TENTOONSTELLING

Verdorvenheyt

Batavia

Naast het museum Nieuw Land in Lelystad ligt de replica van de Oost-Indiëvaarder Batavia. Die is daar tussen 1985 en 1995 gebouwd, naar voorbeeld van het gelijknamige VOC-schip dat in het najaar van 1628 van de rede van Texel vertrok en in juni 1629 verging bij de Houtman Abrolhos-eilanden, ten westen van Australië. Het is een formidabel schip, statig, stevig en ruim; toch zal elke bezoeker die benedendeks gaat zich afvragen hoe ’t in vredesnaam mogelijk is dat zich voor die eerste reis niet minder dan 341 mensen hebben ingescheept, waaronder 38 vrouwen en kinderen. Dat moet wel tot spanningen geleid hebben, zou je denken, en dat is ook zo. De verhoudingen op het schip tussen de schipper (Jacobsz) en de VOC-opperkoopman (Pelsaert) waren al bij het vertrek ernstig verstoord. Op instigatie van Jacobsz werd een muiterij voorbereid, maar omdat Pelsaert na de Kaap ernstig ziek werd hielden de muiters hun kruit nog even droog. Juist toen hij opkrabbelde en de kwestie weer acuut werd, liep het schip aan de grond. Jacobsz en Pelsaert zeilden met 43 man in een sloep naar Batavia; toen Pelsaert drie maanden later met een ander schip terugkeerde om de lading en de gestrande bemanning te redden bleek dat de muiterij had doorgezet. Van de 197 schipbreukelingen waren er 115 vermoord. Zeven muiters werden ter plekke berecht en gehangen; van de aanvoerder, ene Jeronimus Cornelisz, werden ook nog de handen afgehakt.
Het museum geeft in een levendige opstelling een overzicht van die eerste reis en wat er mis ging. De bezoeker, zeker de jongere, wordt uitgedaagd een en ander als een forensische speurtocht te benaderen, compleet met QR-codes, en dat is heel aardig in elkaar gezet. Daarbij is uitzonderlijk materiaal te zien uit het maritiem museum van Perth, waar een deel van de opgedoken lading wordt bewaard.
Het verhaal van de reis en de muiterij werd gedocumenteerd door de opperkoopman, Pelsaert, in een gekleurd verslag. De stranding is geheel de schuld van schipper Jacobsz, die een dronkenlap en een verkrachter wordt genoemd, maar de slachting op de eilanden wordt toegeschreven aan die merkwaardige Cornelisz, nota bene onderkoopman van de VOC, aan boord de derde in rang. Hij zou in zijn borst een ingekanckerde verdorvenheyt hebben gehad en allerlei ketterse Epicureense, oft Torrentiaanse opinies. En omdat Cornelisz ter plekke was geëxecuteerd konden de heren in Batavia en Amsterdam daar verder geen nader onderzoek naar doen. Een jaar later was ook Pelsaert dood en het dossier ging dicht. Het verhaal is om allerlei redenen fascinerend. Ten eerste omdat er geen spoor van een verklaring is hoe deze Cornelisz, een berooide apotheker uit Haarlem, tot zijn bloedig bewind is gekomen. Het is goed mogelijk dat de zaken anders lagen en dat hij door Pelsaert met terugwerkende kracht tot kwade genius is verklaard. Er was niemand die dat wilde tegenspreken - zeker de schipper niet, die in Batavia was gearresteerd en geluk had dat hij het er levend afbracht. In het boek Batavia’s Graveyard van Mike Dash wordt verondersteld dat Cornelisz doopsgezind was en ‘mogelijk’ in zijn jeugd in Friesland beïnvloed door een radicale apocalyptische sekte. Voor het eerste is geen bewijs, voor het tweede al helemaal niet.
Maar als hij geen godsdienstwaanzinnige was, wat was hij dan? De geschiedenis van de Batavia is dan een Lord of the Flies-verhaal en contrasteert scherp met de godsvrucht en standvastigheid van types als Barentsz of de scheepsjongens van Bontekoe. Die komen vooral voort uit de negentiende-eeuwse christelijk-nationale heldenverering die doorklonk in Balkenende’s notoire opmerking over de VOC. Het Batavia-verhaal laat zien dat de mannen die in die vroege zeventiende eeuw naar Indië voeren vooral keiharde opportunisten waren, met nauwelijks een half ons moraal, onmiddellijk bereid voor eigen gewin hun medelanders de keel af te snijden.

Schipbreuk: De noodlottige reis van de Batavia. Museum Nieuw Land, Lelystad, t/m 28 oktober.www.nieuwlanderfgoed.nl,www.schipbreukbatavia.nl