Verdwenen taal

Toen ik voor De Groene De stille kracht van Louis Couperus herlas, stelde ik me de hoofdpersoon, Van Oudijck, voor als mijn vader. Hoe kwam dat? Volgens mij had dat met twee zaken te maken. Mijn vader was, net als Van Oudijck, ook BB-ambtenaar (lid van het Binnenlands Bestuur) en Couperus schreef zinnen waarin ik de stijl van spreken van mijn ouders meende te herkennen.

Louis Couperus had zijn jeugd in Indië doorgebracht en zijn familie bestond eveneens uit overheidsdienaren.

Zou je kunnen stellen dat de zinnen van Couperus een Indisch accent hadden?

Ja.

Het lijkt zelfs zijn streven om het Indisch Nederlands vast te leggen. Een vermoeden dat in 1958 al werd geuit door M.C. van den Toorn in De Nieuwe Taalgids, en dat door hem werd uitgewerkt door bijna elke zin in het boek – tot vervelens toe – te analyseren. Inderdaad, mijnheer Van den Toorn, is er bij Couperus vaak sprake van inversie (een omzetting en afwijking van de normale woordschikking) en uiteraard heeft u gelijk dat Couperus veel ‘neologismen’ (nieuwe woorden) gebruikt, wat toen ook wel in de mode was gekomen door de Tachtigers en verdomd, de zinsconstructie is vaak ‘gallicistisch’ (naar het Frans) en wellicht heeft Couperus hiermee een zekere ‘retardering’ (verlangzaming) beoogd, en zijn er in de zinnen sprake van afwijkende ‘ellipsen, van asyndeton [zinsverband zonder voegwoorden], isolering, overvloedige interpunctie, plus het veelvuldig openhouden van de intonatie’. Dat neemt niet weg dat het lijkt op de taal die in Indië, door mijn ouders werd gesproken, en die je tegenkomt in de talloze, maar vergeten romans die in Indië verschenen en die je in Den Haag kon horen. En waarvan ikzelf nog een staartje heb meegemaakt.

‘Is mooi, deze.’

‘Is mooi, deze.’

‘Zo aardig, die man.’

‘Zo vreemd, die Hollanders…’

Het is een Hollands dat bijna verdwenen is. Ik kom het nog wel tegen, maar vooral als mensen willen nadoen hoe gek men vroeger in Indië sprak.

‘Zo aardig, die man.’

Indisch-Nederlands is niet anders dan een ander Nederlands accent, zoals je Fries, Brabants of Limburgs hebt. Daarbinnen had je dan ook nog verschillende accenten, die vaak werden bepaald door de klasse waarin je verkeerde.

Ik heb me altijd verwonderd over het verdwijnen van een taal. Op school al dacht ik: hoe kan het nou dat niemand weet hoe het Latijn en het Grieks destijds werd uitgesproken? Waarom kunnen Italianen en Grieken hun eigen taal spreken noch lezen?

En natuurlijk weet ik nu het antwoord, en elke dag weer maak ik het van dichtbij mee. Mijn moeder, twintig jaar geleden gestorven, maakte voor mij briefjes met taaluitingen die ze niet kon thuisbrengen. ‘Wat is “uit je bol gaan”?’

Nadat ik het had uitgelegd zei ze: ‘O, je bedoelt geestdriftig?’

‘Zo vreemd, die ­Hollanders...’ Ik kom het nog wel tegen

Het vergaan van de taal vervult mij met weemoed.

En mijn behoudzucht strijdt daartegen. Ik vind het jammer dat ik niet vlot P.C. Hooft kan lezen, maar daarvoor een glossarium nodig heb. Hetzelfde geldt voor Constantijn Huygens. Ik leerde dat hij de grootste dichter in onze taal is – maar ik weet en voel dat mij het merendeel ontgaat als ik hem lees.

Als ik vroeger ging voetballen, hoorde ik aan de taal van de jongens van mijn elftal uit welk deel van Amsterdam ze kwamen. Zij hoorden dat van mij ook. Eveneens klassebepaald, trouwens. Misschien kunnen jongens van nu dat ook, maar ik kan het niet meer. Hoor ik een rap van een donkere zanger dan heb ik vaak geen idee waar hij het over heeft. Zonde. Of niet?

Ook het huidige Nederlands verdwijnt – ‘wordt anders’, zeggen sommigen – maar wanneer er een moment komt waarop je het niet meer begrijpt, stopt de toegang tot een rijke cultuur.

Op zulke momenten dringt zich de onrustbarende vraag op: hoe erg is dat?

Blijkbaar niet zo erg.