Verelendung

ELEND (SACHSEN-ANHALT) - Er valt een diepe, pijnlijke stilte in de goed gevulde Marienhofsaal in Wernigerode. De streekschrijfster Sigrid Drechsler heeft zojuist haar verhaal voorgelezen over een bosbouwstudent die per ongeluk werd doodgeschoten toen hij een paar stappen binnen de vijfhonderdmeterzone deed die de DDR van de Bondsrepubliek scheidde. Het verhaal is uit het leven van de toehoorders gegrepen. Zij kennen zo'n student: Otto Schulz, die in 1959 bij Ilsenburg in het schot van een overijverige grenswacht liep. Dan staat er een man op, een voormalige officier van de grenstroepen, die, aldus de Neue Wernigeröder Zeitung, ‘in eerlijke bewoordingen’ het geëmotioneerde publiek uitlegt dat dat soort dingen nu eenmaal gebeurden. ‘Zijn woorden bleven niet onweersproken’, zo besluit het bericht, ‘maar in onze tijd zal het voorval wel nooit meer kunnen worden opgehelderd.’

‘Dingen die nu eenmaal gebeurden.’ In Wernigerode, het hoofdstadje van de Hochharz net ten oosten van de voormalige Muur, overheerst de berusting. Alles wat nog aan de recente heerschappij van Marx herinnert, is taboe. De Karl Marxstrasse heet gewoon weer Brockenstrasse. Alle sporen van de Muur zijn weggevaagd, de Todesstreife is met jonge aanplant verdonkeremaand. Op één plek na: Sorge. In het Harzdorpje met die zwartromantische naam is een miniem stukje Muur bewaard: een gigantische kooi van stalen balken, kippegaas en messendraad, ooit honderden kilometers lang, nu een luttele dertig meter. De kooi is, samen met onder meer een verweerde wachttoren, onderdeel van een 'Ring der Erinnerung’, door de bewoners van Sorge met unzeitgemässe zorg en vlijt in het leven geroepen. ALS WE DE AUTO na een ferme wandeling over de besneeuwde 'Ring’ weer ophalen van de Wendeplatz en dieper de Harz in sturen, worden we in een dorp verderop door een homo DDRicus in een vaal joggingpak hartelijk welkom geheten: met een blik op ons buitenlandse nummerbord steekt hij joviaal zijn middelvinger op. In de Chinees ter plaatse komt tussen ons voor- en hoofdgerecht een heuse nazi-cel binnenmarcheren, een leider met drie gevechtsklare kompanen, die achter een scherm kalm hun maaltijd nuttigen, terwijl de zeer arische, blond opgeknipte ideoloog lange monologen afsteekt. De antifascistische arbeiders- en boerenstaat is verleden tijd. Ook in ons onderkomen. We verblijven in het plaatsje Elend, uitgekozen vanwege de onweerstaanbare naam. In Hotel Waldmühle aldaar (voorheen Erholungsheim 'Donbass’ van de Freie Deutsche Gewerkschaftsbund FDGB) verwijst alleen de boekenkast in de televisiekamer nog rechtstreeks naar vroeger. De fineerhouten regalen bevatten uitsluitend bellettrie uit de DDR-tijd: levensbeschrijvingen van stootarbeiders, romans over het heldhaftige verzet tegen de nazi’s, de autobiografie van de oprichter van de Amerikaanse communistische partij, en wat de socialistisch-realistische school zoal nog meer te bieden heeft. Het wordt niet meer gelezen, het wordt niet meer geschreven, het wordt niet eens meer herinnerd. Een middelbaar echtpaar uit Mecklenburg - óók DDR - heeft zich over het ontheemde Erholungsheim ontfermd. Het ruime, houten gebouw schreeuwt om een opknapbeurt, maar geld en energie ontbreken. Zelfs de fut voor een minimale service is er niet, terwijl we de enige gasten in het hotel zijn. 'Ik had zo veel zorgen vandaag’, walmt de in alcohol gedrenkte eigenaresse ons toe, 'ik ben er niet aan toegekomen uw kamer te doen.’ ’s Avonds schuifelt haar zwaar ademende, aan twaalf ziekten tegelijk lijdende echtgenoot naar onze tafel. 'Ik ben alleen met haar getrouwd omdat we dan een vergunning kregen om een huis te bouwen’, vertelt hij onder verlies van veel mondvocht. 'Steen voor steen hebben we het huis gebouwd. Alles zelf gedaan. Mijn vrouw mengde het cement. Ze maakte het veel te stevig, zo graag wilde ze dat huis met mij. Later kregen we geen spijker meer in de muur.’ Van ontroering barst de man in snikken uit. En zal dat blijven doen gedurende het hele daarop volgende, deerniswekkende relaas over zijn huwelijk, zijn zoon en zijn diepgelovige grootvader. VANAF ELEND voert een comfortabele wandelroute naar de top van de beroemde Brocken, de hoogste berg van Midden-Duitsland. De weg loopt via het wintersportdorp Schierke, voorheen aangeduid als Kurort der Werktätigen. Na de koffie in Hotel Fürstenhöh, voorheen FDGB-Erholungsheim 'Franz Mehring’, nemen we het pad dat achter het Chinese restaurant Lotus, voorheen FDGB-Erholungsheim 'Rosa Luxemburg’, verder omhoogslingert. Door mist en sneeuw bereiken we het plateau bovenop de berg, waar een Duitse en een Russische zendmast en een moskee-achtig gebouw van de voormalige Staatssicherheitsdienst over de omgeving heersen. Vroeger stond er het beroemde Brockenhaus, waar wandelaars konden eten, drinken en overnachten. En er was een uitzichttoren. Op die toren probeerde in 1824 de dichter Heinrich Heine een jongedame even hardnekkig als vergeefs het hof te maken door haar de steden en dorpen in de omgeving aan te wijzen - wat hem overigens zeer slecht afging, omdat, zo bekende hij in het beroemde verslag van zijn Harzreis, zijn ogen 'ondertussen naar het gezicht van de lieftallige dame waren afgedwaald en daar waarlijk fraaiere locaties hadden gevonden dan “Schierke” en “Elend”’. Van de natuur genieten is oké, maar je moet er wel een bekoorlijke deerne bij hebben, was Heines motto. Want eenmaal weer beneden, in Ilsenburg, aan de soep in herberg 'Zu den Rothen Forellen’, ontwaarde hij in de tuin aldaar wederom talloze 'lieflijke meisjesgezichten’ in 'geurige rozenpriëlen’. Anderhalve eeuw later, toen Martin van Amerongen in de voetsporen van Heine hetzelfde etablissement aandeed, hadden de meisjes met pijpekrullen plaatsgemaakt voor nurkse bondsbonzen van de FDGB, kluivend aan vette varkenspoten. Maar ook die zijn alweer verleden tijd. 'Zu den Rothen Forellen’ is ten offer gevallen aan West-Duits kapitaal en getransformeerd in een met oudrose lappen en veel droogboeketten opgesmukt, luxe restaurant, waar oude en nieuwe rijken uit de omgeving elkaar hun nieuwste Mercedes en hun nieuwste blondine showen. MAAR GOED DAT de schoonheidsminnende Heine dit allemaal niet meer heeft hoeven aanzien, bondsbonzen noch nieuwe rijken. Al zou hij van beide nog het minst verbaasd hebben gestaan van de grauwe wereld van de volksdemocratie. Had hij het aanzien daarvan immers niet al pijnlijk nauwkeurig uitgetekend in zijn Geständnisse, een jaar voor zijn dood genoteerd? Heine, in de DDR een vrijwel onomstreden cultuurgrootheid die zelfs met de eretitel 'revolutionair’ werd omhangen, wist precies waar het gedachtengoed van Marx op uit zou draaien: 'Inderdaad denk ik alleen maar met afgrijzen en schrik aan de tijd waarin die duistere beeldenstormers aan de macht zullen zijn: met hun ruwe vuisten slaan zij dan zonder erbarmen alle marmeren beelden van de schoonheid kapot; zij vernielen al het speelgoed en alle fantasievolle snuisterijen van de kunst; zij hakken mijn bossen om die mij het loof voor lauwerkransen leveren en poten er aardappels (…); de nachtegalen, de nutteloze zangers, worden weggejaagd, en ach, van mijn Buch der Lieder zullen de kruideniers papieren zakken maken om er koffie en snuiftabak in te doen voor de oude kletskousen van de toekomst. Ach! dat zie ik allemaal gebeuren en een onuitsprekelijke droefenis grijpt mij aan als ik aan de ondergang denk waarmee het zegevierende proletariaat mijn gedichten bedreigt, die met de gehele oude romantische wereldorde zullen vergaan. En toch, ik beken het vrijmoedig, juist dit communisme, de vijand van al mijn belangen en neigingen, betovert mijn gemoed en ik kan me er niet tegen verzetten…’ 'Dit communisme’ mag hem hebben bedroefd én betoverd, dát communisme, het reële van de Duitse Democratische Republiek, zou hem op zijn Parijse matrassengraf nachtenlang uit de slaap hebben gehouden. Was dat waar hij tien jaar voordien, toen hij bij de jonge dichter-journalist Karl Marx gedurende diens verblijf in Parijs kind aan huis was, over had zitten redetwisten onder het genot van een goed glas wijn en de moederlijke zorgen van Marx’ echtgenote Jenny? Nee, de beide vrienden hadden waarschijnlijk niet het minste vermoeden waar ze het over hadden. Van