Monumenten der schande in Duitsland

Verder kijken dan ‘de twaalf jaar’

Rondom Duitse oorlogsmonumenten heeft zich een grimmig debat ontsponnen over de last van de ‘Duitse schuld’. Is dat alleen een politiek steekspel van de AfD?

Medium anp 54861922
Dresden, 6 februari. De opbouw van Monument, een verwijzing naar de oorlogsverwoestingen in de Syrische stad Aleppo, van de Syrisch-Duitse kunstenaar Manaf Halbouni © Robert Michael / AFP / ANP

AfD-politicus Markus Frohnmaier, met 26 jaar een van de jongste leden van de nieuwe Duitse Bondsdag, scrollt snel langs zijn vele Facebook-posts, tot hij de foto gevonden heeft die hij wil laten zien. Hij staat er zelf op, met een grote bloemenkrans – voor een oorlogsmonument. Het is op zich niet vreemd dat Duitse politici plechtig bloemenkransen leggen, maar dit is toch net wat anders. Frohnmaier legt namelijk niet, zoals gangbaar is, bloemen voor de sláchtoffers van Duitse daders. De politicus van de nieuw-rechtse AfD legt zijn krans voor gevallen Duitse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog, de overgrootvaders van de gewone Duitsers van nu, en ook: de ‘daders’.

Frohnmaier heeft vorige maand speciaal een monument voor zijn actie uitgezocht, en stuurde er daarna een persbericht over uit. Hij pleit erin voor meer aandacht voor ‘Wehrmacht-soldaten en burgers die slachtoffers van bommenterreur, honger en brutale misdaden zijn geworden’.

En dat thema ligt in Duitsland altijd weer moeilijk, omdat het net iets te vaak door extreemrechts is misbruikt. Frohnmaier weet dat, en zijn chef, AfD-partijleider Alexander Gauland, weet dat ook. Toch riep ook Gauland in september op tot meer officiële waardering voor de prestaties van Duitse soldaten in de Tweede Wereldoorlog. Hij zei: ‘Als de Fransen terecht trots op hun keizer zijn en de Britten op Nelson en Churchill hebben wij het recht trots te zijn op de prestaties van Duitse soldaten in twee wereldoorlogen.’

De opwinding van journalisten en politici uit andere partijen golfde tot over de landsgrenzen. Want waarom zei Gauland dat? Waarom zei hij niet gewoon ‘trots op Luther’ of ‘Schubert’ of desnoods de Duitse ‘auto-industrie’?

Frohnmaier kan ‘natuurlijk niet voor Gauland spreken’, zoals hij vandaag meermaals zegt, maar denkt wel te weten wat de AfD-leider bedoeld heeft: het gaat de AfD erom de Duitse ‘identiteit’ positief in te vullen, en dat betekent ook een andere blik op het oorlogsverleden. De nadruk ligt namelijk te veel op de schuld, vindt de AfD. Of, zoals Frohnmaier, berucht om zijn provocatieve tweets, het vandaag diplomatiek formuleert: ‘We hebben de cultuurpolitieke opgave genuanceerd met de oorlog om te gaan.’ De AfD vindt daarom dat er een scheiding moet worden gemaakt tussen het ‘regime’ van de nazi’s en de ‘soldaten’ die ervoor vochten; het eerste keurt de partij af, maar de tweede mogen voor delen van hun prestaties geëerd worden.

Een flinke sigaar ligt op een porseleinen standaard voor de jonge AfD-politicus, af en toe steekt hij hem op. Over de ‘Duitse schaamte’ gaat het vandaag, de omgang met de Duitse schuld in de officiële ‘Erinnerungskultur’ van het land. Frohnmaier, tevens voorzitter van de Junge Alternative, de jongerenafdeling van de AfD, heeft als plek voor het interview een rookkamer in een sigarenhandel uitgekozen.

De tijd lijkt in dit deel van het oude West-Berlijn te hebben stilgestaan, maar dat is schijn. De rookkamer bevindt zich niet ver van de Gedächtniskirche op de Breitscheidplatz, dat bekendste oorlogsmonument van de hoofdstad, maar sinds vorig jaar ook de plek van een terroristische aanslag door een asielzoeker uit Tunesië. En voor de AfD staan de twee thema’s – de omgang met het oorlogsverleden en met islamitisch terrorisme – dicht bij elkaar.

