Jan Lauwereyns

Verdwijnpunt als perspectief

Jan Lauwereyns

Blanke verzen

Uitg. Lannoo, 72 blz., € 14,95

Parallelle werelden op zakformaat die onder je oog van vorm en kleur blijven veranderen: zo staan de beste gedichten uit het debuut Nagelaten sonnetten van de Vlaamse dichter Jan Lauwereyns (1969) in de herinnering. De bundel verscheen in 1999, moest voor de jury van de Buddingh’-prijs concurreren met de retorische grootspraak van Ilja Pfeijffer, en raakte hier sindsdien ondergesneeuwd. Of er een vervolg zou komen was onduidelijk, omdat Lauwereyns in de slotregels van zijn bundel de poëzie meteen maar vaarwel zei in een oproep aan de Tijd: «Hij mag het nu dan/ ook overnemen en verder geen herinneringen/ ophalen in gedichten die niet snel van/ toepassing willen zijn.»

Nee, de Nagelaten sonnetten waren op generlei manier van «toepassing». Het waren niet eens sonnetten. In zijn debuut opereerde Lauwereyns op de vierkante decimeter, vaak koket en afgrondelijk tegelijk, zoals Wilfred Smit dat ook kon zijn. Zijn gedichten leken niets anders te willen zijn dan virtuele ruimten, geavanceerde varianten op de aloude kijkdoos. Hij ensceneerde en manipuleerde tafereeltjes waarin de dichter razendsnel verscheen en verdween, vaak met een knipoog, of hij vertelde dubbelzinnig verdichte verhaaltjes, vol emblematische anekdotiek en surreële situaties. Daar sprong hij op het allerlaatste moment dan in of uit. Een raadselachtige, vluchtige aanwezigheid.

In zijn tweede bundel, Blanke verzen, bewijst Lauwereyns met verve dat hij er als hedendaags dichter toe doet. Waar velen op herkenbare formules blijven variëren en in die verkapte herhaling de experimentele aard van het moderne dichterschap loochenen, loopt deze dichter meteen met ferme passen weg van zijn debuut. In de plaats van sprankelende miniaturen zijn lange verhalende gedichten gekomen, opvallend oorspronkelijk van toon en onderwerp. Het eerste deel van de bundel is getiteld Het zwijgen van de dichter en bestaat uit zestien gedichten die een doorlopend verhaal vormen, een creepy story, misschien nog het meest verwant aan een filmscript van David Lynch. Vreemd is het de lezer te moede die in een verhaal valt waarvan de vertelster een muilezelin is, Wilde Burro, die in een oranje woestijn door een felgekleurde hagedis, het Gilamonster, wordt aangesproken. De ezelin, die even aan Apuleius’ ezel doet denken, kan slechts terugbalken. De hoogst wonderlijke vertelling die volgt is zoiets als een mesjoche variant op De tuinman en de dood, of Het meisje en de dood, onherkenbaar geworden door de koppeling van twee werkelijkheden (denk maar aan Lynch’ gebruik van de Möbiusring in Lost Highway). Zo'n huiveringwekkend gedicht leest men niet iedere dag; navertellen is ongepast. De slotregels van Het zwijgen van de dichter zijn een plezier op zich:

Had ik alles vanaf het begin

verkeerd begrepen?

Apekool.

Wat?

Het was allemaal larie en apekool.

Ik dood?

Waar waren we dan mee bezig?

Apekool.

Dat was het.

Hoe kon ik nu dood zijn?

Onmogelijke vragen. Maar de lezer ervaart dat hij, in het domein van de poëzie, met een dwingende werkelijkheid van doen heeft. Dat volgt verrassend uit het alledaagse taalgebruik en uit het personage dat in de herinnering van Wilde Burro (alias het dode meisje) opdoemt: «Naast mij lag Uwe Yser,/ gewezen dichter,/ negenentwintig jaar oud,/ uit het land van wafels, barokke schilderkunst/ en Manneken Pis.» Naast de tot muil ezelin gemetamorfoseerde jonge vrouw lag, wil zij maar zeggen, de gemetamorfoseerde dichter van de Nagelaten sonnetten. En ook op een andere wijze haakt Het zwijgen van de dichter aan bij Lauwereyns’ debuut, omdat daaruit het gedicht De droom van Arizona nu de kiem blijkt van deze vertelling. Intussen wordt in Het zwijgen van de dichter iedere poëtische conventie opgeofferd aan een onbevangen en amusante herdefiniëring van de kunstvorm poëzie. Nee, ook zulke originele poëzie leest men niet iedere dag.

Lauwereyns promoveerde op een proefschrift over doelgerichte visuele waarneming. In Blanke verzen is die wetenschap voor de gedichten relevant, richtinggevend zelfs. Ook hier blijkt zijn oorspronkelijkheid. De richting is die van de dichterlijke blik; die wordt onderzocht in de reeks Biologie van de dichterlijke ziel. Daarin verbindt Lauwereyns de doelgerichte blik van de dichter (gefixeerd «op een blank punt in de ruimte») luchthartig met de tenietdoende blik van Orpheus zoals die door de Franse schrijver en filosoof Maurice Blanchot het beginpunt van het schrijven is genoemd. Waarmee we terug zijn bij de dood van het meisje en (het zwijgen van) de dichter, want «die blik was/ de beweging van het verlangen,/ het verlangen naar het verdwijnpunt,/ naar het punt waar het lied/ niet meer hoeft.» De dichter en wetenschapper concluderen fraai en vermakelijk: «Zo werd mij/ de dichterlijke ziel uitgelegd/ aan de hand van een/ oogbeweging.»

En zo legt Lauwereyns ons uit dat het ware perspectief van de poëzie het verdwijnpunt is.