Verdeel en eet

Kon honger vroeger nog aan slecht weer en andere natuurrampen worden toegeschreven, tegenwoordig valt het alleen aan wanbeleid te wijten. En dat is goed nieuws, want wanbeleid kan veranderen. Alleen gebeurt dat nog te weinig.
ER IS GENOEG VOOR ieders behoeften, maar veel te weinig voor ieders hebzucht, zei Gandhi, vele jaren voor begrippen als voedselzekerheid werden uitgevonden. Toch is het nog steeds een wijs woord. Over de voedselsituatie in de wereld zijn de deskundigen in zeer hoge mate verdeeld. Wetenschaps- en technologieoptimisten aan de ene kant en doemdenkers aan de andere kant produceren hoge stapels rapporten met prognoses en berekeningen die, afhankelijk van de geloofsrichting, aantonen dat er niets aan de hand is, ja dat het eigenlijk de goede kant op gaat, of juist dat de wereld op het randje van de afgrond balanceert en uitsluitend door optisch bedrog nog aardig lijkt te draaien.

Technisch gesproken verschillen de prognoses vooral doordat de optimisten zich baseren op een extrapolatie van de situatie van de afgelopen twintig jaar en de doemdenkers juist de cumulatieve effecten van het milieubederf van die jaren in ogenschouw nemen. Op het eerste gezicht lijkt dat laatste redelijk: omgehakt tropisch bos komt niet meer terug, aangetaste biodiversiteit herstelt zich niet of zeer langzaam, verwoestijnd land wordt nooit meer een vruchtbare akker, leeggeviste zeeën zijn leeg. Maar de optimisten lijken het empirisch gelijk aan hun kant te hebben. Het aantal mensen met honger in ontwikkelingslanden is sinds het begin van de jaren zeventig teruggelopen van 36 procent tot twintig procent, het absolute aantal (nu 840 miljoen) is ook teruggelopen maar vanwege de bevolkingsgroei minder spectaculair. De scherpste daling vond plaats in Azië, terwijl Afrika een steeds hoger percentage van de hongerigen herbergt. De hoeveelheid geproduceerd graan, een van de belangrijkste indicatoren voor de globale voedselsituatie, steeg van 885 miljoen ton tot bijna twee miljard. Dat betekent niet alleen dat er meer graan per wereldburger is dan ooit, maar ook dat het meer dan genoeg is om iedereen te voeden. Natuurlijk hebben mensen meer nodig dan graanprodukten, maar de ervaring leert dat graanconsumptie gepaard gaat met consumptie van ander voedsel dat voor andere voedingsstoffen zorgt. De pessimisten wijzen erop dat de groei van de graanproduktie heel snel terugloopt en dat de reserves in 1996 een historisch dieptepunt bereikten. Bovendien hebben zich de afgelopen twintig jaar met betrekking tot intensivering van de landbouw en het gebruik van meststoffen een aantal revolutionaire ontwikkelingen voorgedaan waarvan het einde nu in zicht is.
DAT ER VOLDOENDE voedsel is, wil natuurlijk niet zeggen dat iedere wereldburger ook toegang heeft tot het voedsel dat zijn of haar deel zou zijn bij een strikt gelijke verdeling van het voedsel op wereldschaal. Een ding is wel hieruit af te leiden: vandaag de dag is honger geen vraagstuk van voedselproduktie maar van voedselverdeling. Dat is een economisch en politiek vraagstuk, geen technisch. De grote hongersnoden die in de jaren zeventig de Sahellanden en Afrika bezuiden de Sahara troffen, zijn goeddeels bedwongen. Bovendien is er inmiddels deskundigheid ontstaan over hoe te handelen wanneer het toch fout gaat. De noodhulpmachine loopt aanzienlijk gesmeerder dan twintig jaar geleden.