Hoe politiek explosief het zogeheten ‘herdenkingsbeleid’ daarmee opnieuw is geworden, werd begin dit jaar voor het eerst echt duidelijk. De bekende AfD-politicus Björn Höcke hield op 17 januari in Dresden een toespraak bij de Junge Alternative. De toespraak lanceerde Höcke direct tot de beruchtste ‘rechtsbuiten’ van de partij. De meeste opwinding ontstond over één zin. ‘Wij Duitsers’, zei Höcke, ‘zijn het enige volk ter wereld, dat een monument der schande in het hart van zijn hoofdstad heeft geplant.’ Höcke verwees hiermee naar het Holocaustmonument, dat sinds 2005 direct naast de Brandenburger Tor staat, een paar honderd meter van het parlement verwijderd.

Buitenlandse commentatoren loven het land omdat het nadrukkelijk geen symbolen van nationale trots of militaire macht in het politieke centrum heeft opgericht; Höcke beklaagt juist de afwezigheid van dergelijke patriottistische symboliek. De voormalige geschiedenisdocent pleitte daarom voor een ‘omslag van 180 graden in het herdenkingsbeleid’. Fel oreerde hij: ‘In plaats van jonge generaties in contact te brengen met de grote weldoeners, de bekende filosofen, de musici, de geniale ontdekkers en uitvinders (…) wordt de Duitse geschiedenis belachelijk gemaakt.’

Justitie onderzocht of Höcke’s opmerking over de ‘schande’ strafbaar was, de AfD distantieerde zich tijdelijk van hem. Maar de woede van nieuw-rechts over de ‘schande’ is sindsdien niet opgehouden. ‘Schuldkult’ – schuldcultus – is een begrip dat er vaak bij opduikt. Het begrip is al ouder, maar onder diverse AfD’ers en leden van de activistische Identitaire beweging is het nu wijd verspreid geraakt. Het is bedoeld als kritiek op een vermeende ‘collectieve schuld’ die de hedendaagse Duitse samenleving zou worden aangepraat. Deze Duitse ‘schaamte’ voor zichzelf zou ervoor zorgen dat er niet over problemen met minderheden, zoals geïmporteerd terrorisme, mag worden gesproken. Zoals een twitteraar het op #Schuldkult formuleert: ‘Door de schuldcultus die er in Duitsland in is geramd, worden de Duitse slachtoffers van het terrorisme op de Breitscheidplatz verzwegen.’

Zit Duitsland gevangen in een ‘schuldcultus’? De rookdampen in de sigarenhandel kringelen blauw de lucht in. Een paar heren zijn vlak bij de AfD-politicus in fauteuils gaan zitten. Frohnmaier, die als publiek spreker graag op retorisch geweld inzet, dempt zijn stem. ‘De generatie van 1968 had het tot haar hoofdopgave gemaakt om op de schuld van de oorlogsgeneratie te wijzen’, zegt hij. En natuurlijk, bezweert hij, het is ‘goed dat Duitsland zo bewust is’ van zijn fouten, dat heeft het land volwassen gemaakt. Maar, vindt Frohnmaier, men is daarin te ver gegaan. De ‘maat’ is verloren gegaan, het is ‘te extreem geworden, zoals altijd in Duitsland’.

Het geschiedenisonderwijs aan scholieren wordt volgens hem bijna uitsluitend beperkt tot dat wat ‘de twaalf jaar’ wordt genoemd: 1933-1945. De positieve kanten van de Duitse geschiedenis, zoals het naoorlogse Wirtschaftswunder of de hereniging, worden weggemoffeld. Dat is slecht, juist voor de integratie van minderheden, vindt Frohnmaier, ‘want niemand kan zich identificeren met een land dat zich met misdaden identificeert’. En hier is hij dan bij het belangrijkste argument gekomen waarom hij zich anno 2017 inzet voor de nagedachtenis van gevallen soldaten van zeventig jaar geleden. Het is deel van zijn actuele politieke boodschap van Duitse Leitkultur tegenover de moslims: ‘Aan de manier waarop een volk met zijn doden omgaat, herkent men de waarde van een christelijke cultuur uit het Avondland.’

Höcke: ‘Wij Duitsers zijn het enige volk dat een monument der schande in het hart van zijn hoofdstad heeft geplant’

De actuele ideologische debatten over nationale identiteit in Europa en Amerika hebben daarmee een ‘typisch Duitse’ invulling gekregen: de oorlogsmonumenten, die de laatste jaren alleen nog voor geritualiseerde herdenkingsbijeenkomsten gebruikt leken te worden, zijn weer politiek beladen geworden.

