Verdwijnen om gezien te worden

Het meisje, alleen die benaming al. Zolang we haar klein proberen te houden, zal ze vatbaar zijn voor de aantrekking van het hongeren. Daarom moeten we het erover blijven hebben. Zoals Koos Neuvel doet in Nora & Co.

Het verhaal van een vader die zijn dochter verliest heeft iets heiligs, boven alle kritiek verheven © Constantine Manos / Magnum Photos / HH

Kunnen we het niet meer hebben over anorexia? Alleen het woord al roept irritatie op, de geijkte plaatjes van magere vrouwen die in de spiegel een dikke vrouw zien, wandelende kleerhangers met wezenloze blikken op catwalks, altijd dezelfde discussies over ‘het schoonheidsideaal’ en de dieetindustrie. Anorexia voelt voor mij als iets uit de jaren negentig, want toen had ik het zelf, samen met twee andere meisjes uit mijn jaar. Zo voelt het nu – als een puberding, iets uit een ver verleden. Ergens had ik gehoopt dat toen ik het achterliet het gehele fenomeen ook magisch zou zijn verdwenen, dat het gehoor had gegeven aan de smeekbede van Daniel Johns. ‘Please die, Ana/ for as long as you’re here, we’re not’, zong de Silverchair-zanger, een van de weinige bekende mannen die aan anorexia leed, in 1999. In de jaren tien is de wulpse Kim Kardashian een populairder ideaalbeeld dan Kate Moss, dus wie heeft Ana nog nodig?

Jaarlijks in Nederland in elk geval 5500 jonge vrouwen, volgens – conservatieve – schattingen op basis van huisartsenregistraties. Ana is er. Nog steeds. Er sterven mensen aan, nog steeds, vermoedelijk zo’n tien procent van degenen die de diagnose krijgen. Daarmee is ze de dodelijkste van alle psychiatrische aandoeningen.

We moeten het dus over anorexia hebben, de vraag blijven stellen naar haar aantrekkingskracht en hoe haar te verslaan. Dit is wat Koos Neuvel doet in Nora & Co: Zeven meisjes in een eetstoornistragedie. Neuvel is een journalist die al eerder de geestelijke gezondheidszorg onderzocht, maar in dit boek is hij evenzeer een vader. Zijn eigen dochter Nora overleed in 2016 aan anorexia, een dag na haar achttiende verjaardag. In haar directe omgeving overleden zes andere meisjes, ze waren in dezelfde eetstoornisklinieken behandeld. ‘Wat is hier misgegaan?’ is de radeloze vraag van de vader. De journalist gaat op onderzoek uit, om de ‘tegenstander in de greep te krijgen’.

Zijn zoektocht voert Neuvel langs vastenheiligen, keizerin Sisi, het schoonheidsideaal en Arnon Grunbergs Tirza (anorexia als ‘de ziekte van de blanke middenklasse’). Hij laat de vroege jeugd- en schoolperikelen van Nora en andere patiëntes langskomen en betrekt zelfs zichzelf erbij als mogelijke oorzaak – hebben hij en de andere ouders hun dochters te weinig of juist te veel aandacht gegeven? Dat kan het niet geweest zijn, stelt hij, al neemt hij wel de schuld op zich dat hij en zijn vrouw de nadruk legden op ‘gezond’ eten (‘Heb je honger, Nora? Hier, neem een komkommer’). De belangrijkste gemene deler die hij kan vinden is het karakter van de meisjes: ambitieus, koppig, competitief, perfectionistisch, angstig en onzeker. Ieder meisje ervoer ‘een allesoverheersend gevoel van tekortschieten’.

Waarom die meisjes zich nou zo tekort voelden schieten, daar heeft Neuvel geen antwoord op. Hij is een grondige journalist, maar als man en vader heeft hij onvermijdelijke blinde vlekken. Zo kijkt hij niet naar verliefdheid en seksualiteit in de levens van de meisjes – jongens blijven onbesproken. In zijn bespreking van de eetstoornis van Sisi benoemt hij een van de cruciale aspecten van anorexia: het gaat om autonomie. Maar in de alinea erna is hij alweer overgestapt op een ander aspect: afgunst en imitatie, hoe het afvallen een competitie tussen vrouwen kan worden. Op die competitie legt hij in het hele boek veel nadruk, want dat is volgens hem wat Nora fataal is geworden. Wellicht is competitie voor hem ook beter invoelbaar dan gebrekkige autonomie.

