Musical: ‘Lazarus’

Verdwaalde alien

Het oeuvre van David Bowie, een van de creatiefste geesten uit de geschiedenis van de popmuziek, wordt met Lazarus waardig rechtgedaan.

Dragan Bakema als Newton en Noortje Herlaar als Elly in Lazarus © Jan Versweyveld

De geest van David Bowie waart momenteel rond in het Amsterdamse DeLaMar-theater. De musical Lazarus, die daar ruim vijf maanden speelt, is een eerbetoon aan de popster die drie jaar geleden plotseling overleed. Dat vertelt het toneelbeeld al bij de eerste aanblik. In het spaarzaam ingerichte appartement, waar een man op de vloer ligt, staat een bed, een koelkast en een ouderwetse pick-up. Een paar Bowie-elpees staan bij de platenspeler tegen de wand: Young Americans, Alladin Sane, This is Me. Maar bijzonder aan Lazarus is dat het geen greatest-hitsparade is, en ook geen biografische terugblik zoals de recente films over Freddie Mercury en Elton John. Het is een geesteskind van David Bowie, die naar het schijnt al een halve eeuw rondliep met ideeën voor een rockmusical.

In 1968 maakte Bowie een eerste opzet voor een theatershow over een man die een feest aanricht om er zelfmoord te plegen. Voor zijn jaren-zeventigpersonage Ziggy Stardust had Bowie destijds plannen voor een Jesus Christ Superstar-achtige musical. Maar uiteindelijk werd zijn allereerste theatershow, samen met het album Blackstar, het laatste wat hij voor zijn dood creëerde. Hij kwam zelf met het idee voor Lazarus, bedacht de grote lijnen, die hij uitwerkte met toneelschrijver Enda Walsh en regisseur Ivo van Hove, en schreef er nieuwe nummers voor. En als de man op de vloer zich heeft opgericht en na een eerste dialoog begint te zingen, is het alsof Bowie vanuit het hiernamaals tot ons spreekt: ‘Look up here, I’m in heaven.’

Twee dagen voor de onaangekondigde dood van de popster kwam het album uit waar het nummer op staat dat klinkt als Bowie’s afscheidsbrief aan de wereld. Toch is het niet met die intentie gemaakt. Hoewel Bowie onder behandeling was toen hij het schreef, was hij nog optimistisch over zijn levenskansen. Het openingslied van de musical was bedoeld om de toestand neer te zetten waar de hoofdpersoon zich in bevindt. En het drama van deze Thomas Jerome Newton is nu juist dat hij onsterfelijk is. ‘Het lukt me niet om dood of weg te gaan’, zegt hij in de Nederlandstalige, maar in het Engels gezongen versie van Lazarus.

Newton is het buitenaardse wezen in mensengedaante dat Bowie speelde in The Man Who Fell to Earth, de science-fictionfilm van Nicholas Roeg uit 1976 waarop Lazarus het vervolg is. In de film zagen we hoe hij vanuit de ruimte op aarde kwam. Hoe hij razendsnel een zakenimperium opbouwde om geld te verdienen voor een terugkeer naar zijn uitgedroogde planeet die hij van water moest voorzien. En hoe hij, aan de drank geraakt en beschadigd door wetenschappers die met zijn buitenaardse lichaam experimenteerden, de kracht verloor om zijn missie te voltooien. In de loop van het verhaal – naar de roman van Walter Tevis – verouderen de mensen zienderogen, maar Newton blijft door de tijd onaangetast. Veroordeeld tot een eeuwige lethargie. ‘Look up here, man, I’m in danger’, laat Bowie Newton zingen in de titelsong van Lazarus, ‘I’ve got nothing left to lose.’ De hemel waarin hij zich waant, is opgewekt door aardse spiritualiën: de leeggedronken fles gin in Newtons handen. ‘I’m so high it makes my brain whirl.’