Vier uur rijden van Berlijn, midden in een van de meest idyllische stukjes Oost-Duitsland, het dorpje Bornhagen in Thüringen, heeft het huidige ‘Schuldkult’-debat zijn meest concrete frontlinie gekregen. Hier staan sinds november 2017 twee politieke extremen tegenover elkaar. Aan de ene kant: een groepje hoofdstedelijke ‘kunst-activisten’ onder de naam Zentrum für politische Schönheit (zps). Aan de andere kant: een groepje dorpelingen, aanhangers van AfD-politicus Björn Höcke, dat hier woont. Inzet: een reeks betonnen stenen die aan het Holocaustmonument in Berlijn moeten herinneren.

De stenen staan opgesteld in de tuin die direct grenst aan het grondstuk waarop de mooie houten boerderij van Höcke staat. Het zps heeft maanden in stilte aan de actie gewerkt, vanaf het moment dat Höcke zijn beruchte opmerking over het monument maakte. Men huurde het grondstuk, en bouwde onder een zeil een replica van het Holocaustmonument – met een minder groot oppervlak dan het origineel, maar met even grote betonblokken. Höcke, de man die het Holocaustmonument als ‘monument der schande’ betitelde, moet van de zps-activisten dagelijks geconfronteerd worden met deze schande. De kunstenaars vinden dat ze hiermee een teken zetten tegen de ‘sluipende normalisering van het fascisme in Duitsland’.

De actie zorgt voor een explosieve situatie in het dorp. De eerste aanvallen ‘met bivakmutsen en getrokken messen’ van de kant van de Höcke-aanhang hebben ‘slechts door een gelukkig toeval geen gewonden opgeleverd’, meldt het zps. De dorpelingen op hun beurt zien zichzelf als de slachtoffers van ‘terroristen’, ‘die Höcke met rust moeten laten’.

De woede in Bornhagen is al weer de tweede politieke rel rond een hedendaagse artistieke interpretatie van een oorlogsmonument dit jaar. In Dresden had de 33-jarige Syrisch-Duitse kunstenaar Manaf Halbouni op uitnodiging van de burgemeester een tijdelijk oorlogsmonument onthuld. Halbouni had drie oude autobussen rechtop neergezet, en vlak voor de in 2005 gerestaureerde Frauenkirche opgesteld.

Voor Halbouni, die tien jaar terug van Damascus naar Dresden verhuisde, was het kunstwerk Monument in eerste instantie een verwijzing naar de oorlogsverwoestingen in de Syrische stad Aleppo. Maar tegelijk, zegt hij, waren de bussen ook bedoeld als een reactie op de huidige Duitse Erinnerungskultur. De onthulling was niet voor niets op 13 februari, de herdenkingsdag van de burgerslachtoffers van de geallieerde bombardementen op Dresden.

De Duitse herdenkingsrituelen zijn volgens Halbouni slechts politieke instrumenten geworden waar veel ‘krokodillentranen’ worden gelaten. Als kind van een Duitse moeder en een Syrische vader kwam Halbouni vroeger elke zomer in de Saksische hoofdstad. Hij kon zich daarom nog uitstekend de ruïne van de Frauenkirche herinneren, als gevolg van de oorlogsbombardementen. Inmiddels is de binnenstad een ‘superschoon decor geworden, een Disneyland’.

Halbouni vond dat zijn bewust ongepolijste oorlogsmonument daar een ‘breuk’ mee moest vormen. Hij wil de aandacht vestigen op het echte leed dat burgers in oorlogen overkomt. ‘Ik wil niet rechts of links zijn, maar de slachtoffers herinneren – juist nu, in deze labiele fase van de samenleving, juist voor de jonge generatie, van wie de meesten niet meer weten wat oorlog is.’

Zijn kunstproject kreeg alleen een volledig andere uitwerking. De opening werd verstoord door AfD-aanhangers. Ze riepen ‘Schande’, een directe verwijzing naar Höcke’s toespraak over het ‘monument der schande’ een paar dagen eerder. Halbouni zou de Frauenkirche, en daarmee Dresdens wederopstanding, bezoedelen. De Junge Alternative beschuldigden de burgemeester ervan met het kunstwerk de Duitse ‘Schuldkult’ te willen voeden. Het werk Monument moest door de politie beschermd worden.