Toch gaat het niet om die rampen; voedselproduktie zal altijd onderhevig blijven aan klimatologische omstandigheden en onverwachte calamiteiten, zeker in kwetsbare gebieden in Afrika. Natuurrampen hebben altijd ook een menselijke component. Want als de dijken hoog genoeg en goed onderhouden zijn, overstroomt het land niet ieder jaar. En of natuurrampen daadwerkelijk tot honger leiden, wordt bepaald door het bestaan van sociale vangnetten. Maar zelfs dan - wat geeft het als de wereld eens in de twintig jaar te hulp moet schieten omdat door een combinatie van droogte, misoogsten, ziekten enzovoorts een bepaald gebied met een voedseltekort kampt? Veel erger, want structureler, is de zogenaamde verborgen honger: de 840 miljoen mensen die chronisch honger lijden, niet omdat het voedsel er niet is, maar omdat ze er niet aan kunnen komen. Het begrip voedselzekerheid verwijst daarnaar. Voedselzekerheid wil zeggen dat iedereen altijd toegang heeft tot voldoende en voldoende gevarieerd voedsel om een gezond en fit leven te kunnen leiden.
Is honger of het gebrek aan voedselzekerheid dan verbonden met het gebrek aan economische groei? Niet noodzakerlijkerwijs. Honger ontstaat ook bij ongelijk verdeelde economische groei. In veel landen in Azië zorgde economische groei voor het ontstaan van een stedelijke middenklasse die iets te besteden heeft. Zij kopen meer en beter voedsel, de grotere vraag doet de prijzen stijgen. De plattelandsbewoners, die niet deelden in de verhoogde koopkracht, konden in een aantal landen de voedselprijzen niet meer opbrengen.
Vreemd genoeg zijn het altijd de voedselproducenten die het eerst problemen krijgen met de toegang tot voedsel. Zij produceren voor de export, dezelfde export die gedeeltelijk verantwoordelijk is voor de economische groei. Vaak speelt ook nog een rol dat de stedelijke elite in ontwikkelingslanden politiek veel meer stem heeft dan de arme plattelandsbevolking. En dat verstandig investeren in de landbouw veel te lang achterwege blijft - namelijk totdat een groot deel van de plattelandsbevolking haar toevlucht heeft gezocht in krottenwijken rondom de grote steden. Uiteraard kost het repatriëren van die mensen vele malen meer geld dan het tijdig ingrijpen in de ontwikkeling van de landbouw.
HET GEBREK AAN BELEID van de overheid laat zich ook voelen in Zuidelijk Afrika (Zimbabwe, Zuid-Afrika, Namibië, Botswana, Lesotho) waar landhervorming een levensvoorwaarde is voor het ontstaan van een krachtige landbouwsector. De klassieke verdeling van de grond - van oudsher de vruchtbare gebieden voor een kleine groep blanken en de droge, moeilijk te ontwikkelen grond voor de meerderheid van de zwarten - is nog steeds springlevend en maakt een bestaan op het platteland voor de laatste groep een hoogst onaantrekkelijke zaak. Bovendien hebben de blanken een Europese vorm van landbouw ingevoerd die lang niet altijd gedijt op het Afrikaanse continent. Gevolg is een zware ecologische aantasting van landbouwgebieden in Zuidelijk Afrika. Of om het anders te zeggen: hele delen van Namibië, Zimbabwe en Botswana zijn in onvruchtbare halfwoestijnen veranderd. Voornaamste oorzaak is dat de traditionele voedingsmiddelen van Zuidelijk Afrika - gierst en sorghum, die zich goed laten verbouwen op droge grond - door de kolonisatoren werd vervangen door maïs. Twee derde van de akkers in Zuidelijk Afrika staat vol met maïs, dat het bij de eerste beste tegenvaller als regenval of droogte begeeft. En uiteraard heeft ook oorlog een negatief effect op de voedselzekerheid.