Het verhaal van een vader die zijn dochter verliest heeft iets heiligs, boven alle kritiek verheven. Neuvel doet de deur van zijn huiskamer voor je open, laat je toe tot intieme familiemomenten. Dat is dapper, en belangrijk voor andere ouders van wie de kinderen eetproblemen hebben. Het is mijn doel niet om Neuvel te bekritiseren, wel om hem aan te vullen. Juist een van de intiemste momenten in zijn boek was voor mij ook een van de meest verontrustende: ‘Ineens ontwaren we zowaar een ontspannen blik op haar gezicht. Dan ook is er, hoe eenzijdig ook, meer contact mogelijk dan er tijdenlang is geweest. We halen herinneringen op, lezen verhalen voor over de mier en de eekhoorn, laten voortdurend haar favoriete muziek spelen, en bovenal betuigen we hoeveel zij voor ons betekent. We maken van de gelegenheid gebruik om haar aan te raken, want eindelijk, dat kan weer. Op dat gebied valt er veel in te halen: de warme wangen strelen, haar haren door onze vingers laten glijden, tegen haar aan liggen, urenlang. Ik probeer het gevoel van haar lichaam diep in mijn eigen lichaam in te prenten, opdat iets daarvan voor altijd opgeslagen blijft.’

Lieflijk – zo wordt Nora neergezet, nadat ze door de kinderarts in slaap is gebracht. Daarvoor was ze ‘in zichzelf gekeerd’ en snel geïrriteerd; nu, in die diepe slaap die naar haar zelfverkozen dood moet leiden, is ze zoveel makkelijker lief te hebben. De reactie van de vader is begrijpelijk, ontroerend zelfs – welke ouder zou het niet doen, de warme wangen strelen van het stervende kind? Maar als ik het lees, ben ik het meisje. Een meisje dat wordt aangeraakt zonder te kunnen weigeren. Een meisje dat liefde ontvangt zolang ze niet moeilijk doet, zolang ze de schone slaapster is, zacht en gehoorzaam. Ik lees het en ik voel de opstandigheid van het meisje dat schippert tussen het willen zijn van zo’n schone slaapster en het kapot willen slaan van alles en iedereen die van schone slaapsters houdt. Maar netjes opgevoede meisjes slaan niet, die maken zichzelf kapot.

Het hongeren wordt een rebellie tegen de norm. Weg is het gehoorzame meisje, het wezen dat nu ontstaat is bovenmenselijk, heeft niets of niemand meer nodig buiten zichzelf

Hoezeer Neuvel ook zijn best doet het hongerende meisje te begrijpen, uiteindelijk blijft hij de buitenstaander, zoals de jongens in Jeffrey Eugenides’ The Virgin Suicides, die verbijsterd proberen te achterhalen wat hun vijf mooie buurmeisjes zich van het leven deed beroven. Wat kan er nou zo erg zijn voor iemand die zo jong is, vraagt een dokter in die roman aan een van de meisjes, nadat hij haar polsen heeft dichtgenaaid. ‘Obviously, doctor’, zegt ze, ‘you’ve never been a thirteen-year-old girl.’

Anorexia, stelde de feministische psychotherapeute Susie Orbach in Hunger Strike: The Anorectic’s Struggle as a Metaphor for Our Age (1986), ‘is an expression of a woman’s confusion about how much space she may take up in the world’. Ruim dertig jaar na publicatie raakt Orbachs analyse voor mij nog altijd de kern. Vrijwel alle vrouwen, stelt Orbach, krijgen te maken met de maatschappelijke eis dat ze niet te veel initiatief moeten tonen, vooral ook niet te needy moeten overkomen. Zo raken ze vervreemd van hun eigen behoeften. Het lichaam is het symbool van menselijke behoeften, maar het is – voor een meisje, een vrouw – tegelijkertijd een consumptieartikel, dat voornamelijk bedoeld lijkt voor andermans plezier. En terwijl mannen gestimuleerd worden hun lichaam krachtiger, gespierder te maken, is een typisch vrouwelijk lichaam kwetsbaar: zacht of fragiel. Meisjes die anorexia krijgen, zijn zich in eerste instantie overdreven aan het conformeren: aan de eis hun behoeften in toom te houden en aan het kwetsbaarheidsideaal.

Zelf belandde ik in de magerzucht als brugklasser, verliefd op een jongen die mij niet zag staan maar wel die mooie, nog dunnere klasgenoot. Zo begon het (het kan ook anders beginnen, maar zo begint het vaak): een meisje wil mooi gevonden worden en afvallen lijkt de manier om daar te komen. Ze wil geliefd worden, en alles en iedereen om haar heen vertelt haar dat alleen schoonheid liefde uitlokt. Een jongen, een man, kan compenseren met humor, intelligentie, macht, talent. Zij niet. Haar lichaam is haar ‘ticket into society’, aldus Orbach, een visitekaartje waarin ze gevangenzit. Alleen via haar lichaam lijkt ze gezien en gehoord te worden. Zo begint het hongeren, als een toegeven aan de norm dat slank mooi is en jezelf eten ontzeggen bewonderenswaardig. Maar al snel verandert er iets. ‘Te dun’ roept geen begeerte op. Het meisje merkt dat hongeren niet de manier is om het hart van een man te veroveren. Tegen die tijd kan dat haar alleen al niet meer schelen. Wat is het hart van een man nog waard als je de absolute macht hebt verworven over je eigen lichaam? Het hongeren wordt een rebellie tegen de norm. Weg is het gehoorzame meisje, het wezen dat nu ontstaat is bovenmenselijk, heeft niets of niemand meer nodig buiten zichzelf.

