Verdoemd zijt gij!

Er is een meisje vermoord. Marianne Vaatstra heette ze, zestien jaar oud. Ze was op vrijdagavond in Kollum naar de disco geweest en niet meer thuis gekomen.

Een week later trekt een stille stoet van vijftienduizend mensen door haar woonplaats Zwaagwesteinde. Voor de huizen van het Friese dorp hangen de vlaggen halfstok. De vader van Marianne houdt een toespraak waarin hij zijn dochter vergelijkt met een niet ontknopte bloem. Haar vrienden hebben witte balonnen uitgedeeld. De deelnemers waarschuwen voor zinloos geweld en de vader van Meindert Tjoelker loopt ook mee. Er zijn sprekers. De directeur van de plaatselijke mavo waarschuwt voor de geweldsspiraal: zal die ‘na Tjoelker, na Gorinchem’ dan nooit ophouden? Iemand houdt een bord omhoog met daarop de tekst: 'Meindert, Marianne, wie volgt?’ Wat is er aan de hand? Nadert de beschaving dan toch haar einde? Stort de westerse wereld zich richting 2000 in een poel van verderf? Eerder lijkt er sprake van een duivelsuitdrijving. De onschuld van het vermoorde meisje wordt massaal gevierd. Ook dit geweld was zinloos, want in 1999 is alle geweld zinloos. Toch wordt gepoogd het een plek te geven. Want het komt van buiten de goede gemeenschap: langs een eenzaam landweggetje werd Marianne gevonden. Een familie en een supermarkt hebben al een bedrag gezet op het hoofd van de demon die dit heeft gedaan. Een concurrerende supermarkt kon niet achterblijven en deed er nog een schepje bij. De burgemeester van Zwaagwesteinde richtte zich tot de moordenaar zelf: 'Hoe haal je het in je hoofd om zo'n onschuldig meisje op zo'n beestachtige wijze te vermoorden? Hoe durf jij je medemensen nog onder ogen te komen?’