De opwinding laat zien hoe de huidige polarisering de Erinnerungskultur in zijn greep heeft. ‘Het lijkt of we tien jaar terug zijn gevallen’, zegt Léontine Meijer-van Mensch, Nederlands historica, en sinds begin dit jaar directeur museale zaken van het Joods Museum (JM) in Berlijn. Ze bedoelt ermee dat Duitsland de grote debatten over de knellende last van de oorlogsschuld al lang achter zich leek te hebben. 2006 geldt hierbij als symbolisch jaar, het jaar van het bekende ‘Sommermärchen’, het EK-voetbaltoernooi in Berlijn, toen vrolijk Duits vlagvertoon ineens geen angst voor extreem-rechts meer opriep. Zelfs in links-liberale kringen werd er zonder veel problemen gesproken over de weldaden van een nieuw ‘positief patriottisme’.

In diezelfde tijd groeide de belangstelling voor andere delen van de Duitse geschiedenis, ook voor de ‘positieve aspecten’ ervan. In 2012 hield het Duitse staatshoofd Joachim Gauck de toespraak op Bevrijdingsdag in Breda, als eerste Duitse president. In een interview vooraf vertelde hij de Volkskrant dat ‘een natie in zichzelf moet kunnen geloven, en ook moet verinnerlijken wat haar in positieve zin gelukt is’.

De herdenking rond de oorlog werd in die jaren uitgebreid. De AfD doet inmiddels alsof ze het thema de ‘Duitser als slachtoffer’ als eerste aanspreekt, maar al vanaf 2003 is er meer officiële aandacht gekomen voor de bombardementen op Duitse steden en voor de Duitse Vertriebenen uit Oost-Europa na 1945. In 2010 besloot de staat een groots museum in Berlijn over deze ‘Flucht und Vertreibung’ te bouwen, dat in 2019 geopend dient te worden.

‘Ik ben blij dat zulke stemmen naar boven komen. Ik heb het liever openlijk dan verborgen, dan kunnen we in debat gaan’

De ‘Duitse schaamte’ leek overwonnen. Maar nog geen vijf jaar later is de zwaarte ervan weer terug, en al die thema’s – van positief patriottisme tot de publieke verwerking van Vertriebenen – zijn onderdeel van een nieuw politiek steekspel geworden. Links wijst op het fascistische potentieel van de AfD, en wantrouwt elke relativering van het oorlogsverleden. AfD-politicus Frohnmaier vindt op zijn beurt juist dat links ‘de Erinnerungskultur perverteert’ door te zeggen dat Duitsland vanwege zijn oorlogsschuld ‘een historische verantwoordelijkheid heeft’ tegenover vluchtelingen.

De vraag is alleen: is dit ‘Schuldkult’-debat eigenlijk méér dan een tijdelijk politiek gevecht – houdt het gewone burgers écht bezig? Ja, denkt Léontine Meijer-van Mensch van het JM. ‘We dachten dat het thema voorbij was, maar het lijkt erop of er in de samenleving toch een onderstroom is die dat emotioneel vindt – of beter gezegd, een maalstroom; je moet natuurlijk weer uitkijken dat het niet als een klassen-kwestie wordt opgevat.’

Meijer-van Mensch wordt in haar werk direct door de nieuwe politieke debatten beïnvloed. ‘We hebben het er in het museum veel over. Bondsdagleden komen traditioneel vaak bij ons met groepen voor een rondleiding. Dus na de verkiezingen vroeg de persvoorlichting van de Bondsdag: hoe moet dat nu met de AfD? Ja natuurlijk doen we die ook, zei ik, en ik wil potverdorie zelf voor hen de rondleiding geven.’

Ze ziet in het politieke debat namelijk ook voordelen. ‘Ik ben blij dat door de AfD dit soort stemmen naar boven komen. Ik vind het natuurlijk niet goed, en ook beangstigend, niet alleen in Duitsland. Maar ik heb het liever openlijk dan verborgen, dan kunnen we erover in debat gaan.’ Want al maakt de polarisering het moeilijk nuchter over het thema Erinnerungskultur te spreken, Meijer-van Mensch denkt wel ‘dat het klopt, dat de opvatting van de Duitse geschiedenis te veel beperkt blijft tot “de twaalf jaar”’. Meijer-van Mensch: ‘Mijn museum speelde daar natuurlijk een grote rol in sinds de opening in 2001, maar nu zijn we zeventien jaar verder.’