Falend overheidsbeleid, sociale ongelijkheid en gebrek aan moderne landbouwtechnologie - allemaal oorzaken van het veel te langzaam dalen van het aantal mensen dat honger leidt. Maar de grootste boosdoeners in dit verband zijn toch de Europese Unie en, in mindere mate, de Verenigde Staten en Japan. Op eenzame hoogte als het gaat om de oorzaken van honger, met name in Afrika, staat het Europese landbouwbeleid. De grootste ramp richt dit beleid aan in de Sahellanden, waar veetteelt de meest rationele vorm van voedselproduktie is. Het vee kan goed tegen de droogte en loopt weinig ziektes op en de vegetatie levert voldoende duurzaam voedsel. Die veeteeltsector, waar in een land als Burkina Faso de meerderheid van de bevolking van leeft, is in West-Afrika door het dumpen van rundvleesoverschotten uit Europa zo goed als vernietigd. Waar dat, behalve voor Europese boeren, eigenlijk goed voor is heeft nog nooit iemand kunnen uitleggen, maar via onwaarschijnlijk hoge subsidies wordt bevroren Europees rundvlees op de Afrikaanse markt goedkoper aangeboden dan lokaal rundvlees. De EU spendeert tweehonderd miljoen gulden per jaar om van een partij vlees af te komen die op de markt zestig miljoen gulden opbrengt. Het verhaal gaat dan ook dat de Europese handelaar zich helemaal niet bekommert over de vraag of de Afrikaanse importeur de rekening wel zal betalen; hij wil alleen het bewijs dat het vlees op de plaats van bestemming is aangekomen om daarmee de exportsubsidie te kunnen incasseren. Europa exporteert de laatste jaren slechts tussen de 0,5 en 0,8 procent van de totale rundvleesproduktie naar Afrika, maar dat is net zo veel als de totale export van Mali en Burkina Faso samen.
De Afrikaanse veehouders waren vooral actief op de regionale markt, maar zij produceerden ook voor kustlanden als Ghana en Ivoorkust. Ze verkochten het vee daar levend, want ze liepen er gewoon met de kudde naartoe. Toen ze niet meer konden verkopen, leidde dat op de kwetsbare grond tot overbegrazing. En vanwege hun nomadisch bestaan waren de veehouders ook niet in staat om in enig land politiek zoveel invloed uit te oefenen dat regeringen een einde maakten aan het openstellen van de markt voor de dump vanuit Europa.
Het dumpbeleid gaat gepaard met importbeperkingen aan de grenzen van Europa voor produkten uit ontwikkelingslanden en, voor de economische ontwikkeling nog slechter, met oplopende importheffingen naarmate een produkt meer bewerkt is. Juist de bewerking van ruwe produkten zou werk kunnen scheppen in ontwikkelingslanden, en dat wordt op deze manier effectief ontmoedigd.
Alle terechte kritiek op de vrije marktwerking en het marktdenken ten spijt, is voor verreweg de meeste ontwikkelingslanden aansluiting op de wereldmarkt de enige begaanbare weg. Zelfvoorziening op het gebied van voedsel is alleen maar een optie voor landen die heel erg groot zijn, over een zeer gevarieerd landbouwareaal beschikken, zelf de technologie bezitten om dat areaal effectief te kunnen benutten en een economische ontwikkeling hebben doorgemaakt die het mogelijk maken dat voedselproducenten op de lokale markt voldoende geld voor hun waren krijgen om in hun onderhoud te voorzien. Dat is vrijwel nergens het geval. Maar ontwikkelingslanden zijn kwetsbaar op de wereldmarkt. De Europese Unie levert een zeer negatieve bijdrage aan het functioneren van de wereldmarkt door van tijd tot tijd grote overschotten op de markt te brengen. Daardoor zijn de prijsschommelingen enorm en onvoorspelbaar en is er nooit sprake van een enigszins verzekerd inkomen voor boeren in ontwikkelingslanden.
DE HONGER VAN VANDAAG is dus het gevolg van beleid, nationaal en internationaal, en dat is in zoverre goed nieuws dat beleid ook kan veranderen. Dat gebeurt ook wel. Op het platteland van de Sahellanden vormen kleine stenen gebouwtjes nu een steeds terugkerend beeld in het landschap. En die kleine simpele schuurtjes met een hangslot zijn in hoge mate de reden dat de hongersnoden uit de jaren zeventig tot het verleden behoren. Het zijn graanschuren. Het grootste probleem in de Sahel was dat de boeren geen tegenvallende oogst konden opvangen. Bovendien was en is voor hen de periode kort voor de nieuwe oogst het moeilijkst te overbruggen; het geld en het voedsel van de vorige oogst zijn immers op. Vaak verkochten ze dan de komende oogst voor veel te lage prijzen aan speculanten. Om het later voor veel te hoge prijzen weer terug te moeten kopen om iets te eten te hebben. Het graan in de schuurtjes is een verzekering voor een tegenvallende oogst, en kan gebruikt worden om de laatste periode voor de nieuwe oogst te overbruggen.
De Gatt-onderhandelingen komen steeds meer in het teken te staan van het afbouwen van importbeperkingen en exportsubsidies. Ook de exportsubsidies van de EU voor West-Afrika zijn de afgelopen jaren met ongeveer dertig procent verminderd. Niet genoeg, maar wel een begin.