hun beider leermeester, de dialectische tovenaar Georg Wilhelm Friedrich Hegel, hadden ze geleerd de geschiedenis niet naar de werkelijkheid maar naar de idee te betrachten. En allebei concludeerden ze dat het zó niet moest worden, niet die 'algemene ascese en ruwe gelijkmakerij’ (Marx), niet die 'roes van het gelijk zijn’ en die 'beeldenstormende razernij’ (Heine). Maar zo wérd het wel. En zo is het nog steeds. Er mag hier en daar een naambordje verwisseld zijn en het IJzeren Gordijn mag zorgvuldig opgevouwen en in de diepste kelders zijn weggeborgen, onbereikbaar voor de volksherinnering, oost is nog altijd zeer herkenbaar oost, ook al is er inmiddels een heel decennium sinds de val van de Muur verstreken. Het deprimerende beeld dat de Dresdense dichter Thomas Rosenlöcher tien jaar geleden van de ontmuurde Harz schilderde, komt althans in elk van zijn vele grijstinten nauwkeurig overeen met wat de huidige Harzreiziger aantreft. ROSENLÖCHER KON zich er toen, in de maand dat de Ostmark met de trotse Marx erop plaats maakte voor de zo begeerde D-mark, nog vrolijk over maken. Zijn Harzreise is een kluchtige tocht door een getraumatiseerde streek, waar de bewoners onwennig West-Duitsertje spelen in de kostuums en met de attributen uit de voormalige volkseigene werkplaatsen. 'Met precies dezelfde zwaai als vroeger kwam uit het keukengat precies dezelfde vakbondsgoelasj in precies dezelfde gigantische hoeveelheid op mijn tafel terecht. Wat stond die daar gewichtig te dampen. En wat liet die zich erop voorstaan altijd een vrijheidsstrijder te zijn geweest. Met opzet de staat te hebben willen ondermijnen. Alleen al door zijn gigantische hoeveelheid. “Wat jij, hond van een goelasj”, zei ik tegen hem. “Gecorrumpeerde brij. Hier mag iedereen meepraten, heette het, maar jij snoerde ons meteen de mond. Men had ons het rijk van de vrijheid beloofd, in plaats daarvan zette men ons jou voor. Jij moordenaarsgoelasj, weet je nog wel hoe het was?” De goelasj lag op zijn bord en kon zich, net als ieder ander hier, niets meer herinneren. “Jij verrader van de arbeidersklasse!” riep ik. “Het ontbreekt er nog maar aan dat je beweert al die tijd net als wij voor de gek te zijn gehouden.” De goelasj knikte. “En hoe”, zei hij.’ DIEZELFDE 'vakbondsgoelasj’ komt, tien jaar later, ook op ons pad. Bij station Drei Annen Hohne, waar de stoomtrein die van de Brocken afdaalt kruist met de stoomtrein die ons naar Elend moet terugbrengen, staat op een vrijwel lege parkeerplaats Kukki’s Gulaschkanone: een Mercedes-bestelwagen met daarachter een legerveldkeuken die, schatten wij, beide wereldoorlogen moet hebben meegemaakt. Het is snerpend koud, de uitbater komt met tegenzin uit zijn auto, maar blijkt opvallend welgemutst. Omdat we de laatste gasten voor die dag zijn, krijgen we een glas kruidenbitter van het lokale merk Schierker Feuerstein cadeau. We kiezen voor de erwtensoep met bockworst. De dikke, hete 'moordenaarsbrij’, waar de lepel rechtop in blijft staan, snoert ons de mond. Zodat 'Kukki’ vrijuit kan praten: 'Gisteren was ik met mijn zoon van vijftien naar een concert van de punkgroep Tote Hosen - mijn oren piepen er nog van. Is daar de Muur nu voor gevallen, zodat we naar die klereherrie kunnen luisteren? Ik ben zelf muzikant. Ik speelde saxofoon in de blaaskapel van de grenstroepen. Ik was gelegerd in Elend. Dat lag toen in de tien-kilometerzone, waar je alleen met speciale pasjes mocht komen. We speelden voor de troepen. En voor de boeren in de buurt, die ons overal binnen noodden en altijd meteen de drank op tafel zetten. We hadden veel lol, het was een goeie tijd, met politiek hadden we niets te maken. Nu is het allemaal anders. Iedereen is voor zichzelf bezig. Het verband is eruit. Ik ben ook maar voor mezelf begonnen, je moet toch wat. Het loopt goed met de goelasj, ik mag niet klagen. Maar de meeste mensen zijn er niet vrolijker op geworden.’ De avond valt. 'Kukki’ pakt zijn nering in en sluit de veldkeuken. Wij struinen door de sneeuw naar het station. Ieder van ons op weg naar Elend, waarheen anders. Nee, Marx is niet dood, hij is alleen maar heel erg depressief.