. Klasse is een sociaal construct, ongelijkheid is meetbaar. ‘De strijd voor gelijkheid en onderwijs maakte economische ontwikkeling en menselijke vooruitgang mogelijk’, schrijft Piketty.

Hoewel de filosoof slechts één keer opduikt in Kapitaal en ideologie, heeft Piketty’s onderneming veel weg van wat Rousseau halverwege de achttiende eeuw ondernam. Rousseau schreef zijn Vertoog over de ongelijkheid voor een essaywedstrijd van de Academie van Dijon. Deelnemers moesten een antwoord geven op de vraag: ‘Wat is de oorsprong van ongelijkheid tussen mensen, en is die gesanctioneerd door natuurlijke wetten?’ Rousseau koos een verrassend perspectief door het over economische ongelijkheid te hebben en bereidde daarmee de weg voor wat inmiddels breed aanvaard wordt: er bestaan natuurlijke verschillen tussen mensen, in aanleg, talent en intelligentie, maar de economische uitkomsten daarvan zijn het gevolg van politieke keuzes. Op basis van die premisse probeert Piketty de wortels van ongelijkheid in deze tijd bloot te leggen. Hij wil laten zien door welke achterliggende ideologie de huidige ‘regimes van ongelijkheid’ gerechtvaardigd worden.

Grote verschillen in welvaart zijn historisch gezien niets bijzonders, toont Piketty’s overzicht. Premoderne samenlevingen overal ter wereld waren opgedeeld in drie groepen die een eigen functie vervulden. De geestelijkheid zorgde voor intellectueel leiderschap, de adel vocht en beschermde. Bezit was verdeeld tussen deze twee klassen. De derde stand werkte, voornamelijk op het land. Vanuit een hedendaags perspectief waren deze samenlevingen schandalig ongelijk. Tegelijkertijd waren ze uitermate stabiel. De individuele rebel die zijn tijd vooruit was daargelaten, was het driestandenstelsel iets waarin eeuwenlang werd berust. De Franse Revolutie kondigde een nieuw bestel aan. Voor Piketty is ‘gelijkheid’ dan ook het belangrijkste deel van het drieledige motto uit 1789. Broederschap is subjectief, vrijheid een individuele beleving. Gelijkheid, daar kun je als econoom wat mee, zeker als je vermogen en inkomen als maatstaf neemt.

In de negentiende eeuw vormde zich een nieuw mondiaal ongelijkheidsregime, gebaseerd op koloniale verhoudingen tussen West en Oost, vervolgt Piketty. Ook gewin op de ene plek op aarde ten gunste van een andere had een ideologisch fundament. Deze keer van geografisch-raciale aard. Het Westen verkocht zichzelf een koloniale cirkelredenering: overzeese gebieden ontwikkelden zich dankzij onderwerping; het kon zich daardoor een ontwikkelder ras wanen. Opnieuw geldt dat we achteraf een schaamlap voor uitbuiting zien, maar dit systeem van bezitsverdeling – en dat is waar het bij het kapitalisme uiteindelijk om draait – hield stand zolang er thuis voldoende mensen waren die in de omlijstende ideologie geloofden, terwijl die elders met geweld werd afdwongen.

Dit is de historische dynamiek die Piketty blootlegt: de wijze waarop bezit – en de macht die daarmee samenhangt – door de eeuwen heen is verdeeld, wordt gedreven door overtuigingen en ideeën en de acceptatie daarvan. In die zin had Rousseau gelijk met zijn eerste mens en zijn hek. Wanneer anderen het hek omver hadden getrokken en hadden gezegd dat hij (laten we ervan uitgaan dat het een man was) niet zo raar moest doen, was de geschiedenis anders verlopen. Het verleden laat vaak genoeg zien dat wanneer een idee niet (langer) overtuigt, het systeem in elkaar klapt. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is er het meest sprekende voorbeeld van.

Onvermijdelijk roept dit de vraag op wat de achterliggende overtuigingen zijn van de huidige ongelijkheidsregimes, in de wereld als geheel en binnen de verschillende landsgrenzen. De tweede vraag is hoe breed gedragen die ideeën nog zijn.