DE HONGER VAN NU kan met beleid uit de wereld worden geholpen, maar hoe zit dat in de toekomst? De wereldbevolking groeit momenteel met negentig miljoen mensen per jaar, en 1996 was het eerste jaar waarin die groei niet hoger was dan alle voorgaande jaren maar enigszins afnam. Er is een onomkeerbare tendens tot stabilisering van de wereldbevolking: de vraag is alleen wanneer en op welk niveau. De meest gehanteerde prognose van de Verenigde Naties is dat de wereldbevolking zal groeien tot - afhankelijk van het gevoerde beleid, onder andere op het gebied van anticonceptie - tussen de 7,8 en 12,5 miljard in 2050.
Kunnen zo veel monden op een behoorlijke manier gevoed worden en zullen die monden ook gevoed worden? Daarover gaat het hevige debat waarvan sprake is aan het begin van dit verhaal. ‘Zeker wel’, zo stellen de optimisten; 'de mogelijkheden van de technologie zijn nog lang niet uitgeput, er is wereldwijd nog steeds een enorm oppervlak aan bruikbare landbouwgrond, in sommige continenten kan de landbouw nog geïntensiveerd worden. En wie weet, komt er nog wel een tweede groene revolutie aan.’
De doemdenkers, van wie Lesly Brown - directeur van het gezaghebbende World Watch Institute - de meest uitgesproken representant is, weten zeker van niet. In zijn jaarlijkse rapporten geeft Brown de redenen waarom het misloopt. Hij gelooft niet dat er nog technologische doorbraken in zicht zijn. De optimisten stellen dat er voor de produktie van tien ton graan maar één hectare grond nodig is. Die produktie wordt echter alleen in Noordwest-Europa gehaald; in Zuid-Europa haalt men van een hectare maar twee tot drie ton graan. En intensivering van de landbouw heeft grote effecten op het milieu, met name op de biodiversiteit.
Brown ontleent een deel van zijn pessimisme aan het teruglopen van de graanproduktie de laatste jaren, terwijl andere wetenschappers van mening zijn dat dat eenvoudig komt door het teruglopen van de koopkrachtige vraag. Daar hebben ze waarschijnlijk gelijk in, maar dat betekent nu ook weer niet dat de produktie oneindig verhoogd kan worden. Dat geldt met name - daar is iedereen het wel weer over eens - voor de visserijsector. De zeeën worden leeggehaald en dat valt niet meer te herstellen, maar de technologieadepten zien grote mogelijkheden in visteelt. Ook het ontstaan van zoetwaterschaarste en verzilting wordt wereldwijd gezien als een bedreiging van de voedselproduktie, maar tevens wordt er op dit moment zo verschrikkelijk veel water verspild dat het gebruik van technologie een heleboel speelruimte kan opleveren.
Het landbouwareaal wordt wereldwijd kleiner door allerlei oorzaken, waarvan uitputting van de grond door overmatig gebruik van meststoffen en pesticiden niet de onbelangrijkste is. In de rijkere landen in Azië gaat ook veel landbouwgrond verloren door industrialisatie en verstedelijking. Dat is echter een probleem dat zich in sommige gebieden meer voordoet dan in andere en het teruglopen van de voedselproduktie op de ene plaats kan, zo menen de optimisten, gecompenseerd worden door toename van de produktie op andere plaatsen. Dat klopt, maar het eindeloos transporteren van voedsel levert een bijdrage aan weer een ander milieuprobleem: de uitstoot van kooldioxyde, het broeikaseffect.
Ten slotte kan er nog veel bereikt worden door een andere aanwending van voedsel. In het Noorden wordt vier vijfde van de graanoogst aan het vee gevoerd. Een heel klein beetje minder vlees produceren levert graan op als voedsel voor tienduizenden mensen.
EN ZO IS DE CIRKEL dan weer rond: het uitbannen van honger nu, maar ook in de toekomst, zal afhangen van beleid. Talloze problemen doemen daarbij op, maar de twee grootste struikelblokken worden gevormd door de manier waarop de wereldmarkt nu functioneert en door het verheerlijken en nastreven van steeds meer consumptie, diep verankerd in het bewustzijn van de meerderheid van de wereldbevolking.