In het personage van de verdwaalde alien kwam Bowie’s buitenissige verschijning fantastisch tot z’n recht. Dat fragiele lichaam, dat bleke, gebeeldhouwde gezicht met de tweekleurige ogen, die knaloranje geverfde haren en die zachte, vreemd ingetogen stem. Bij de New Yorkse en Londense versie van Lazarus werd Newton gespeeld door Michael C. Hall, ook een wat excentrieke figuur met een geheimzinnige binnenwereld, getuige zijn prachtrollen in de tv-series Dexter en Six Feet Under. Het was de grote vraag hoe ‘onze’ Dragan Bakema het ervan af zou brengen, de explosieve en extraverte acteur die ook nog eens op het laatste moment moest invallen voor de overwerkte eerste keuze Gijs Naber.

Die vraag wordt al in de beginscène van de musical ingelost. De ingetogenheid waarmee hij Newton belichaamt, hebben we bij Bakema nog niet eerder gezien. Bijna onherkenbaar is hij: een breekbare gestalte met een doorzichtige huid die net zo beige kleurt als zijn zijden pyjama en het door Jan Versweyveld vormgegeven interieur. In zijn strak belijnde gezicht staan felle, donkere ogen waaruit een paniekerige agressie spreekt, afgewisseld met benevelde dromerigheid en opgewekte waanzin. En zingen kan Bakema. Zijn licht gruizige stemgeluid heeft een indrukwekkende autoriteit, en hoewel hij niet kan jubelen of overschreeuwen, legt hij zo veel persoonlijkheid in zijn zang dat je geen moment denkt: ach, zong Bowie dit maar.

Dragan Bakema als Newton en Noortje Herlaar als Elly in Lazarus © Jan Versweyveld
Acteurs gooien zichzelf tegen het beeldscherm, dat lijkt te breken alsof het van glas is

Anders dan in The Man Who Fell to Earth, waarin de alien als een spiegel fungeert voor de kapitalistische, seksbeluste westerse samenleving, draait Lazarus puur om het innerlijk van de hoofdpersoon. In de film raakte Newton totaal gefascineerd door de beelden die hij op televisie zag; iconisch zijn de scènes waarin hij bewegingloos op bed ligt voor een muur van televisies elk afgesteld op een andere zender, die hij allemaal tegelijk bekijkt. In de musical zitten de beelden, te zien op een buitenmaats beeldscherm dat zich tussen de ramen in het appartement bevindt, in het hoofd van Newton. Mary-Lou, zijn geliefde uit de film die in zijn herinnering terugkeert, verschijnt uit de ruis op dit scherm. ‘Ik zag Mary-Lou dansen in die tv’, stamelt Newton verwonderd.

Vanuit die televisie verspreiden de beelden zich over het toneelbeeld. Panoramische taferelen van New York bezetten ineens de ruimte achter de ramen, waar de band live staat te spelen. Projecties van een rood, kaalgeslagen rotslandschap – het oppervlak van de verre planeet waar Bowie over zingt in Life on Mars – doordrenken de voor- en achterruimte. Historische opnamen van een naoorlogs Berlijn lijken te komen uit het geheugen van Newton, die immers langer op aarde is dan een gewone sterveling. Tegelijkertijd zijn dit ook de beelden die Bowie zelf gebruikte in de sinistere videoclip bij het nummer Where Are We Now dat Newton zingt.

De visuele vormgeving alleen al is buitengewoon spectaculair, maar dat komt ook door de ingenieuze, ritmisch stuwende wisselwerking tussen de projecties en de muziek, het licht en het spel van de acteurs. Het vaste, op elkaar ingespeelde team dat Ivo van Hove vormt met scenograaf en lichtontwerper Versweyveld en video designer Tal Yarden, heeft zich compleet uitgeleefd in deze videoclip-achtige voorstelling. Acteurs gooien zichzelf tegen het beeldscherm in de kamer, dat lijkt te breken alsof het van glas is, waarop licht en geluid de scène doen transformeren. Spelers glippen te voorschijn vanachter het beeldscherm, alsof ze vanuit de projectie in de realiteit stappen.

