Verdwijnen is vooruitgaan

CAROLIJN VISSER
SHANGHAI SKYLINE
Augustus, 256 blz., € 18,90
CHINA
Augustus, 480 blz., € 19,90

Over gebrek aan aandacht heeft China nu niet te klagen, maar toen Deng Xiaoping begin jaren tachtig de deuren van het land voor de buitenwereld opende, trokken maar enkele pioniers het rijk in. Zij mochten slechts de honderd grootste steden bezoeken. Het straatarme platteland hield China potdicht.
Carolijn Visser (1956) was een van de pioniers. Zij kwam er in 1981 voor het eerst en publiceerde naar aanleiding daarvan haar reisverslag Grijs China. Daarna bleef ze reizen en schrijven. Bij voorkeur in communistische en postcommunistische landen. In China kwam ze nog een paar maal terug en bezocht de meest onherbergzame uithoeken in de meest waanzinnige tijden; ze was er tijdens de studentenopstanden van 1989. Haar nieuwe boek, Shanghai Skyline, gaat over het moderne China van gezinnen met één tot op het bot verwend kind en keihard werkende ouders.
Tegelijk met dit nieuwe boek worden Vissers voorgaande vier boeken over de Chinese samenleving heruitgegeven, onder de weinig verrassende titel China. Met het oog op de Olympische Spelen is dat waarschijnlijk een financieel strategische zet. Maar meer dan dat is China ook een zeer welkome aanvulling op Shanghai Skyline. Daarin bezoekt ze namelijk een aantal oude bekenden. Uiteraard leidt ze die wel even in, maar het contrast tussen hun huidige en voormalige situatie wordt veel betekenisvoller als je die eerste ontmoetingen ook tot je neemt.
Door haar journalistieke, maar beeldende stijl laat Visser de lezer maximaal delen in haar ervaringen. Als ze te paard over de Mongoolse vlakten draaft, zit je achterop. Nuttigt ze een maaltijd, dan laat ze niet onvermeld wat er geserveerd wordt. En al heeft ze het over harige krabbenpoten met zeewier, als zij het lekker vindt, loopt jou het water in de mond. Maar ook de minder smakelijke aspecten van het Chinese leven komen aan bod. Het gerochel en gespuug beschrijft ze in detail, de fluimen vliegen je soms om de oren en de geur van een open riool stijgt op uit de pagina’s. Visser beperkt zich tot het opschrijven van wat ze tegenkomt, ze geeft niet ook nog een lesje geschiedenis of een sociaal-culturele analyse. Wat dat betreft is dit een totaal ander boek dan het vorig jaar verschenen Bij de Chinees van Bettine Vriesekoop.
Toch schetsen beide schrijfsters een zeer overeenkomstig beeld. Opvallend is dat ze, hoewel zeer bekend met de cultuur, de omgangsvormen en de tradities, blijven worstelen met de extreme Chinese beleefdheid. De kloof tussen schuld- en schaamtecultuur blijkt soms onoverbrugbaar. In emotionele situaties delven de buitenlanders praktisch altijd het onderspit. Het ontbreekt ze aan de verregaande discipline van de Chinezen. Zo bedenkt Visser – nadat ze in woede is ontstoken omdat haar gids de afspraak om te paard te reizen niet na wil komen – dat ze, in plaats van haar frustratie te uiten, had moeten zeggen: ‘Hairhan is een groot organisator, dat is gebleken, wat een geluk dat hij ons begeleidt tijdens de rest van de tocht die we te paard zullen afleggen.’
Zeker in de eerste boeken beschrijft Visser een arm, grauw en onhygiënisch land. Het moet absoluut afzien, zo niet gevaarlijk, geweest zijn om in sommige regionen te verblijven. Maar klagen doet ze niet. Daarvoor is haar grenzeloze nieuwsgierigheid te groot. Ze laat zich op sleeptouw nemen door wie haar maar wil leiden in haar zoektocht naar authentieke ervaringen in het echte China. Toch lijkt dat ‘echte’ China haar steeds te ontglippen. Haar verwachtingen blijken keer op keer achterhaald door de Chinese realiteit, die zich in razend tempo ontwikkelt. Wanneer Visser de gangen wil nagaan van een aantal historische figuren blijken dorpen verdwenen, huizen verplaatst en gezinnen weggestuurd; de overheid voert meedogenloos haar alomvattende plan uit. Maar Visser weet vaak toch nog iemand te vinden die haar meer over het verleden kan vertellen en knoopt zo de losse eindjes aan elkaar.
Veel tijd voor melancholie lijken de Chinezen niet te hebben. Zo complimenteert Visser een gastheer met het mooie dorpje waarin hij woont. Waarop hij antwoordt, alsof dit de grootste verdienste van het dorpje is, dat het er over twintig jaar niet meer zal zijn. Zij reageert verschrikt, maar volgens hem is dat nu juist vooruitgang. Het is rennen of stilstaan en de meeste Chinezen willen de boot van de moderniteit niet missen.
In Vissers vijf Chinese boeken vormen de voortdenderende vooruitgang en het verdwijnen van het verleden de rode draad. Ze heeft niet de pretentie om met haar werk de ‘ziel’ van China te ontsluieren. Eerder laat ze zien dat die ziel op losse schroeven staat. Want wat blijft er over van de Chinese identiteit wanneer elke generatie het land van haar jeugd binnen twintig jaar ziet verdwijnen? De verandering die altijd op de loer ligt, en de gelatenheid daarover, is misschien wel het belangrijkste dat de anderhalf miljard Chinezen met elkaar delen.