Ze bedoelt daarmee dat de Duitse Erinnerungskultur steeds opnieuw geactualiseerd moet worden. De nadruk op de ‘twaalf jaar’, op de ‘schuld’ past niet meer; het JM wil ook niet alleen het ‘holocaust-museum’ zijn. ‘Het is tijd om verder te gaan, het postkoloniale thema komt naar Duitsland, het Vertriebenenmuseum wordt gebouwd. Al die ontwikkelingen geven mij ook ruimte om te experimenteren, om andere wegen in te gaan.’

De actualiteit zal meer in het centrum van haar beleid komen te staan. ‘Ik ben niet zo naïef te denken dat de holocaust niet van belang is, de link met verleden zal er altijd zijn, maar het gaat er vooral om hoe we met dit verleden omgaan in een postmigrantische samenleving.’ Een van de plannen is daarom een grote tentoonstelling te maken over joods leven in Berlijn nu: wat heeft het oorlogsverleden met de actuele identiteit van jonge joden in Berlijn te maken?

De Nederlandse Meijer-van Mensch hoopt daarbij als buitenstaander, als ‘inhoudelijke nar’, makkelijker moeilijke thema’s aan te kunnen spreken. Ze hoopt dat er later over haar wordt gezegd ‘dat die mevrouw heeft bijgedragen aan de “normalisering” van de omgang met de Duitse geschiedenis’.

Ook de Syrisch-Duitse kunstenaar Manaf Halbouni pleit voor een actualisering van de Erinnerungskultur. Ook hij denkt dat hij als buitenstaander ‘bepaalde niveaus kan aanspreken’ die de Duitsers zelf moeilijk kunnen bereiken. Zo ziet hij niet in waarom de Duitsers niet gewoon ‘trots’ op het eigen land kunnen zijn. Die trots voelt hij ook. ‘Denk maar aan het Wirtschaftswunder.’ Maar: trots op de naoorlogse periode sluit het besef van oorlogsleed niet uit, zegt hij. ‘Je kunt de twaalf jaar niet uitvlakken.’

De AfD’er Markus Frohnmaier ziet zichzelf ook als een moedige buitenstaander, minder belast dan ‘gewone Duitsers’. Hij is als baby door Duitsers geadopteerd, stamt oorspronkelijk uit Roemenië, zijn vrouw is Russin, ‘met veel vrienden in Tel Aviv’. Opvallend genoeg sluit hij op het eerste gezicht ook aan bij de ideeën van het Joods Museum. Ook Frohnmaier wil ‘vooruitkijken in plaats van terugblikken’.

De consensus over de aanpassing van de Erinnerungskultur houdt daar echter wel op. Want de meningen verschillen sterk over de invulling ervan. Meijer-Van Mensch kiest voor de dialoog, tussen links-liberaal en AfD, en tussen joden en moslims. Bij de komende expositie over ‘joodse identiteit nu’ werkt het museum samen met een school in Kreuzberg, waarvan de leerlingen voor negentig procent uit migranten bestaan, voornamelijk moslims. Ook wil ze met hen een busreis naar Saksen organiseren, het AfD-bastion, om de vraag naar de hedendaagse identiteit ook daar voor te leggen.

Frohnmaier is ook geïnteresseerd in ‘joodse jongeren die nu in Berlijn leven’, zegt hij, maar hij bedoelt dat alleen wel in combinatie met zijn eigen islamkritische boodschap. ‘Linkse politici vergelijken óns met nazi’s, maar ze kunnen beter iets doen zodat jonge joden zich weer veilig in deze stad voelen; de laatste jaren is het aantal antisemitische aanvallen van moslims in de stad vreselijk toegenomen.’ In dat kader is hij ook kritisch op het Holocaustmonument: ‘Voor men honderdduizenden euro’s uitgeeft aan verdere monumenten kan men beter geld uitgeven om de in Duitsland levende joodse burgers te beschermen.’ Tegelijk pleit hij wel voor nieuwe oorlogsmonumenten, als ze beter bij de eigen boodschap passen.

Frohnmaier zet zich in voor een monument voor de Luftwaffe-piloot Erich ‘Bubi’ Hartmann. Hartmann schoot in de Tweede Wereldoorlog honderden militaire vliegtuigen neer, vooral van de Russen en een paar van de Amerikanen. Hij stierf in 1993 in Frohnmaiers huidige kiesdistrict. Een vaderlandse held, vindt hij, geschikt voor zijn boodschap van positief patriottisme. ‘We zullen hem een eervol aandenken geven – plaatsvervangend voor de velen die in de oorlog voor Duitsland hun leven hebben gegeven.’

Het ziet ernaar uit dat de strijd om de Erinnerungskultur nog maar net is begonnen.