Vallotton

Verdwaald

Het Van Gogh Museum verdient lof voor de manier waarop het bekende en minder bekende kunstenaars van rond de vorige eeuwwisseling naar Nederland haalt.

Medium kunst

Allemaal – Alma Tadema, Leighton, Sickert, Picasso, Kandinsky, Stevens – hebben ze íets te maken met de context waarin Van Gogh en zijn werk zich bevonden, en ook Felix Vallotton past in het rijtje: hier is iemand die Vincent weliswaar niet gekend kan hebben, daar hij al dood was toen Vallotton een beetje op streek kwam, maar die in één oeuvre duidelijk maakt hoe groot in die jaren de mogelijkheden waren voor een kunstenaar met ambitie en ook hoe groot, navenant, de verwarring. Vallotton, uit het keurige Lausanne, belandde in Parijs. Het duurde even voor hij zijn academische scholing kon loslaten om een eigen weg te vinden; een weg die hij later weer verliet om te verzanden in een doelloze, geestloze, onbegrijpelijke praktijk.

Vóórdat Vallotton in de schilderkunst de weg kwijtraakte was hij een maker van houtsneden die in één woord briljant zijn. Het zijn meestal scènes uit het burgerlijk alledaagse: een overspelig paar in een salon, een fluit spelende man met kat, wandelaars overvallen door een stortbui, theaterbezoekers op weg naar hun koets. Ze hebben veel van doen met de Japanse manier van houtsnijden, ze lijken ook wel wat op de krantenkarikatuur – Hahn, Braakensiek – of zelfs het stripverhaal – ik moest denken aan Little Nemo en Dream of the Rarebit Fiend van Winsor McCay (1904) – maar ze staan op zichzelf. Razend knap zijn ze: in L’Argent, uit de serie Intimités (1898), is vijf zesde van het oppervlak zwart. Het zwart omvat ook het pak van een meneer die met een dame in het wit bij een balkondeur staat. Waarover spreken zij? Geld? Het is allemaal doodsimpel maar tegelijkertijd ontspint zich een complete novelle. De tentoonstelling laat zien dat Vallotton die scènes ook met verf in kleur kon uitvoeren; het beste zijn de kleine interieurs, waar net als in de houtsneden de grotere volumes (een bank, een tafel) tot één monochroom vlak zijn teruggebracht. Naakte vrouw zittend op een rode stoel (1897) is een klein meesterwerk.

Maar als u de tentoonstelling naar de bovenste verdieping vervolgt, ziet u op de direct tegenoverliggende wand vijf of zes schilderijen die zó sterk onderling verschillen dat ze wel van vijf of zes verschillende kunstenaars lijken te zijn. Daar begint die verwarring. Zo Vallotton als schilder ergens bij hoorde, dan waren het de Nabis, een groep schilders waaronder Bonnard, Denis en Vuillard en het lijkt mij dat hij een paar jaar lang een bestendige koers voer. Met name in zijn landschappen, die ook al zo merkwaardig tweedimensionaal lijken, zoals in De bal (1899). Maar herejee, wat er vervolgens loskomt is verbijsterend. Vallottons naakten zijn plat en lelijk en zijn kleuren onbegrijpelijk bot; zijn mythologieën volkomen overspannen. Ze lijken postmodern, maar dat zijn ze niet. Hij kón schilderen – zie zijn stillevens, of zijn portret van Gertrude Stein (1907) – maar waar hij in zijn kleine houtsneden volmaakt greep heeft op vorm én verhaal, daar raakt hij dat in zijn grotere schilderkunst volkomen kwijt. Het is niet eens surrealistisch te noemen. Het is de koortsdroom van een verspild, verkwist, verward, verdwaald kunstenaarschap.


Félix Vallotton: Het vuur onder het ijs, Van Gogh Museum, Amsterdam, t/m 1 juni; vangoghmuseum.nl

Beeld: Felix Vallotton, De gezondheid van de ander (Intimités IX), 1898 (Van Gogh Museum).