V.S. Naipaul

Verdwenen verleden

V.S. Naipaul, Half a Life

Uitg. Picador, 214 blz., ƒ39,90

(verschijnt 21 september)

Als een romanpersonage een uitgesproken mening verkondigt over de wereld en haar godsdiensten, betekent dat niet dat de schrijver zelf achter die opvatting staat. Dus als de Franse schrijver Michel Houellebecq in zijn laatste roman Plateforme een stem laat opklinken die zegt dat de islam zich kenmerkt «door een ononderbroken reeks van oorlogen en bloedbaden» en dat eensgezindheid, intelligentie en talent nooit kunnen opbloeien zolang deze religie bestaat, dan mag die uitspraak niet meteen in de mond van Houellebecq worden gelegd. Ook al heeft hij zelf in een interview met het literaire tijdschrift Lire verkondigd dat de islam de allerstomste godsdienst is en dat de koranlectuur hem depressief maakt. Hij had hetzelfde over het christendom en de bijbel of over andere mono theïstische godsdiensten kunnen zeggen. Het geroep om een fatwa tegen Houellebecq, in de Marokkaanse krant Libération, vind ik veel verontrustender. De schrijver laat zijn personages vaak zeggen wat het publiek verzwijgt of verdringt.

De zoveelste commotie rond Michel Houellebecq is een storm in een glas water. Wie weet nog wat V.S. Naipaul — nooit te beroerd om een pittige uitspraak over de Engelse politiek te doen — in zijn reisboek door islamitisch Azië Beyond Belief (1997) schreef? Voorafgaand aan een reeks indringende vraaggesprekken onder gelovigen in Iran, Pakistan, Maleisië en Indonesië is Naipaul niet halfzacht over de islam: «Het is een godsdienst die imperiale eisen stelt.» In totalitaire landen waar staat en religie hopeloos vermengd zijn geraakt, dwingt de islam zijn gelovigen hun eigen geschiedenis te vergeten en alle kaarten op het «heilige zand van Arabië» te zetten, daar waar de moslimheiligdommen zich bevinden. Door die verwoesting van het verleden, constateert Naipaul, is het hindoeïstisch en boeddhistisch verleden in Indonesië vrijwel weggevaagd. «Het verleden, zonder schrift, zonder literatuur, vrat zichzelf voortdurend op.»

Naipauls lang verwachte nieuwe roman Half a Life gaat over dat weggewerkte verleden. Een geschiedenisloze in India, Willie Chandran, voelt zich een vreemde, ontwortelde en uitgestotene in eigen familie, universiteit en land. Hij komt uit een geslacht van brahmaans maar heeft nauwelijks weet van de wereld, laat staan dat hij daarin zijn eigen weg vindt. Het vaderverhaal over groeiend isolement, boetedoening en versterven doet hij dunnetjes over. Hij verbindt zich met een jonge vrouw uit de «achterlijke» kaste, breekt zijn studie af en bruuskeert het systeem van strenge hiërarchie en corruptie. Hij maakt een puinhoop van zijn leven en raakt los van zijn traditie.

Half a Life is een roman over zelfopoffering die van vader op zoon gaat; alles en iedereen loslaten en voortdurend wegvluchten tot er al een half leven voorbij is gegaan en het te laat lijkt een bestaan op te bouwen waarin het eigen verleden een vaste plek krijgt. Net als zijn vader tart de student Willie het Indiase kastestelsel. Om zijn vader uit te dagen begint hij, op de missieschool, verhalen te schrijven die de zelfverloochening van de vader hekelen. Ontsnapt naar Londen en nog meer vervreemd van de eigen wortels vlucht Willie via BBC-radio-schrijfopdrachten in de literatuur en verzint hij in het Londen van de jaren vijftig half en half een eigen, christelijk-Indiaas verleden. Totdat de wereld binnenbanjert in de vorm van de Suez-crisis van 1956 en rassenrellen in het Londense Notting Hill. Ondanks dat hij een verhalenbundel publiceert, is hij nog nat achter zijn oren en wordt hij door zijn wereldwijzere zus Sarojini (vernoemd naar de dichteres van de Indiase onafhankelijkheidsbeweging en getrouwd met de Duitse Cuba-ganger Wolf) op zijn eigen ijdelheid en leegheid gewezen. Zijn vertelbronnen zijn Hollywood-films en strips, maar de echte wereld drukt hem nog steeds niet met de neus op de feiten en wijst hem niet de weg naar de eigen wortels. Hij blijft verkeren in een half-en-halfwereld. Als meester in het ontvluchten vertrekt hij eind jaren vijftig op 23-jarige leeftijd met een van zijn lezeressen, de half-Portugese en half-Afrikaanse Ana, naar een niet met name genoemde Portugese kolonie (Angola?). Daar blijft hij achttien jaar, steunt op zijn vrouw en haar koloniale vermogen, krijgt eindelijk zijn echte seksuele initiatie en maakt de onafhankelijkheidsstrijd mee. «Maar al die tijd voelde Willie dat er een andere zelf in hem zat, een stil plekje waar zijn hele uiterlijke leven werd gesmoord.»

