Essay: Tussen wetten en praktische bezwaren

Verder met de gentechnologie

In de huidige biotechnologische revolutie zijn wetten en praktische bezwaren nodig. Maar de echt belangrijke vragen mogen niet aan sussende biologen en twijfelende politici worden overgelaten.

Een kenmerkend verschil tussen een filosofisch werk en een literaire roman is het volgende: als je de plot van een roman verraadt, zoals op flapteksten en in recensies nogal eens gebeurt, dan doe je de lezer geen plezier. Denk aan de aflevering van Monty Python waarin de bibliothecaris een bezoeker tot wanhoop drijft door bij het afstempelen genadeloos de dader te noemen uit iedere Agatha Christie die de leesgierige aandraagt. Zelfs als hij uit armoede een boek over de Tweede Wereldoorlog pakt, snerpt de bibliotheek medewerker nog snel: ‘We won!’

Heel anders is dat met de plot van een filosofisch of wetenschappelijk boek. Als je die verraadt, doe je de lezer een plezier. Filosofie en wetenschap kosten meer inspanning en zijn minder vrijblijvend. Er wordt een stelling in geponeerd. De lezer wordt opgewekt zich daartoe expliciet te verhouden, terwijl je bij een roman alleen maar hoeft te genieten. Er is dus een grotere wilsinspanning nodig en het verraden van de plot kan dat motief leveren. Voorkennis is in deze dus erg profijtelijk en bovendien volstrekt legaal.

Francis Fukuyama’s De nieuwe mens. Onze wereld na de biotechnologische revolutie is een filosofisch boek over een verstrekkend onderwerp. Laat mij de plot verraden.

Fukuyama maakt een momentopname van de wetenschappelijke en politieke discussies over gentechnologie en vertelt ons wat we moeten doen en laten.

Doen: gentherapie, prenatale diagnostiek en abortus.

Laten: het klonen van mensen en het aanbrengen van modificaties in de kiembaan van embryo’s.

Deze voorschriften wenst Fukuyama zonder enige ambivalentie opgenomen te zien in nationale wetboeken en internationale verdragen. Wereldwijde regulering is noodzakelijk, ook voor die gevallen waarin gentechnologie aantoonbaar een zegen is. De liberaal Fukuyama meent, zoals bekend uit eerdere boeken, dat sociale segregatie door de staat moet worden getemperd. Wetgeving moet voorkomen dat alleen bevoorrechte kasten van de voordelen gebruik kunnen maken. Deze zaken spelen zich af in de gebodsfeer.

Voor zover gentechnologie ook mogelijkheden in zich heeft waarvan wij de gevolgen niet kunnen overzien, is de noodzaak van staatsingrijpen nog sterker. Juist als we niet weten wat de impact van iets is, dienen wij het principle of precautiousness toe te passen en met open vizier de verbodssfeer binnen te treden. Het doorslaggevende argument voor het verbieden van klonen en modificeren van mensen, is de overweging dat er beslissingen worden genomen die niet ongedaan kunnen worden gemaakt door volgende generaties.

De elegantie van Fukuyama’s besluitvaardigheid is dat de politieke gemeenschap weet wat haar te doen staat: ‘Het is de democratisch gevormde politieke gemeenschap, voornamelijk opererend via haar gekozen vertegenwoordigers, die voor deze zaken met de hoogste macht is bekleed en die de bevoegdheden heeft om het tempo en het bereik van de technologische ontwikkeling onder controle te houden. […] Hoewel er in onze tijd allerlei problemen zijn met de democratische instellingen, van het lobbyen voor speciale belangen tot populistische aanstellerij, zijn er geen duidelijk betere instellingen voorhanden die de wil van de bevolking op een eerlijke en wettige manier tot uitdrukking kunnen brengen.’

Fukuyama sluit zich hiermee aan bij Sir Winston Churchill die in 1948 zei: ‘It has been said that Democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.’ En die is het op zijn beurt weer eens met Montesquieu, de naamgever van de onvolprezen Trias Politica, die ten slotte Machiavelli volgt, die ongeveer vijfhonderd jaar voor Fukuyama al vaststelde dat de democratische republiek empirisch aantoonbaar de meest stabiele staatsvorm is en dat een volk dat daaraan eenmaal heeft geroken, die vrijheid nooit meer volledig zal opgeven.

