Verdriet

Ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw sprak men over depressie. Daarvoor over verdriet. Sommigen waren verdrietig en kenden de reden daarvan niet. Ze bleven de hele dag in bed en huilden. Ze waren door hun verdriet in een merkwaardige gevangenis gezet. Men kreeg straf zonder iets te hebben gedaan.

Verdriet omdat je leefde. Tranen omdat je bestond. Dodelijke vermoeidheid die maar niet dodelijk wilde zijn. Ontembare gedachten over verlossing, genezing, einde. Je probeerde je gedachten wel met een zweep tot de orde te roepen, maar je bleek niets te voelen.

Maakte het uit toen verdriet ‘depressie’ werd?

Er waren artsen, psychologen en psychiaters die je serieus namen. Je kreeg valium, lithium, Librium, Prozac, Xanax – en niets hielp echt. Je merkte dat je klaarkwam, zonder orgasme. Dat orgasme was lucht. Je vond dat het best je depressie symboliseren. Je erectie weigerde het juiste te voelen.

Verdriet werd naar de achtergrond verdrongen ten faveure van depressie.

Verdriet is thans aan een herwaardering toe.

Verdriet – de oude artsen hebben gelijk – heb je, in tegenstelling tot een depressie, niet zomaar. Je hebt altijd verdriet om iets. Een mens kan bijvoorbeeld verdriet om het leven hebben.

Mijn verdriet is ouderdomsverdriet. Je weet dat je nutteloos bent, en je krijgt daar ook telkenmale de bevestiging van. Je bent een alfa-aap op een apenrots zonder bèta’s, want iedereen is op de kale rots uitgestorven. Zo’n aap huilt. Hij huilt om eenzaamheid, omdat hij niet meer in de mode is, omdat zijn spel gespeeld is en hij bij de verliezers hoort. De bèta-epauletten zijn van zijn vacht gescheurd.

Dat is geen depressie. Dat is verdriet.

Verdriet ook om de zinnen die uit je hoofd verdwijnen, om de woorden die je wel ziet, maar niet kunt pakken, die je wel hoort, maar niet kunt nazingen, die je wel wilt uitspreken, maar er komt niks. Je glimlacht, maar om je onkunde nog wat charme te geven.

‘Je gaat toch niet weer over depressie schrijven?’

‘Nee, over verdriet.’

Waren we niet mislukt, dan was het nog erger om te sterven

Ontroering is eveneens verdriet.

Schoonheid verwoordt als je ouder bent wat je bent kwijtgeraakt. Het toont je een vreemde vorm van verlies; de volmaaktheid blijkt een volzin die alleen jij kunt begrijpen en dan oplost. Jij alleen ziet iets, hoort iets, voelt iets en het verdwijnt als je zintuigen het contact ermee verliezen.

Schoonheid.

Onlangs pleegde een vriend van ons zelfmoord omdat hij te diep in de schulden zat. Hij bleek een schuld te hebben van een paar miljoen. Er was geen mogelijkheid voor hem om het terug te betalen. Zijn failliet was een te zwaar kruis voor hem.

Hij vond zijn leven mislukt.

Ik ken dat, al hoop ik daar wat blijmoediger mee om te gaan.

Mijn vader zei eens: ‘Goed beschouwd is ieders leven een mislukking.’ Het is een zin waaraan ik me optrek. Hij klopt. Een schrijver kan een mooi boek schrijven, maar verder diep ongelukkig zijn. Een architect kan een waardevolle brug ontwerpen, maar een vrouw krijgen lukt hem maar niet. Mislukt zijn is de kern van ons bestaan. Waren we niet mislukt, dan was het nog erger om te sterven.

Op de begrafenis van onze vriend was ook zijn hond.

Nee, nu geen sentimenteel verhaal over dat de hond jankend op de kist ging liggen. De hond – die Joop heette – kwispelde overal vrolijk langs. Hij was ongevoelig voor welke sfeer ook. Hij zat, lag en stond op de juiste momenten. Hij kreeg dan ook steeds lekkers. Tijdens het troostend koffiedrinken vroeg ik wat er met Joop ging gebeuren.

Niemand wist het. Ze zouden hem naar het asiel brengen. (Wat uiteindelijk niet is gebeurd.)

Joop kende geen verdriet.

Hij kende honger.

Hoe hij na de crematie een bak brokken opslobberde ontroerde mij diep.