Verdriet van vijftigers

In haar roman ‘De dijk waarlangs we lagen’ weet Fleur Bourgonje de essentie van de melancholie te raken.

‘WE’D GO DOWN to the river/ And into the river we’d dive/ Oh down to the river we’d ride…’ Vet en melancholisch bezingt Bruce Springsteen in het nummer 'The River’, op de gelijknamige dubbelelpee (1980), de man die terugblikt op zijn jeugddromen van weleer. Dat hij de velden in scheurde in de auto van zijn broer, samen met zijn Mary, en dat ze dus die rivier in doken. Maar ja, zij raakt in verwachting. En dan repeteert zich toch weer de geschiedenis en moet hij de fabriek in. 'Now all them things that seemed so important/ Well, mister they vanished right into the air/ Now I just act like I don’t remember/ Mary acts like she don’t care.’
Springsteen zat in mijn hoofd toen ik de nieuwe roman van Fleur Bourgonje las, De dijk waarlangs we lagen. Ik had nog nooit eerder een roman of verhaal van haar gelezen, terwijl zij al sinds 1985, toen zij debuteerde met de roman Spoorloos, publiceert met de regelmaat van bijna een boek per jaar. Ik associeerde haar naam met reisliteratuur, of met verhalen die zich afspelen in verre continenten, een genre waarmee ik zogezegd 'niets heb’.
In De dijk waarlangs we lagen ligt het centrum van dramatisch handelen echter in een bij uitstek vaderlandse omgeving, namelijk Hollandsche Rading. Het is de woonplaats van ene Pieter, programmamaker bij de radio, die het idee heeft opgevat zijn schoolvrienden van weleer uit te nodigen voor een reünie. Dat hij op die gedachte kwam, zegt iets over zijn gemoedsgesteldheid. Net vijftig geworden ziet hij zichzelf afstevenen op een eenzame gang naar de ouderdom. Hij verlangt naar de verbondenheid van weleer. Daarbij heeft hij de hoop stof te kunnen putten uit zo'n reünie voor een radiodocumentaire. Stiekem zal hij de gesprekken van zijn oude vrienden met een cassetterecorder opnemen. 'Ze moeten hem hun levens vertellen opdat hij het zijne begrijpt en er een uitzending over kan samenstellen. (…) Ze mogen niet weten dat hij hun gesprekken op zal nemen, ook hun antwoorden op de vragen die hij zo achteloos mogelijk zal stellen, ook hun lachen, hun hoesten, hun hijgen.’
Acht vijftigers, die elkaar voor het laatst zagen toen ze achttien waren, komen op een zomerse zondag bijeen. Hun laatste geza menlijke uitje was een vaartochtje over het IJsselmeer. Ze lagen langs de dijk, te praten, te vrijen, te dromen. Johan, Gerbrand, Cecilia, Klara, Marietje, Pieter, Joost, Ada. Ze dachten een verbond voor het leven te hebben, maar hun levens waaierden alle kanten uit. De ene helft sloeg aan het reizen en vestigde zich in Australië of in Afrika, de andere helft zocht het dichter bij huis en stichtte een gezin, of deed pogingen daartoe.
De reünie als middel om een verhaal op gang te brengen is even afgezaagd als spannend. De impact ervan is vergelijkbaar met de reünie in real life. Ga je wel, om tot de ontdekking te komen dat de tijd onachterhaalbaar is, ga je niet, om het heden nooit aan het verleden te kunnen toetsen - de uitkomst is dezelfde: vertwijfeling, zo niet somberte. Reünies zijn in zekere zin voorspelbaar omdat ze nooit dat zijn wat ze beloven te zijn, namelijk 'leuk’. Literair gezien biedt de reünie ongekende dramatische mogelijkheden, maar zoals dat voor meer van die dijenkletsers geldt, op de manier waarop het een en ander wordt uitgewerkt komt het des te meer aan.
FLEUR BOURGONJE schreef een erg mooi, beheerst en melancholiek boek dat mij niet voor niets aan een nummer uit mijn eigen vervlogen tijden deed denken. Zij put de literaire mogelijkheden van het thema uit, zonder voorspelbaar of plat te worden. Daarbij schrijft zij een mooi, geserreerd Nederlands, dat precies en poëtisch tegelijkertijd is.
De roman valt in drie delen uiteen. Het middelste deel, waar het zwaartepunt ligt, vertelt de afzonderlijke geschiedenissen van de reünisten. In enkele bladzijden beschrijft Bourgonje totaal verschillende atmosferen: die van de vrouw die dicht bij huis is gebleven en zes kinderen heeft gebaard ('Wat klinkt “Ada!” anders dan “Moeder!” Wat is de a een veel lichtere klank dan de oe. Alsof de a door de lucht vliegt en de oe niet van de grond loskomt’), van de man die sinds jaar en dag hetzelfde traject aflegt met zijn veerpont en zich verbaast over de honkvastheid van postduiven ('Waar om komen ze terug, waarom vliegen ze niet verder naar het zuiden, waarom strijken ze niet neer in een zonnige streek in plaats van in een kooi’), van de prototypische immigrant ('Vreemdelingen beginnen altijd bij het begin. Ze moeten zichzelf bewijzen’) en van de edelsmid die oneindig creatief de verlangens van anderen omzet in sieraden en ondertussen zelf aan de schimmen uit haar verleden is blijven hangen.
Aan de reünie zelf wijdt Bourgonje uiteindelijk weinig woorden, maar het is een bevredigende hoeveelheid. Foto’s worden uitgewisseld, van de kinderen, de huizen, de vakanties. 'Maar uit gevels valt niets op te maken, uit een skihut evenmin, en kinderen en kleinkinderen van vreemden vertonen altijd gelijkenis’, noteert de schrijfster fijntjes. Even subtiel laat ze de blik van weleer botsen met de werkelijkheid van nu. 'Hij herinnert zich nog hoe kwetsbaar ze in het gras van de dijk bij Enkhuizen lagen, hij had de tijd stil willen zetten zodat niemand hen aan zou raken, pijn zou doen, open zou scheuren, hij wilde dat het leven hen alle vier heel zou laten; de jongens mochten schrammen en littekens krijgen, de meisjes moesten zo gaaf blijven als ze waren.’
Initiator/programmamaker Pieter blijft met de lege flessen achter, om tot de slotsom te komen dat die ultieme documentaire er niet in zit. 'Er zijn levens die ik niet kan monteren. Er zijn levens die ik kwijt ben geraakt.’
In geïsoleerde vorm komen de citaten niet tot hun recht en lijken ze misschien loodzwaar. Het bijzondere van deze roman is dat allerlei introverte bespiegelingen, waarvan ik over het algemeen snel genoeg heb, binnen het bestek van het verhaal vanzelfsprekend en dus verteerbaar zijn. Fleur Bourgonje weet de essentie van de melancholie te raken, net als Springsteen dat doet op zijn manier. 'Now those memories come back to haunt me/ They haunt me like a curse/ Is a dream a lie if it don’t come true/ Or is it something worse,/ That sends me/ Down to the river/ Though I know the river is dry.’