Zoals de traditioneel geklede en geschminkte Japanse vrouw die we in het Japans horen roepen op Bowie’s nummer It’s No Game van het album Scary Monsters. Zij is eerst een illustratie in de video, komt dan ineens bij Newton binnen om vervaarlijk met haar zwaarden te zwaaien en is weer verdwenen als de song is afgelopen. Een onschuldig uitgaansstelletje dat All the Young Dudes komt vertolken danst eerst achter de ramen en daarna in schaduwbeeld op Newtons tv, waar de beeltenis van het tweetal met bloedrode cirkels wordt bekrast.

Het ‘verhaal’ van Lazarus mag dan onnavolgbaar zijn, het voortdurend shiften tussen de werkelijkheid in Newtons appartement en die in zijn hoofd geeft de voorstelling een interne logica. Figuren uit zijn vroegere leven duiken op, beweren dat ze hem kennen of dat ze een vriend zijn van Mary-Lou. Een jongeman laat hem een foto zien waarop hij samen met Newton staat, en later loopt weer iemand anders met die foto rond. Een jonge vrouw die Newton kennelijk verzorgt, sterk en nuchter gespeeld door Noortje Herlaar, verandert gaandeweg in de blauwgepruikte Mary-Lou van het beeldscherm. Een engelachtig jong meisje uit Newtons verbeelding, de adembenemend mooi zingende Juliana Zijlstra, lokt hem weg richting de sterren. Maar als zij Life on Mars zingt, is zij ook ‘the girl with the mousy hair’ uit de songtekst. Imponerend sinister is Pieter Embrechts als de figuur Valentine, afkomstig uit het Bowie-nummer Valentine’s Day en tevens de dood die meerdere figuren bloederig ombrengt. En de drie koorzangeressen staan soms achter de ramen bij de band, om zich dan weer als personages in een tafereel te voegen.

Het enige minpunt aan Lazarus is de nadruk op knappe, jonge mensen. De mannelijke spelers zijn allemaal even krachtig, maar het zijn wel typische Van Hove-exponenten. Het drama van de Mary-Lou uit de film is dat zij wél veroudert en Newton niet. Maar zo karaktervol als Noortje Herlaar is in de rol van Newtons verzorgster, zo suf clichématig is het ‘sexy’ nachtclubmeisje dat Mary-Lou moet voorstellen.

Maar wat wordt er goed gezongen door de Nederlandse cast. Helder, ernstig, zonder musicalfranje of opgelegde emoties voegen ze zich in de sfeer van de songs. En wat een belevenis biedt de musical ook muzikaal gezien. Geluidstechnisch is het een hoogstandje, alles klinkt even warm, dichtbij en uitgebalanceerd. En naast enkele songs die in een nieuw jasje werden gestoken, zoals de tedere pianoversie van het afsluitende Heroes, ligt de klank van elk Bowie-nummer overrompelend dicht bij het origineel.

Bowie boog zich eigenhandig over de muzikale arrangementen, bijgestaan door de Amerikaanse arrangeur Henry Hay, die meespeelde in de eerste New Yorkse versie en de supervisie had bij de Londense en de Nederlandse remake. Een band van eigen bodem onder leiding van Ferry Lagendijk vertolkt op het podium de Bowie-sound perfect, tot en met het vuige overstemde Robert Fripp-gitaartje aan het eind van It’s No Game. Dit maakt Lazarus ook voor hartstochtelijke Bowie-fans een veilig uitje. Het oeuvre van een van de creatiefste geesten uit de geschiedenis van de popmuziek wordt waardig rechtgedaan. Bowie is niet dood. Hij leeft in het DeLaMar.


Lazarus, t/m 5 april in DeLaMar, Amsterdam