Het minderen van voedsel gaat meestal gelijk op met het vermeerderen van fysieke activiteit. Je wordt sterker, in eerste instantie, je voelt je sterker. Je voelt je, bovendien, schoner, je propt niet meer gedachteloos troep naar binnen. Het liefst drink je alleen nog water. Steeds vaker voel je een kleine high, niet langer honger maar een prettig soort duizeligheid. Dat versterkt je gevoel van lichtheid. ‘I want to walk in the snow and not leave a footprint’, schreef Richey Edwards, de gitarist van de Manic Street Preachers. Ik zong het mee. ‘I want to walk in the snow and not soil its purity.’ Edwards sprak, net als Johns, uit eigen ervaring; magerzucht is aantrekkelijk voor iedereen die zich machteloos en waardeloos voelt. Dat dat vaker – veel vaker – meisjes zijn, zou niemand moeten verbazen.

Dit is de aantrekking: licht te zijn en krachtig, zuiver en obstinaat. Een lichaam te hebben dat helemaal van jezelf is. Totdat je een sonde in je neus geduwd krijgt.

Zover is het bij mij nooit gekomen. Ik zag het gebeuren bij een jaargenote die werd afgevoerd naar het ziekenhuis, ik zag meisjes in een eetstoorniskliniek op televisie verslagen in hun boterhammen prikken en ik dacht: dat nooit. Ik zag in dat de cijfers op de weegschaal niet eeuwig konden blijven dalen, dus hield ik op me te wegen. Ik zag in dat jongens graag meisjes met borsten wilden, dus liet ik mijn moeder slagroom op mijn bord spuiten. Ik capituleerde, werd weer sociaal acceptabel. Ik was niet zo ‘koppig’, of niet zo ver in de hongerverslaving, als Nora en de haren.

De onmacht bleef, die vond simpelweg andere zelfdestructieve uitingsvormen. De jaargenote met de sondevoeding kwam ook weer op een acceptabel gewicht, maar belandde opnieuw in het ziekenhuis omdat ze zich voor een auto had gegooid. Obviously, doctor…

Het is om woedend van te worden – een behandeling voor een aandoening waar vooral pubermeisjes aan lijden gebaseerd op medische bevindingen bij volwassen mannen

De behandeling van anorexia in de jaren negentig is afschrikwekkend. Alle opgebouwde controle wordt in één keer afgepakt. Van een sterk, op zichzelf staand individu met een doel word je een zielig ding waarin iets naar binnen moet worden gepropt. Orbach was er stellig over in 1986: de behandeling in anorexiaklinieken is ‘coercive, infantilizing and punitive’. Uit Neuvels boek blijkt dat deze dwingende benadering voor jonge vrouwen tot hun achttiende verjaardag nog altijd niet is veranderd. Zijn beschrijving van de behandeling die Nora en de andere meiden ondergingen vormt het meest aangrijpende onderdeel van het boek. In de kliniek wordt elk grammetje eten afgewogen, de meisjes worden overal gevolgd, hun privacy bestaat niet meer. En zodra ze onder een bepaald gewicht komen, volgt de dwangvoeding. Met riemen worden ze aan een speciaal ziekenhuisbed vastgebonden zodat ze de sonde die wordt binnengedrongen niet weg kunnen trekken. Neuvel: ‘Ik dacht altijd dat kort na de Middeleeuwen zulke methoden officieel waren afgeschaft. Nu weet ik beter.’ Een andere vader, Mehdi, is ervan overtuigd dat de dwangvoeding zijn dochter Ira ‘kapot heeft gemaakt’, omdat die ‘elke controle de nek omdraait’.

De behandeling van anorexia, vertelt Neuvel, is gebaseerd op een Amerikaans hongerexperiment uit 1944 van Ancel Keys. Daaruit zou gebleken zijn dat ondervoeding tot irrationele gedachten en gedrag leidt, en dat de oplossing dus zou moeten liggen in bijvoeren. De deelnemers aan het experiment: mannelijke vrijwilligers zonder eerdere psychische problemen.