Deze vragen stellen doet direct voelen dat de antwoorden dun zijn. Hoe verklaren we, zoals Oxfam becijferde, dat iets meer dan tweeduizend miljardairs samen meer vermogen hebben dan 4,6 miljard mensen, oftewel zestig procent van de wereldbevolking, bij elkaar opgeteld? Wat is precies de uitleg bij de trend in Europa, om een grafiek uit Kapitaal en ideologie te nemen, dat sinds 1980 welvaart zich steeds meer concentreert aan de top? Wat is het verhaal van een samenleving waarin tachtig procent van het actieve vermogen in handen is van de rijkste twintig procent, de situatie in Nederland? Het antwoord zal iets te maken hebben met ‘zo werkt de markt’ en ‘de rijken hebben het verdiend door hard te werken’. Je voelt op je klompen aan dat die verdediging net zo pover is als de middeleeuwse overtuiging dat God het nu eenmaal zo bedoeld had, of als het koloniale geloof in een superieur ras.

Piketty zoekt een verklaring voor de dominantie van de eigenaarschap-samenleving in een ‘quasireligieuze verdediging van eigendomsrechten als de sine qua non van sociale en politieke stabiliteit’. Dit type samenleving is in de loop van de tijd gegroeid op basis van wat Marx ‘primitieve accumulatie’ noemde: het opbouwen van steeds meer bezit op een schaal die begint bij basisbehoeften (kleding om het lijf, een dak boven het hoofd) en richting steeds verfijndere vormen van luxe gaat. Op een gegeven moment passeert de curve de grens van het overbodige om daarna richting het absurde te gaan.

De bezitssamenleving bereikte een hoogtepunt aan het begin van de twintigste eeuw, met een rijke burgerlijke klasse als voornaamste kenmerk en een niveau van ongelijkheid en samenballing van welvaart dat hoger was dan ten tijde van het ancien régime. Dit model creëerde de voorwaarden voor de eigen ondergang, meent Piketty. De behoefte aan accumulatie deed de rijkste samenlevingen op aarde besluiten elkaar een allesverwoestende loopgravenoorlog in te sleuren. Het economische falen van de ongelijke samenleving maakte totalitaire ideologieën aantrekkelijk.

Na de zelfdestructie brak een tijd aan van experimenteren met alternatieven. Een volledig staatsgeleide economie in communistische landen, dat inmiddels historisch gediskwalificeerd is als ideologisch alternatief. En de sociaaldemocratie, gebaseerd op de overtuiging dat spreiding van macht vraagt om spreiding van bezit, zoals pvda-leider Joop den Uyl het in de jaren zeventig verwoordde.

Als verschillende gedaantes van het kapitalisme tot een vergelijkbaar resultaat leiden, waarom zouden we dan de een boven de ander verkiezen?

Hij sprak op een moment dat achteraf gezien een einde van een tijdperk was. Bezit in Europa was op dat moment gespreid, in ieder geval meer dan daarvoor. In 1900 had de rijkste tien procent nog negentig procent van het vermogen in eigendom. In 1975 was dat slechts iets meer dan vijftig procent. Wat er vervolgens gebeurde, was dat sociaaldemocraten hun missie wel voltooid achten en mondialisering op basis van liberale principes omarmden. Tegelijkertijd hielpen ze mee aan de afbouw van nationale verzorgingsstaten. Van het sociale vangnet is nog een deel over, maar het gesprek over bezitsverdeling is verstomd op links. De wereld die hieruit is ontstaan wordt beschreven door Branko Milanović in zijn pas verschenen boek Capitalism, Alone.