De vrije wereldmarkt functioneert pas als redelijk verdelingsmechanisme als ze echt vrij is en dus ontdaan van de tolmuren van de machtigen, en als ze gepaard gaat met andere vrijheden. Vrijheid van vergaderen en verenigen (vakbonden), vrijheid van politieke participatie (democratie) bijvoorbeeld. Want die vrijheden brengen de maatschappelijke mechanismen op gang die de schadelijke effecten van de vrije markt kunnen verzachten. De markt versterkt ongelijkheid tussen landen, en binnen die landen tussen groepen. In de marktideologie wordt ongelijkheid gezien als motor van economische voortuitgang, maar extreme ongelijkheid is juist een van de grootste bedreigingen voor duurzame ontwikkeling.
Dat is geen echo van begraven ideologieën for the old times sake; dat is een feit dat door onderzoek op alle continenten wordt geschraagd. Extreme ongelijkheid en dus extreme armoede van bepaalde groepen leidt tot onveilige steden, tot aanslagen op het milieu door arme boeren die zich geen milieubewustzijn kunnen permitteren, tot het wegvallen van sociale cohesie, tot het uitbreken van epidemieën, tot een asociale klasse van rijken en een instabiele economie waarbij het snelverdiende geld vaak wordt geëxporteerd en zelden wordt geïnvesteerd. Het leidt tot een moreel onaanvaardbare situatie maar ook tot verspilling van arbeids- en ontwikkelingspotentieel.
In een situatie van extreme ongelijkheid is voedselzekerheid bijna niet te realiseren. Gratis (geïmporteerd) voedsel voor de armen dupeert de lokale voedselproducenten - het is heel moeilijk om het ten goede te laten komen aan degenen die het nodig hebben en het bederft de markt. Extreme ongelijkheid maakt het moeilijk om de voedselprijzen te verhogen; ook al is er een flinke groep mensen die dat best kan betalen, de armen worden er onevenredig door getroffen.
Ten slotte wacht de gecompliceerde taak van het terugdringen van de overconsumptie, met name in de rijke landen. Er is nog geen begin van een inzicht hoe dat zou moeten. Het milieubewustzijn mag dan zijn toegenomen, alle economische en maatschappelijke mechanismen belonen het 'meer’ van ongeveer alles. Zelfs het objectieve ANP-nieuws opent met de boodschap dat het goed gaat als ze bedoelen dat er sprake is van economische groei. Consuminderen is hooguit morele plicht, nooit voor de lol. En het is een zaak van individuen - geen overheid die er zijn vingers aan brandt. Duurzame voedselzekerheid, dat wil zeggen voedselzekerheid ook voor de komende generaties, vereist heel wat meer dan een beetje minder hier of daar. Vooral omdat bij het uitblijven van een echte cultuuromslag alle Chinezen en alle anderen in arme landen straks inderdaad een koelkast en een auto willen. En net zo veel vlees als wij.
Maar een economie van het genoeg lijkt niet alleen cultureel ver voorbij de horizon, er is ook niemand die weet hoe dat vorm zou moeten krijgen. Een aantal jaren geleden maakte de fotograaf Peter Menzel het boek The Material World. Hij vroeg in tientallen landen aan zomaar een gezin om al hun bezittingen om zich heen te verzamelen voor hun huis en maakte daar een foto van. Het resultaat is bij tijd en wijle hilarisch. Het Amerikaanse gezin is op de foto bijna niet meer te vinden; het gaat onder in een zee van spullen, die, gedeeltelijk omdat ze lukraak zijn neergezet, geheel van hun functie lijken te zijn beroofd. Het andere uiterste is een foto van een gezin in Bhutan dat omringd is door wat potten en pannen, een paar afbeeldingen, wat gereedschap en voor ieder een extra stel (prachtig bewerkte) kleren voor feestelijke gelegenheden. Ergens daartussen ligt ongetwijfeld de grens tussen de behoeften en de hebzucht waar Gandhi het over had. Maar waar?
Een maatschappelijk en politiek wereldwijd debat over die vraag, gekoppeld aan een krachtige, overtuigde en evenzeer wereldwijde bestrijding van sociale ongelijkheid, dat zijn de factoren die - meer dan alle technologie - beslissen over het aantal mensen dat in de toekomst met een lege maag gaat slapen.