Verdwaald in een bos van tijd

De grootse poëzie van Tranströmer niet te na gesproken, had voor mij de Nobelprijs evengoed naar Lars Gustafsson mogen gaan; het was de bekroning geweest van een completer werk dat zowel veel goede poëzie als romans, verhalen, essays en filosofische studies omvat. Van hem is veel vertaald; en vroegere romans als Het eigenlijke relaas over de heer Arenander en De dood van een imker zouden wel eens herdrukt mogen worden.

Er is een nieuwe roman vertaald, waarvan de titel in zoverre misleidend is dat de mooie Italiaanse ingenieur, getrouwd met een Zweedse ingenieur, slechts een bijrol vervult in het levensverhaal van de filosoof-verteller; waarbij nog maar de vraag is of ze ooit bestaan heeft. Na 1954 heeft de verteller, zo zegt hij, als emeritus levend in Oxford, haar nooit meer gezien. ‘Maar als ze niet bestaan had, zou ik gedwongen geweest zijn haar uit te vinden.’ De helderheid van wat Gustafsson schrijft, doet soms vergeten hoeveel duisters of liever raadselachtigs er in zijn gedichten en verhalen schuilgaat. Wat je leest is glashelder, wanneer je het gelezen hebt lijkt het glas te beslaan. Deze recente roman doet vermoeden dat het hem daar ook om gaat. 'De tijd heeft meerdere dimensies. Er bestaat zo'n dimensie waarin het echt gebeurd is. En een waarin het niet gebeurd is.’ De grote omslag in 1954 vond ook niet plaats in augustus maar op een avond in april. En in een noot achterin zegt de schrijver dat 'terwille van de intrige hij het onweer verplaatst heeft naar 14 juli 1954, toen de schrijver zeventien jaar was.’ Van een gewone intrige is hier geen sprake, je mag het woord daarom rustig lezen als: ten behoeve van het ingewikkelde, want de schrijver impliceert meer dan dat hij expliciteert. Zo bestaat een flink deel van de roman uit verhalen van de moeder, ingewikkelde verhalen in alle mogelijke variaties. Hij typeert de moeder als een monologiserende vrouw met wie hij in feite nooit echt gepraat heeft, en die haar woede lucht - ze is boos omdat de jongen omging met Ingela, de dochter van de Metaalgieter - via onbegrijpelijke, sombere verhalen.

De omweg is haar middel om zich uit te drukken. maar doet de verteller iets anders? Op plaatsen waar zijn jeugdherinneringen intiem worden, dwaalt hij af, toen al of nu; je kunt ook zeggen: scènes worden tergend vertraagd. De eerste keer met Ingela, ze liggen op een glooiing, bij een waterscheiding - gaat hij doodleuk vertellen waar die waterscheiding ligt, in welk stroomgebied, met wat voor fabrieken: 'Het is goede paddenstoelengrond. Ik heb er al in tijden geen paddenstoelen meer gezocht.’ Hoe dichter hij iets nadert dat gevoelig ligt of waarvoor hij niet direct de woorden heeft - nu na vijftig jaar nog niet, toen zeker niet - hoe omzichtiger hij wordt. Het is niet zomaar een kunstje, uitstellen, het hele boek is zo: elk ding dekt nog iets anders. Wie zegt dat iets in het verleden bepalend is voor het heden en niet omgekeerd? Alles is een mengeling, ook de tijden, die soms eerder naast elkaar dan na elkaar lijken te bestaan. 'Ik ben verloren! Ik ben verdwaald in een bos van tijd!’

Het is 2005 maar ook 1954. Hij haalt herinneringen op, nee, het geheugen maakt zelf keuzes. Gustafsson speelt met de illusie dat het om een autobiografisch verhaal gaat, terwijl het eerder een verhalend essay over tijd, herinnering, jeugd is. Hij heeft in Oxford gewoond, waar hij in 1957, het jaar dat hij ook literair debuteerde, aan het Magdalene College studeerde. Later doceerde hij in Austin (Texas). In de roman heeft hij zijn loopbaan in Oxford vervolgd en is daar oud geworden; Zweden is niet meer dan een verre herinnering. Hij had ook een ander leven gehad kunnen hebben, zegt de verteller ergens.

Een situatie waar heden en verleden nog het meest direct in elkaar overlopen is het clubje gymnasiasten dat in een kelder dagelijks zit te bomen: rationalisten, jonge atheïsten, die Frege, Gödel en Russell lazen. De jongen van achttien had mevrouw Sorgedahl nog niet leren kennen. 'Een tijd van onschuld, zou je kunnen denken.’ Jawel, niet dan nadat zij de sadistische natuurkundeleraar Slipsten tot zinken hadden gebracht, vertegenwoordiger van het kwaad, in wie hij, achteraf, de kampcultuur, het fundamentalisme en de totalitaire politie belichaamd zag.

Maar de ontdekking van 'genot en genot schenken en sprakeloos zijn, de diepe marteling van het geslachtsleven’ is altijd een verhaal apart. Daarbij speelt mevrouw Sorgedahl een rol, de grillige schone, die zomaar een poes op zijn schoot streelt, dus hem, of hem meeneemt naar een concert. Daarna is de ongrijpbare dochter van de Metaalgieter eerder een sparringpartner. Ze verdwijnen praktisch tegelijkertijd uit zijn leven, voorgoed, tot zijn geheugen hen terugroept om hem, de verteller, stof tot nadenken en vertellen te geven.

Als mevrouw Sorgedahl bestaan heeft, maar hij heeft geen enkel tastbaar bewijs dat zij echt bestaan heeft, niet eens een paar regeltjes, dan zou hij ook het antwoord hebben op de vraag of hij zelf bestond. De roman begint met de mogelijkheid van het tegendeel: wat als zijn vader en moeder elkaar niet ontmoet hadden? 'Uren waarin de beslissing genomen werd dat ik niet zou bestaan. (…) Wat een fantastische schuilplaats! Om niet te bestaan.’ Dan waren zij vroegtijdig uit dit verhaal verdwenen. Dit verhaal zou nooit geschreven zijn.

LARS GUSTAFSSON
DE MOOIE BLANKE ARMEN VAN MEVROUW SORGEDAHL
Uit het Zweeds (2008) vertaald door Cora Polet.Hoogland
& Van Klaveren, 189 blz., € 22,50