Uiteindelijk vlucht hij weer terug naar Europa, naar West-Berlijn en zijn zuster, de politiek activiste aan wie hij een hele winter lang zijn Afrikaanse avontuur opbiecht. Waarna de roman abrupt afbreekt en je zou kunnen zeggen dat Naipaul een halve roman over een half leven heeft geschreven. Half a Life bestaat uit drie verhalen, gesitueerd in India, Londen en Afrika, die maar niet bij elkaar komen. Die vorm weerspiegelt de versplintering van de hoofdpersoon, die zoek raakt in Azië, Europa en Afrika. Al vertellend probeert de zoon zijn ontreddering en ontworteling — zijn verlies aan traditie — te compenseren, maar aan het eind van de roman heeft hij in Berlijn alleen nog zijn Afrika-verhaal te vertellen. Misschien is die vertelling vol zelfinzicht het begin van een nieuw, samenhangender leven, waar dan ook.

Half a Life gaat over Culturing & Writing, een artikel dat Naipaul vlak voordat hij aan Half a Life begon in The New York Review of Books (18 februari 1999) publiceerde. Hij vertelt daarin over zijn geïsoleerde leven op het platteland van Trinidad en in de hoofdstad Port of Spain, over de Indiase verhalen en het fragmentarisch voorlezen van zijn vader uit Dickens, Huxley, Somerset Maugham, Joseph Conrad of Tales from Shakespeare. Het bijwonen van het toneelstuk Ramlila, naar het epos Ramajana over de verbanning en latere triomf van Rama de heilige Hindoe-held, is voor de jonge, wereldvreemde Naipaul een openbaring. Die vertelling over een onterechte verbanning naar een gevaarlijk woud «leek op iets wat ik kende» en had te maken met het chaotische en versplinterde leven van uit India naar Trinidad geëmigreerde Hindoe-families. Al die verhaalscherven waren deel van een sprookje waarmee je kon spelen. Dat inzicht vormde de bron van Naipauls schrijverschap: de ontdekking van elk verhaal als een morele ontdekking, het besef dat India ver weg was op het koloniale plantage-eiland Trinidad, dat slechts een schaduwwereld vormde omdat de werkelijke heersers in Engeland en Amerika zetelden. Het schrijven van literatuur werd voor Naipaul het uitwerken van Evelyn Waughs definitie van fictie als «volledig getransformeerde ervaring». Aan de grond en depressief in het Londen van de jaren vijftig zag Naipaul opeens wat zijn literaire materiaal was: de straten in Port of Spain met het gemengde leven waarvan de Naipauls zich afzijdig hielden, en het landleven van daarvoor met het typische leven van een herinnerd India. Dat bestaan leek op dat van anderhalve eeuw geleden, daar werd het vervaagde verleden weer zichtbaar.

Men kan V.S. Naipaul een reactionair noemen, een aristocratische ijdeltuit of een verrader van vrienden (Paul Theroux). Maar voor alles is hij een literaire schatgraver die niet alleen op Trinidad of in India weggepoetste verledens weer laat opduiken in hartverscheurende persoonlijke verhalen. In zijn voorlaatste roman Een weg in de wereld (1994) staat een vertellersoverpeinzing die als motto boven zijn verzameld werk kan staan: «De meesten van ons kennen de ouders of grootouders van wie ze afstammen. Maar we gaan steeds verder terug; we gaan allemaal terug tot het allereerste begin; in ons bloed, in onze botten en hersenen dragen we de herinneringen mee van duizenden mensen. (…) Wij kunnen alle karaktertrekken die we hebben geërfd niet begrijpen. Soms kunnen we vreemden zijn voor onszelf.»

Om dat vreemd zijn en die zoektocht naar weggezakte herinneringen draait Half a Life.