Politiek sonnet

Verdonk

Wie zoekt asiel, vindt zielig onderdak:

een doorgangshuis naar toekomstloos gehucht.

Wie hier gezeteld is uit daar zit op

als hond, maar mag niks en krijgt niks dan lak.

Vertrouwen in de politiek door ’t putje.

Op het banier van recht lezen we wreed.

Als ik van de asielzoeker straks vreet

weet ik: Verdonk, wat was je toch een trutje.

Ik demonstreer met velen, maar alleen.

Want veel te weinig. Weer. Weer is te goed.

Voor wie? Wolkbreuk van angst. Angst ruikt naar bloed.

Ik ruik de mensen. Hun lucht ruikt obsceen.

Naar weltevreden. Va en moe verwent ze.

Zoek hier, zoeker asiel — niemand kent ze.