Daar zijn elf vooraanstaande politicologen in NRC Magazine (4 mei 2002) niet gerust op. Ik geef een paar descriptieve uitspraken: ‘Onze democratie is flauwekul’, ‘De partijen hollen de democratie uit’, ‘Het parlement is een stempelmachine’, ‘Democratie komt er niet aan te pas’, ‘We leven op de automatische piloot’, ‘U zit in de senaat om ja of ja te zeggen’ en ‘In het parlement wordt nooit eens getierd’. Er wordt zelfs gesproken over ‘de illusie van democratie’ en ‘de onmacht van de kiezer’.

Onmacht van de kiezer? Illusie van democratie? Dat is zwaar overdreven. Nederland had tot nu toe ongelooflijk bereikbare parlementariërs, staatssecretarissen en ministers – ik hoop dat daar door de dood van Pim Fortuyn geen einde aan komt. Af en toe een parlementaire enquête is een teken van een krachtige democratie, niet van verval. Als je een mening hebt, zeg dan niet je partijlidmaatschap op, zoals veel mensen doen, maar wend je juist tot de politiek. De besluiteloze kiezer heeft ervoor gezorgd dat de politiek is ontaard in een Milgram-experiment: geef studenten een knopje waarmee ze medestudenten pijn kunnen bezorgen en ze drukken er net zolang op tot het slachtoffer er dood bij neervalt. Precies zo dreigt de zwevende kiezer via polls en graadmeters met trouwbreuk, waardoor politici – met name de paarse ‘regenten’ – zich in alle bochten wringen om iets te zeggen dat bij ons zou kunnen aanslaan.

Wij beleven de terreur van mensen die géén mening hebben en misschien zijn we dat wel allemaal. In Correct, weldenkend Nederland sinds de jaren zestig heeft Herman Vuijsje beschreven waarom we sinds de Tweede Wereldoorlog liever geen mening dan een foute mening hebben. Zijn analyse van onze collectieve schaamte is nog steeds uitstekend. Maar tegelijk wordt duidelijk dat je narigheid niet voorkomt door géén mening te hebben.

Dat wil niet zeggen dat het gepolariseerde debat waar iedereen op het ogenblik zo’n heimwee naar heeft de oplossing zou zijn. We moeten een stap verder. Een debat is maar het halve werk, zeker als we er zelf niet aan deelnemen. En een debat is pas nuttig als het iets oplevert; in het democratische bestel is dat wet- en regelgeving. Wij zijn zo gek op debat dat wij het niet meer als middel, maar als doel op zich zijn gaan beschouwen. Een pittig debat is hooguit de helft van de besluitvorming ten behoeve van wet- en regelgeving. Ongoing debate = besluiteloosheid.

Er zijn tendensen in het Nederlandse politieke klimaat die ons besluiteloos houden, maar daaraan toegeven is net zo misdadig als het democratisch vertoog afbreken met pistoolschoten. Iedereen moet zijn eigen besluiteloosheid doorbreken en de zaak niet overlaten aan anderen. Dat geldt voor politieke onderwerpen, maar zeker ook voor gentechnologie.

Er is echter nog een andere vorm van institutionele besluiteloosheid: de wetenschappelijke. Het wetenschappelijk bedrijf is tot in het diepst van zijn wezen doordesemd met twijfel. Wetenschappers zijn er heel goed in om toe te geven dat ze iets niet weten en bij nader inzien is dat de kern van hun bezigheid. Natuurwetenschap dient zichzelf dagelijks te vernieuwen. De genetica wordt voortgestuwd door talloze professionals in laboratoria, de backoffices van onze onderzoeksinstituten. Voor die professionals is iedere uitkomst van onderzoek een aanleiding voor verder onderzoek, daar komt nooit een einde aan. Bovendien hebben alle afzonderlijke wetenschappers van Karl Popper de opdracht gekregen om elkaars bevindingen op de pijnbank te leggen. Wetenschap is daarom veel eer een vorm van georganiseerde twijfel dan een leverancier van waarheden.

Daarmee moeten we terdege rekening houden als we worden geconfronteerd met wetenschappelijke resultaten. Via de uitgiftebalies, de frontoffices van onderzoeksinstituten, verlaten vele bevindingen de beslotenheid van het laboratorium en beginnen – op een wel heel letterlijke manier – een eigen leven. Denk daarbij aan de reacties die het bij de ontvangers oproept: onbevangen nieuwsgierigheid naar de stroom wonderbaarlijkheden die de relatief jonge genetische wetenschap naar boven brengt, hoop op middelen om onze levensomstandigheden te verbeteren, de vrees voor mogelijkheden die onze omstandigheden verslechteren. De afnemers zijn: studenten microbiologie, wetenschapsjournalisten, het publiek, politici en verder iedereen die het maar wil horen.