Het is om woedend van te worden – een behandeling voor een aandoening waar vooral pubermeisjes aan lijden gebaseerd op medische bevindingen bij volwassen mannen. Een behandeling, bovendien, die volkomen voorbijgaat aan de behoefte aan autonomie, die alleen maar fixeert op het gehate eten. De meisjes blijven ongezien. Soms, bij direct levensgevaar, is dwang noodzakelijk, maar de neiging om alle verantwoordelijkheid van het meisje af te pakken werkt alleen maar averechts. Door de vrouw te dwingen te eten, zegt Orbach, door op elk hapje te gaan toezien, dwing je haar juist verder in haar hulpeloosheid, en haar manier om om te gaan met hulpeloosheid is ‘by tightening her control over food’. Via allerlei trucs zorgt ze ervoor dat ze alsnog de controle over haar inname en haar lichaam herwint, hoe tijdelijk ook. Dat gebeurt ook bij Nora en de haren. Als de sociotherapeuten even niet kijken, lopen ze rondjes of drinken ze water om zwaarder te lijken. Ze leren snel van elkaar, worden professionals, als jeugddelinquenten in een gevangenis.

Door tragische geschiedenissen zoals die van Nora zijn kinderartsen, psychologen en het ministerie van Volksgezondheid zich de afgelopen paar jaar gaan afvragen hoe de zorg voor kinderen en jongeren met anorexia verbeterd kan worden. Deze maand verscheen het adviesrapport K-EET, waarna minister Hugo de Jonge aankondigde in 2020 twee regionale expertisecentra voor eetstoornissen te openen, als proef. Uit K-EET bleek nog maar eens hoezeer anorexia een achtergesteld probleem is: huisartsen herkennen het vaak niet, kennis erover wordt niet goed gedeeld, en terwijl de gezondheidszorg andere dwangbehandelingen probeert uit te bannen is er nog geen landelijke aanpak om dwangvoeding te voorkomen. Patiënten geven aan dat zij zich niet gehoord voelen en dat er in de behandeling te weinig aandacht is voor ‘autonomie, zelfacceptatie en persoonlijke groei’.

Het is laat, rijkelijk laat, voor zulke conclusies. Decennialang kon in de behandeling van anorexia de persoon achter de patiënt ontkend worden, met als mogelijk gevolg het bedroevende slagingspercentage (slechts veertig procent geneest). Orbach, die zelf vele vrouwen met anorexia behandelde, schreef het al: ‘The woman as a whole person, that is, including her anorexia, must be respected.’ Volgens Orbach moeten therapeuten accepteren dat anorectici voedselweigering als verdedigingsmechanisme gebruiken om hun wankele zelfrespect intact te houden. De therapeut moet de angst voor het eten en aankomen serieus nemen, de uitgehongerde patiënt toestaan controle te houden over de eigen voedselinname en ondertussen het rationele zelf van die patiënt aanspreken, dat deel dat weet dat de angst eigenlijk over andere dingen gaat: over voelen, over je plek opeisen, over feilbaar zijn en menselijk.

Had die benadering Nora kunnen redden? Het blijft gissen, maar tegen het einde van zijn boek is dat wel de conclusie die de vader trekt. Hij had haar niet laten opnemen in de kliniek, maar thuis gehouden, zonder de verplichte eetlijst die ze meekreeg. Al in het eerste stadium van de ziekte had hij een goede therapeut gezocht, iemand met aandacht voor Nora’s vele angsten – ‘iemand die niets oplegt maar vooral goed luistert en onderzoekt waar de motivatie tot herstel ligt en daarop probeert aan te sluiten’. Ook vader Mehdi had het achteraf heel anders gedaan: ‘Als hij opnieuw kon beginnen, had hij vanaf dat allereerste begin nooit die verantwoordelijkheid van zijn dochter overgenomen.’

Het meisje – in haar benaming zit de verkleining, de machteloosheid al ingebakken. Laten we haar liever jonge vrouw noemen. Zolang we haar klein proberen te houden, zal ze vatbaar zijn voor de aantrekking van het hongeren, die perverse methode om gehoorzaamheid en rebellie te combineren.

Mijn hoop – misschien ijdel, misschien naïef – is dat Ana in het komende decennium alsnog verschrompelt. Niet alleen omdat de minister van Volksgezondheid zijn steun toezegde voor betere preventie en behandeling, maar ook omdat de meest bewonderenswaardige vrouwelijke rolmodellen van nu zich niet meer uitdrukken via hun lichaam. Emma González, Greta Thunberg, Malala Yousafzai – ze laten zien dat je als meisje, als jonge vrouw, gezien kunt worden door je uit te spreken. Moge dit vrouwbeeld, dit mensbeeld, het winnen van dat van de vrouw als consumptieartikel.