Milanović’ voornaamste constatering lijkt vanzelfsprekend, maar is verbazingwekkend als je erbij stilstaat: ‘De hele aardbol functioneert nu op basis van dezelfde economische principes: op winst gerichte productie die gebruik maakt van vrije arbeid en overwegend privaat kapitaal.’ Op ieder ander moment in de geschiedenis moest deze vorm van productie concurreren met andere systemen. Met een slaaf-gedreven economie, bijvoorbeeld, met zelfvoorzienende landbouw en tot en met 1989 met reëel bestaand communisme. De paar landen die nu buiten het kapitalisme vallen zijn geïsoleerd (denk aan Noord-Korea). China is enkel in naam nog niet-kapitalistisch. Ruim tachtig procent van de productie daar komt op het conto van de private sector.

Voor zover er nog verschillende smaken te krijgen zijn aan het ideologisch loket, zijn dat varianten van kapitalisme. De kaart beperkt zich tot wat Milanović ‘liberaal meritocratisch kapitalisme’ en ‘politiek kapitalisme’ noemt. Het eerste is met name te vinden in Europa, de VS, India en delen van Zuid-Amerika. Welvaart wordt daar verdeeld op basis van veronderstelde verdienste, en dus is er weinig reden om al te veel aan bestaande niveaus van ongelijkheid te sleutelen. De staat haalt belastingen op voor een aantal publieke diensten en misschien om lagere inkomens te ondersteunen, maar de consensus is dat deze functie zo klein mogelijk moet zijn. Hetzelfde geldt voor de mate waarin een overheid zich met de markt bemoeit: terughoudendheid wordt meer gewaardeerd dan activisme. Het idee dat de overheid productiemiddelen in handen heeft, is uit de gratie geraakt.

‘Politiek kapitalisme’ is het autoritaire broertje van het liberale model. Er is open economisch verkeer, privaat kapitaal en vrije arbeid, maar het samenspel daartussen wordt beheerst door een staatsbureaucratie die haar macht aanwendt om de winst richting vooraf aangewezen zakken te dirigeren. Bij politiek kapitalisme maakt de elite deel uit van die bureaucratie of is er nauw mee verbonden. De groep daaronder accepteert een kille transactie: welvaart en consumptie in ruil voor stilzwijgen over corruptie en autocratie. Rusland, met zijn oligarchen en pro-Poetin-middenklasse, is er een voorbeeld van, maar het archetype dat Milanović kiest voor dit model is China.

Door de twee huidige vormen van kapitalisme in de wereld met elkaar te contrasteren, levert Milanović een belangrijke bijdrage aan de vraag die Piketty zichzelf heeft gesteld, en waar ook Rousseau zich op stortte: waar komt de ongelijkheid tussen mensen vandaan en op welke manier is die te rechtvaardigen? Onder ‘politiek kapitalisme’ groeit ongelijkheid dankzij een klasse die de staat weet aan te wenden voor persoonlijk profijt. Vandaar dat lidmaatschap van de partij en een overheidsbaan zo gewild zijn in China: het is een verdienmodel dat verder reikt dan alleen een salaris.

In het liberaal meritocratisch systeem is ongelijkheid een gevolg van de manier waarop kapitaal wordt vergaard op de markt en van hoe het zich vervolgens op diezelfde markt vermeerdert. Het markante is dat de uiteindelijke uitkomsten elkaar niet gek veel ontlopen. Overal neemt de ongelijkheid toe en groeit het aandeel van het nationaal product dat naar de rijkste tien procent vloeit. In Europa is dat bijna 35 procent, in China 41 procent en in Rusland en de VS rond de 45 procent.

New York, Moynihan Station © Lucas Jackson / Reuters / ANP

Milanović zet in Capitalism, Alone een vraag op scherp: als verschillende gedaantes van het kapitalisme tot een vergelijkbaar resultaat leiden, waarom zouden we dan de een boven de ander verkiezen? De meeste mensen geven uiteindelijk de voorkeur aan liberaal meritocratisch kapitalisme omdat dit eerlijker is. Dat is het punt dat Piketty maakt in Kapitaal _en__ ideologie_: ideeën en idealen doen ertoe. Het is in eerste instantie niet de ongelijkheid zelf die bezwaren oproept, maar de wijze waarop verschillen gelegitimeerd worden – en het feit dat onder politiek kapitalisme veel meer repressie nodig is om het systeem in stand te houden, onderstreept die conclusie.

