Verelendung

Als je een beetje het wetenschappelijke nieuws volgt, doemen al snel twee conclusies op. De eerste is dat het niet goed gaat met de universiteit. Matig onderwijs, ongemotiveerde studenten, onder verantwoordingsgekte bezwijkende docenten, verschralende onderzoeksbudgetten, slinkend onderwijsaanbod. De andere is dat het uitstekend gaat met de universiteit. Hoge kwaliteit, internationalisering, bruisende campussen, kenniseconomie, innovatie en patenten. Het fascinerende is dat ze allebei waar zijn: het gaat zowel uitstekend als miserabel.

Iedereen draagt ideaaltypische opvattingen van wetenschapsbeoefening met zich mee. Bij de meesten van ons zijn dat witte jassen, laboratoria, ruitjespapier, petrischaaltjes en witte dampen boven reageerbuisjes. Blader willekeurig welk wetenschapskatern door en je ziet dit beeld gestaafd: veel hersenscans, astrofysica, laboratoria en evolutietheorie. Terwijl artikelen over sociologisch, economisch of historisch onderzoek op de vingers van één hand zijn te tellen.

Het zou niet mogen, maar ook universiteitsbestuurders, hun paladijnen en politieke meesters, zijn de gevangenen van dit soort primitieve beelden. Het echte wetenschappelijke onderzoek vindt plaats aan natuurwetenschappelijke faculteiten. Dat voldoet aan strikte methodologische eisen (repliceerbare experimenten), vervult duidelijke maatschappelijke behoeftes (nieuwe technologieën, effectievere behandelmethoden) en kan dus makkelijk worden omgezet in vermarktbare producten. Kom daar maar eens om bij de alfa- en gamma-wetenschappen: moeilijk geneuzel, methodische mist, onbeslechtbare conceptuele debatten, en dus veel, erg veel navelstaarderij.

Geen wonder dat bestuurders de neiging hebben om ten overstaan van hun broodheren hun organisaties te versmallen tot de kraamkamers van harde kennis. De minister krijgt alleen het Science Park te zien, met zijn deeltjesversneller en hypermoderne sterrenwacht, en wordt angstvallig weggehouden bij het Sociologisch Instituut. Hij mocht eens de aankondiging van een seminar over ‘De sociale constructie van queerness’ of ‘Gender studies na Bourdieu’ zien.

En geen wonder dat van de weeromstuit een steeds groter deel van de onderzoeksgelden naar de natuurwetenschappen gaat. Wie verdient, bepaalt. Wat dat betreft is een universiteit net een bank. Hebben daar de zakenbankiers het voor het zeggen, hier de glamourboys van de astrofysica. En dus zitten zij in de mooiste gebouwen, weegt hun stem het zwaarst in universitaire gremia, mogen zij mee op dienstreis naar India, China of Den Haag, zijn hun netwerken leidend voor samenwerking of fusie, en worden de prestaties van hun sociaalwetenschappelijke collega’s afgemeten aan indicatoren (aantal citaties in Web of Science, patenten, technical devices, stakeholder-consortia) die op hun maat zijn gesneden.

De observatie dat universiteiten slaaf zijn van het militair-industrieel complex is niet nieuw. Per slot van rekening was dat het expliciete doel van de veelgeroemde Duitse onderzoeksuniversiteiten uit het einde van de 19de eeuw. Publiek gefinancierd natuurwetenschappelijk onderzoek dat ten dienste stond van de economisch nationalistische doelen van de Pruisische staat. In feite is de onderschikking van NWO aan het Topsectorenbeleid hier een slappe, Nederlandse variant op. Pruisen met luiers, zeg maar.

De Amerikaanse Ivy League-universiteiten danken hun transformatie van slaperige, elitaire gildescholen in wereldberoemde onderzoeksuniversiteiten in hoge mate aan de gelden die de Amerikaanse overheid tijdens de Koude Oorlog zo genereus ter beschikking stelde aan natuurwetenschappelijk onderzoek. Obama’s aankondiging om in 2014 honderd miljoen dollar te spenderen voor hersenonderzoek past naadloos in dit plaatje.

Dit staat in schril contrast met de academische Verelendung van alfa- en gammafaculteiten. Gebouwen, voorzieningen, outillage en vooral staf kreunen en steunen onder de verwoestende effecten op kwaliteit, status en arbeidsvreugde van de dubbele aanslag van stijgende studentenaantallen en dalende financiering per student. Bij gelijkblijvende onderwijsbudgetten gaat de welvaart van de een namelijk ten koste van de ander. De armoede van het Sociologisch Instituut is de keerzijde van de rijkdom van het Science Park. Dat is waarom beide conclusies - het gaat uitstekend en miserabel met de universiteit - tegelijk waar kunnen zijn.

Wat te doen? Protesteren namens de Kritiese universiteit van de jaren zeventig of de burgerlijke Bildungsuniversiteit van nog verder terug is ahistorisch nostalgisme. Al decennia zijn bèta-faculteiten de kurk waar universiteiten op drijven. Bildung en kritiek zijn altijd bijzaak geweest. Afgeven op de managersuniversiteit is al even misplaatst. Managers zijn slechts de belangenbehartigers van uw natuurwetenschappelijke collega’s en de kenniseconomie die zij belichamen. Meer kans maakt doodordinair belastingpopulisme. Als negentig procent van de Nederlandse studenten een babbelvak volgt (economie, bestuurskunde, rechten, sociologie, talen), is Nederland kennelijk een babbeleconomie, geen kenniseconomie. Waarom meebetalen aan onderzoekssubsidies die via het topsectorenbeleid terechtkomen bij grootbedrijven die hier nauwelijks belasting betalen of werk creëren? Trek liever een blik sociologen, economen, antropologen, historici of geografen open.

Onder het motto: weg met de nerd! Leve de babbelende kaste!