Commentaar: staatswiet

Verdriet om de staatswiet

Sinds 1 september is de Nederlandse staat officieel drugsdealer, en wel in marihuana voor medisch gebruik, ook wel «staatswiet» geheten. De organisatie is in handen van het Bureau Medicinale Cannabis (BMC) van het ministerie van Volksgezondheid, dat exclusieve contracten heeft afgesloten met twee telers in het Westland en in Veendam. De «mediwiet» — die fungeert als pijnstiller en spierverslapper — mag alleen worden voorgeschreven aan terminale kanker- en aids patiënten en aan mensen die lijden aan multiple sclerose, het syndroom van Gilles de la Tourette of aan chronische zenuwpijnen.

Op zich is het verheugend dat de Nederlandse staat na jaren van weifelen en delibereren durft te breken met de steeds hysterischer trekjes krijgende «war on drugs» die vanuit Washington DC wordt gevoerd. Toch roept de huidige handelwijze vragen op.

Enerzijds erkent de staat marihuana nu als medicijn. Maar als dat zo is, waarom dit relatief zeer goedkope en nota bene geheel natuurlijke medicijn niet opgenomen in het ziekenfonds? Zouden die vele tienduizenden prozac-gebruikers ook niet evengoed zijn gebaat bij een dagelijks kopje wietthee? En hoeveel geld zou daar wel niet mee kunnen worden bespaard, om nog maar te zwijgen van de voordelen op het gebied van de volksgezondheid?

Het monopolie op de medicinale wietteelt dat de staat zich heeft toegeëigend druist lijnrecht in tegen alle richtlijnen op het gebied van medicijnontwikkeling. Normaal is het zo dat medicijnen — zodra het patentrecht op de ontwikkeling ervan is verstreken — door iedereen mogen worden geproduceerd. Het ministerie van Volks gezondheid stimuleert de ontwikkeling van die veel goedkopere «generieke medicijnen» de laatste jaren zeer nadrukkelijk, juist met het oog op het belang van zowel de staat als de patiënt. Waarom zou daar in het geval van «mediwiet» een uitzondering op moeten worden gemaakt?

Tot overmaat van ramp wordt de kwaliteit van de «staatswiet» door kenners omschreven als «abominabel». De gevraagde prijs staat in geen enkele verhouding tot de bedragen die worden gehanteerd in het bloeiende circuit van «thuistelers» van nederwiet. Alle reden dus om ook hier het mechanisme van de vrije markt te introduceren.

Het is niet de eerste keer dat de Nederlandse staat een poging doet tot monopolisering van een segment van de drugsmarkt. In de negentiende eeuw verdienden koning Willem I en zijn Nederlandse Handel Maatschappij kapitalen aan het staatsmonopolie op de opiumhandel in Nederlands-Indië. Die episode behoort niet tot de meest glorieuze momenten van de Nederlandse geschiedschrijving.

Er is geen enkel redelijk motief aan te voeren om die tijd nu nog eens dunnetjes over te doen met de staatswiet.