Is ‘liberaal meritocratisch kapitalisme’ daarmee een toonbeeld van rechtvaardigheid? Wel als je het vergelijkt met het bestaande alternatief. Maar Milanović laat zien dat wanneer het ‘goede’ kapitalisme wordt beoordeeld op zijn eigen uitgangspunten, het beeld minder rooskleurig uitvalt. Neem onderwijs, de arena waarin merites worden bewezen en getoetst. Tien jaar na het beëindigen van hun studie, hebben de tien procent rijkste afgestudeerden van een Amerikaanse universiteit een mediaan jaarsalaris van 68.000 dollar. Iemand van dezelfde groep met een diploma van een van de duurdere top tien-universiteiten verdient 220.000 dollar. Zijn die verschillen te verklaren vanuit de meritocratie? Is de Harvard-student ongeveer tweeënhalf keer zo slim als iemand die naar, zeg, de universiteit van Mississippi ging? Milanović heeft zijn twijfels. De hoge kosten en hoge verdiensten (die vervolgens weer gebruikt kunnen worden om de volgende generatie dezelfde cyclus te laten doorlopen) zijn ‘een manier waarop de rijkste klasse het onmogelijk maakt voor anderen om te concurreren om een positie aan te top’, schrijft hij. De intellectuele superioriteit van deze groep is een voorwendsel, bedoeld om de deuren gesloten te houden.

Nu is dit een Amerikaans voorbeeld, maar een vergelijkbaar proces speelt zich af in meer egalitaire landen. Ook daar wordt kapitaal ingezet om de eigen kinderen een voorsprong te geven in de strijd om diploma’s en banen. Wie via bijlessen en betaalde huiswerkbegeleiding ervoor zorgt dat zonen en dochters het begeerde predicaat ‘hoogopgeleid’ kunnen verwerven, doet aan dezelfde vervalsing van het meritocratische spel. Onbewust gebeurt hetzelfde op een woningmarkt waar vermogen allesbepalend is voor waar je terechtkomt, en dus voor waar je kinderen naar school gaan. Op papier zou enkel talent moeten gelden, en niet de dikte van de ouderlijke beurs.

Zo zijn er meer barsten aan te wijzen in de ideologie dat ongelijkheid simpelweg een uitvloeisel is van verschil in talent en beloning naar verdienste. Overal worden erfenissen doorgegeven aan de volgende generatie. Overal zoeken welvarenden elkaar in toenemende mate op als huwelijkspartner. Dat werkt als een verdubbelaar voor de kans om aan de bovenkant van de samenleving te kunnen leven en ervoor te zorgen dat het nageslacht geen daling doormaakt. Overal loont kapitaal meer dan arbeid. Vooral dat laatste is volgens Milanović niets minder dan het ‘systematisch falen van het liberaal meritocratisch kapitalisme’. 
Milanović excelleert in het doorprikken van de verhalen die de winnaars in de huidige economie aan zichzelf vertellen, of op papier zetten om anderen te overtuigen. ‘De bovenklasse heeft een amorele kijk op het leven’, zei Milanović toen ik hem onlangs sprak in een café in Washington D.C. ‘Niet dat ze het kwaad zijn, maar ze zien economische verdeling niet als een moreel vraagstuk. De elite gaat ervan uit dat alles wat wordt gedaan om de eigen positie te versterken in orde is, zolang het de wet niet breekt. Dat is de enige toetssteen. Als het mag, is het oké, ongeacht of het ook wenselijk is.’

Ergens leek hier Milanović’ jeugd in een communistische samenleving door te klinken. Niet omdat hij ernaar terugverlangde, maar omdat hij het kapitalisme toen zag voor wat was. ‘Hoe je het wendt of keert, geld verdienen en bezit vergaren ter bevordering van jezelf en een handvol naasten vormt de essentie van het leven in een kapitalistische samenleving’, schrijft hij in zijn boek. We moeten daarom ophouden mensen die hun geld verdienen met dubieuze praktijken en daar vervolgens een deel van weggeven ‘filantropen’ te noemen, zei hij. Evengoed is het volgens hem onzin ‘in te zoomen op een handvol altruïstische activiteiten die een mens onderneemt en ondertussen te negeren dat negentig procent van ons wakende leven wordt doorgebracht met doelmatige activiteit gericht op het verhogen van onze levensstandaard’. Louter kapitalisme, ook in het eigen leven.

