Verdwenen

Ik probeerde laatst uit te leggen dat de stem van gewone mensen vlak na de oorlog niet werd gehoord. Ik sprak daar destijds over met de journalist Jan Vrijman (1925-1997). Hij was de bedenker van het begrip ‘nozem’. (Hij schreef trouwens ook voor De Groene.)

Ik probeerde laatst uit te leggen dat de stem van gewone mensen vlak na de oorlog niet werd gehoord. Ik sprak daar destijds over met de journalist Jan Vrijman (1925-1997). Hij was de bedenker van het begrip ‘nozem’. (Hij schreef trouwens ook voor De Groene.) Dat hij over gewone mensen schreef, kwam door de oorlog, doordat hij in de Jordaan was geboren en doordat hij communist was. Hij vertelde mij wat voor een schok het voor sommige lezers van Het Parool was toen de journalist en meesterinterviewer Willem Wittkampf (1924-1992) zijn interviews in ‘sprijftaal’ (een combinatie van spreek- en schrijftaal) publiceerde. Dat waren monologen van de man in de straat. Een haringverkoper die Auschwitz had overleefd, bijvoorbeeld. Vrijman vertelde mij ergens in 1995: ‘Dat gewone mensen een verhaal hebben, zo’n oorlogsverhaal bijvoorbeeld, is een inzicht dat nog niet zo lang bestaat. Dat dat verhaal veelzeggender is dan het verhaal van de grote jongens is nog steeds niet goed tot de goe­gemeente doorgedrongen.’

Ik vond dat hij destijds gelijk had. Ik bewonderde Jan Vrijman.

Maar het verhaal van die man in de straat is nu een cliché geworden. Is er een bombardement in Syrië geweest, dan krijgen we ont­redderde mensen op straat te zien. Een tsunami in Indonesië? Ontredderde mensen op een weggetje krijgen een microfoon onder hun neus. Een aardbeving, een hongersnood: we zien ontredderde mensen die naar de camera staren alsof ze God smekend in de ogen kijken.

De man in onze straat is gek genoeg uit het nieuws aan het verdwijnen.

Anders gesteld: hij is niet meer de illustratie van politieke consequenties, maar de consequentie van zijn succes in het nieuws. Hij is de boer die een vrouw (of een man) zoekt – en nieuws wordt, hij doet mee aan een zangcompetitie – en staat op de voorpagina. Of hij praat over sport – en krijgt een eigen talkshow. Maar als onderwerp van onrecht bestaat hij niet meer, tenzij hij tamelijk uniek is. De gewone vrouw die geen werk heeft, drie kinderen moet opvoeden en haar ziektekosten niet meer kan opbrengen, is nog wel een verhaal – maar zij wordt door een altruïstische minister diezelfde avond nog geholpen in de hoop dat zulks stemmen trekt.

Het vreemde is dat ministers ook geen verhaal meer zijn.

Zijn we echt nog nieuwsgierig naar de visies, de vergezichten, de stippen aan de horizon van onze politici?

Ik hoor het wel eens als verwijt klinken: ‘Is het niet erg dat de moderne politici geen grote visies meer hebben? Is hun idealisme soms verdwenen?’

‘Ik hoop van wel’, hoor ik me dan zeggen. Op een politicus met een grote visie voor de toekomst moet je zeker niet stemmen.

Maar waar zit dan het verhaal? Het verhaal dat verkocht wil worden, het verhaal dat inspireert?

Ik zal het zeggen: dat verhaal is verdwenen.

Er zijn nog wel zielige mensen die geholpen moeten worden, maar die zijn in Nederland niet zo talrijk.

Er zijn wel mooie verhalen, maar die zijn er niet voor alle mensen. Ze zijn er voor een klein groepje dat hoger opgeleid is, wel eens een buitenlandse krant leest, of een dik boek.

De gewone mensen in de straat, de derde generatie van na de Tweede Wereldoorlog, haalt de zin van het leven niet meer uit het bestrijden van onrecht dat er nauwelijks is, maar uit een heimwee naar idealisme. De crisis waarin we zitten, proberen we op te lossen door terug te lopen, met onze rug naar de horizon, zodat het toch nog lijkt of we vooruit gaan. Er is al meer dan zestig jaar geen Auschwitz meer.

Het schuldig landschap is een supermarkt waarin we keuze-angst krijgen.

Onze oorlog is een strijd tegen een plofkip.

De grote rampen zijn weg gerelativeerd.