Met het filmuseum de diepte in

Verdwijnen in 3D

De eeuwige paradox van de kunst: enerzijds hunkeren naar almaar groter realisme, anderzijds de werkelijkheid vervormen teneinde metafoor, allegorie en betekenis mogelijk te maken. In de cinematografie is deze tegenstelling meer dan ooit actueel. Binnenkort draaien in Nederland twee kaskrakers, Star Wars Episode II: Attack of the Clones en Spider-Man , die vrijwel volledig digitaal zijn opgenomen. Reden: cineasten volgen de huidige trend om extreem fantastische werelden zo ‘waarheids getrouw’ mogelijk weer te geven.

De nieuwe cinema van de computer toont overeenkomsten met de allereerste poging de werkelijkheid in meer dan twee dimensies te reproduceren op het witte doek: de stereoscopische film van weleer. De 3D-film ontstond in de jaren vijftig in Hollywood als reactie op de opkomst van tv

Nieuwe vormen van verhalen vertellen – en ook computerspelachtige speelfilms als Tomb Raider en straks Spider-Man – roepen onvermijdelijk de vraag op: hoe inspirerend is kunst waarin de kunstenaar zich dienstbaar maakt aan de technologie?

Een blik op de 3D-films in het Filmmuseum compliceert het antwoord. Alfred Hitchcock leverde met House of Wax (1953) daarentegen een magnifieke horrorfilm met Vincent Price in een van zijn beste rollen: die van de waanzinnige eigenaar van een wassenbeeldenmuseum. Regisseur André de Toth bewijst met de film dat 3D niet alleen sensatie oproept, maar dat men met de techniek ook psychologisch complexe verhalen kan vertellen. Deze diepgang is te herleiden naar de visie van De Toth op de driedimensionale film, die volgens hem de voorloper was van de moderne virtual-reality-computerspellen. Cruciaal is het onderscheid dat hij maakt tussen een ‘3D movie’ en een ‘driedimensionale film’. De eerste is pulp, in de tweede wordt aandacht besteed aan karakterontwikkeling. De Toth voorspelt zelfs een ‘nieuwe kunstvorm’ geboren uit 3D: door het samensmelten van theater en film zal de kijker ‘verdwijnen’. Hij wordt namelijk een participant in het verhaal; er komt een cinema die bestaat uit vier plafondhoge doeken, waar de ‘kijker’ midden in staat.

Zo ver zijn we nu: steeds meer computerspellen zijn gemaakt in de stijl van immersive gaming . De speler is geen kijker meer, maar een actieve deelnemer. Maar of dat kunst is? Duidelijk is dat in de virtuele werelden van schietspelletjes alle schijn van complexiteit van personages of thematische diepgang ontbreekt. In die zin is er niets veranderd sinds de jaren vijftig; in zijn commentaar op de 3D-techniek toont de regisseur zich wars van 3D-films met allerlei gimmicks om de kijker bij het verhaal te betrekken. Kiss Me Kate (George Sidney, 1953) is zo’n film. Tijdens de talrijke dansnummers, op de maat van verrukkelijke Cole Porter-songs, slingeren de personages op hilarische wijze allerlei voorwerpen recht in de camera – zonder aantoonbare thematische relevantie.

De andere werken in het 3D-programma in het Filmmuseum zijn archaïsch, maar – in het licht van het huidige accent op technologische ontwikkeling – verfrissend eenvoudig en misschien zelfs vertederend om naar te kijken.

Uiteindelijk vallen al die pogingen in het niet bij het werk van bijvoorbeeld Orson Welles, die al in 1941 met Citizen Kane de kijker mee ‘de diepte in nam’ met slechts miniatuursets, zwartwitfilm en vooral met de deep-focuslens. 3D-meester André de Toth, die ironisch genoeg slechts één oog heeft, brengt de discussie terug tot de essentie: ‘Er bestaat slechts één beeld – en dat is datgene wat op het negatief verschijnt achter de lens op het moment van blootstellen aan het licht.’

3D-Cinema: Met het Filmmuseum de diepte in (t/m 22 mei in het Filmmuseum te Amsterdam)