Piketty en Milanović werpen zich op als hedendaagse Rousseaus die de morele basis van ongelijkheid bevragen. En net zoals Rousseaus Vertoog over de ongelijkheid deed in 1762, doen Kapitaal en ideologie en Capitalism, Alone inzien dat veel van de grote problemen in deze tijd voortkomen uit een claim op bezit. Zo staan Milanović en Piketty uitgebreid stil bij migratie, als vraagstuk dat eigenlijk niet opgelost kan worden binnen de ideologie die het huidige ongelijksheidsregime in het Westen schraagt. Er is sprake van een geboorteloterij waarbij sommigen het geluk hebben ter wereld te komen op een welvarend stuk aarde en anderen niet. ‘Burgerschapsdividend’ noemt Milanović het. Waar je wieg staat, is de belangrijkste bepalende factor voor hoe rijk je bent, en dat heeft niets te maken met meritocratie.

Geen wonder dat mensen zich over de wereld proberen te verplaatsen, denkt Milanović. Iemand die wil migreren naar een welvarender werelddeel doet hetzelfde als een investeerder die zoekt naar het meeste rendement voor zijn kapitaal. ‘Mobiliteit van arbeid moet dus net zo worden beschouwd als mobiliteit van kapitaal’, schrijft hij in Capitalism, Alone. ‘Als onlosmakelijk verbonden met mondialisering.’ Alleen: kapitaal kan vrij over de wereld bewegen, terwijl personen op beperkingen stuiten, juridisch en in toenemende mate fysiek, in de vorm van hekken en muren.

Wie, Rousseau indachtig, zich niets aantrekt van de claim die vanachter het hek wordt gemaakt, doet op zijn minst iets illegaals. In het slechtste geval wacht de verdrinkingsdood. Die situatie is niet alleen onhoudbaar, maar botst ook met uitgangspunten van liberaal meritocratisch kapitalisme, meent Milanović. Zijn voorstel is vrije migratie mogelijk te maken met tijdelijke verblijfsvergunningen. Migranten moeten wat hem betreft stapsgewijs rechten opbouwen in een verzorgingsstaat, wat in de plaats moet komen van het huidige alles-of-niets-burgerschap.

Piketty heeft zijn zinnen gezet op een nieuw systeem dat hij ‘participatief socialisme’ noemt, als middel om de alsmaar toenemende ongelijkheid onder het huidige kapitalisme af te remmen. ‘Het idee van permanent privaat eigenaarschap moet vervangen worden door tijdelijk privaat eigenaarschap’, schrijft hij in Kapitaal en ideologie. Het is een opstapje naar zijn voorstel om de kapitaallozen een groter aandeel in de samenleving te geven. Hij pleit ervoor om het bestuur van bedrijven meer in handen te leggen van werknemers en vindt dat vermogens zwaarder belast moeten worden. De opbrengsten daarvan kunnen worden gebruikt voor een basiskapitaal voor iedere burger. In plaats van het bejubelde basisinkomen, waarmee berusting in groeiende ongelijkheid maandelijks zou worden afgekocht, biedt een basiskapitaal het grote voordeel dat bij vermogen hoort: rendement. Geef het aan kinderen en het kan achttien jaar groeien om iemand als volwassene een gelijkwaardig lid van de samenleving te maken.

‘Wat is rechtvaardig eigenaarschap?’ vraagt Piketty zich af aan het einde van Kapitaal en ideologie. Het is een oude vraag, die weer gesteld wordt. Lange tijd was de aanname dat als iemand iets heeft, het hem of haar ook wel zal toekomen. De vraag is hoelang we dat nog blijven geloven.