Wetenschap leeft bij openbaarheid. Iedereen die iets wil weten kan in grote vrijheid aan inzicht komen. Altijd wordt erbij gezegd: ‘Er moet nog veel onderzoek worden gedaan. We zijn er nog niet. Dit zijn de voorlopige bevindingen.’ Maar niet alleen voorlopige kennis verlaat de laboratoria. Er zijn ook gentechnologische producten te koop, of technieken om die zelf te vervaardigen. Die zijn niet voorlopig, maar werkelijk. Het probleem is hier dat het veel moeilijker is om aan de benodigde informatie te komen. Deze gang van zaken wordt beheerst door bedrijfsmatige processen en overheidsregulering. De toepassingen zijn niet vrij beschikbaar omdat er geld mee is gemoeid. De toepassingen zijn gepatenteerd, net als alle andere uitvindingen die het bedrijfsleven gaande houden. Patenten zijn rationele geheimen waar paradoxaal genoeg niks geheimzinnigs aan is. Maar we moeten wel beseffen dat ‘productiviteit’ het sleutelwoord is; er worden dingen voortgebracht. En als je wilt weten wat er gaande is, is de informatie niet vrij beschikbaar.

Ondanks al deze onzekerheden pleit Fukuyama geen moment voor het stilleggen van wetenschap, juist omdát de kennis verre van compleet is en tegenstrij dige gevoelens oproept. Hij streeft net als iedereen van nature naar kennis en als rechtgeaarde Amerikaan vreest hij niets zozeer als de vrees zelf. Iedereen die Fukuyama’s boek wil verpletteren met het argument dat hij redeneert als de bevindelijke boeren van weleer, die vreesden dat de langspuffende stoomtrein de melk van hun koeien zou doen verzuren, mist de pointe van zijn onderneming. Fukuyama wil eenvoudig de betrokkenheid van wetgevers versterken en ook die van vrijwel alle ministeries die al bij het proces zijn betrokken.

Ook de aard van het wetenschappelijk bedrijf als geïnstitutionaliseerde twijfel hoeft niet te worden gewijzigd. Je moet alleen beseffen dat de wetenschap geen beslissingen neemt en dat de politieke gemeenschap dat zelf moet doen. Fukuyama: ‘Wetenschap kan zelf niet de doelen vaststellen waarvoor ze werkzaam is. De wetenschap kan vaccins en behandelingen voor ziektes ontdekken, maar ook ziekteverwekkers produceren; ze kan de fysica van halfgeleiders blootleggen, maar ook de fysica van de waterstofbom.’

Als wetenschappers zich over gentechnologische toepassingen uitlaten, zijn ze in dezelfde positie als wij: die van de al dan niet weldenkende burger. Bij de stap van ‘zo zit dat’ naar ‘zo moet dat’ zitten we allemaal in hetzelfde schuitje. Goede biologen beseffen dit onderscheid zeer wel en zijn gaarne bereid de stand van zaken in te brengen in politieke overwegingen over de toepassing ervan. Maar er zijn ook enthousiaste onderzoekers die menen dat ze al genoeg worden gereguleerd en die verdere inmenging afwijzen. Zij brengen je in verwarring door te suggereren dat je een bangelijke theoloog bent met een onverwerkt concentratiekampsyndroom. Zulke argumenten kun je gewoon naast je neerleggen. Dergelijke biologen zijn niet geschikt om bij te dragen aan onze democratische plicht. Evenmin moet men zich laten afschrikken door genetici die bij Barend en Witteman zeggen dat je je zorgen maakt om niks. Sussende woorden beginnen altijd met de wetenschappelijke uitsprak ‘we weten er nog heel weinig van’, maar daaruit wordt vervolgens afgeleid dat wij onze mooie hoofdjes niet hoeven te breken over eventuele nare gevolgen.

Dat soort irritant paternalisme staat haaks op Fukuyama’s project, en dat geldt ook voor onze luiheid als we alle verantwoordelijkheid voor de langdurige besluiteloosheid alleen bij de politici leggen. Hoop en vrees voor gentechnologie is een actueel probleem. Het wantrouwen tegen de democratie maakt het probleem alleen maar erger.

Maar het antwoord is zo oud als de woorden van Immanuel Kant: ‘Onmondigheid is het onvermogen om zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Men heeft die onmondigheid aan zichzelf te wijten wanneer de oorzaak ervan niet ligt in een gebrek aan verstand, maar in een gebrek aan besluitvaardigheid en moed. Sapere aude! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken! Dat is het devies van de Verlichting.’