De ziekmakende plutoniumindustrie

Verenigd in vrees

Tijdens de Koude Oorlog hitsten Amerika en de Sovjet-Unie elkaar op in de productie van plutonium voor atoomwapens. Een letterlijk ziekmakende industrie waarvoor beide landen zonder scrupules gebruik maakten van argeloze arbeiders.

De Ground Zero van de Russische atoomwapenindustrie. Zo noemen fotograaf Robert Knoth en journalist Antoinette de Jong de stad Semipalatinsk in Oost-Kazachstan die ze in 1999 bezochten. Vijftig jaar eerder ontplofte hier boven op een betonnen moloch de eerste Russische atoombom. De volgende veertig jaar zouden er meer dan 468 volgen. Dat is er bijna iedere maand één. De leider van het Russische atoomprogramma, Stalins rechterhand Lavrenti Beria, had gemakshalve verklaard dat het gebied onbewoond was. Maar, schrijft De Jong, in werkelijkheid werden hier 1,7 miljoen mensen blootgesteld aan hoge doses straling.

Soldaten kwamen langsrijden om mensen te waarschuwen niet uit hun huizen te komen. Dan volgde een lichtflits, een schokgolf en in de verte verrees een enorme paddenstoelwolk. De bewoners kregen een slokje wodka tegen de straling en de schrik, en iedereen ging weer z’n gang.

Knoth, die ik in Amsterdam spreek, kan het nog steeds niet begrijpen. ‘Hoe kan een land zijn bevolking zo gewetenloos opofferen aan de wapenwedloop?’ De geheimzinnigheid, de schaal en het grote aantal slachtoffers inspireerden hen tot het boek Certificate no. 000358. Daarvoor bezochten ze ook de andere Russische nucleaire rampgebieden, Tomsk en Maiak, waar het plutonium voor de bommen werd geproduceerd, en natuurlijk Tsjernobyl, waar ze de vijftienjarige Anna ontmoetten – een erkend slachtoffer van de ramp bij wie op vierjarige leeftijd een hersentumor werd verwijderd. Het meisje, dat nooit meer herstelde, staat op het omslag van Certificate. De titel is ontleend aan het document dat haar toegang tot rudimentaire zorg verschaft.

De Amerikaanse historica Kate Brown kwam rond dezelfde tijd bij Tsjernobyl terecht. Ze werkte aan een boek over de geschiedenis van het grensgebied tussen Polen en Rusland tot aan Oekraïne: A Biography of No Place (2005). Het is een gebied waar joden, Duitsers, Polen en Russen vreedzaam hun akkertjes bewerkten totdat Hitler en daarna Stalin eroverheen walsten om orde op zaken te stellen. De kernramp in Tsjernobyl zag Brown, die vloeiend Russisch spreekt, als de zoveelste klap voor de veelgeplaagde regio. Toen ze er een artikel over had geschreven voor Chronicle of Higher Education stelde haar uitgever voor om er een boek over te maken.

Brown voelde daar niet veel voor. Ze kende de uitgave Certificate en was bang dat een historie van Tsjernobyl alleen maar zou bijdragen aan de stereotypering van de Russische atoomindustrie. Maar was Amerika zoveel beter? Vanaf 1987 had het Department of Energy zestigduizend documenten vrijgegeven met informatie over de Amerikaanse plutoniumfabriek in Hanford in de staat Washington. Wat ze daarin las, was behoorlijk verontrustend. Ze begon te vermoeden dat de overeenkomsten tussen de Amerikaanse en de Russische plutoniumindustrie veel groter waren dan de verschillen.

Technisch was dat niet zo vreemd, omdat de Russen de nucleaire technologie vanaf het eerste begin via spionage hadden verworven. Maar dat ondanks de tegenovergestelde staatsideologieën de sociale omgeving vrijwel identiek was, bevreemdde haar. ‘Al die tienduizenden mensen zijn er decennialang getuige van geweest hoe enorme hoeveelheden radioactief afval zijn geloosd’, zegt ze als ik haar op Schiphol spreek. ‘En toch doet veertig jaar lang niemand z’n mond open. In geen van beide landen. Zo kwam ik op de titel Plutopia, want er moest iets zijn in de manier van leven waardoor mensen decennialang hebben weggekeken.’

Plutopia, dat dit voorjaar uitkwam, is zo een dubbelgeschiedenis geworden van de plutoniumfabrieken in de VS en Rusland, verenigd in vrees, die tijdens de Koude Oorlog als gekken tegen elkaar op produceerden en waar medewerkers in hun afzondering een heel bijzonder perspectief op de wereld ontwikkelden. Kate Brown, als historica verbonden aan de universiteit van Maryland in Baltimore, beschrijft op onderkoelde toon de verbijsterende geschiedenis die opduikt uit gesprekken met getuigen en documenten.

In 1942 waren Hanford en Richland half verlaten nederzettingen op de droge vlakte tussen de watervallen van de Columbia-rivier en de Rocky Mountains. Het was deze plek die de Amerikaanse overheid had uitgezocht voor de productie van plutonium voor Amerika’s kernbom als einddoel van het Manhattan-project. Brown schrijft: ‘Iedereen die notie had genomen van het patroon in onteigeningen in het Amerikaanse westen had de bui kunnen zien aankomen toen kolonel Matthias er eind 1942 in zijn overheidswagen arriveerde. Maar kennelijk had niemand opgelet. De tweeduizend inwoners van Hanford, White Bluffs en Richland voelden zich overrompeld toen ze in februari 1943 een brief kregen waarin stond dat de overheid beslag legde op hun land, boerderijen, boomgaarden, huizen en zakenpanden.’

In slechts achttien maanden tijd verrees T-plant, een fabriek zo groot als een schip. Daarin kwamen alleen nette – lees blanke – mensen te werken die gehuisvest werden in een naburig dorp, het nieuwe Richland. De buurt vol vrijstaande huizen met veranda’s langs een regelmatig rooster van straten zou de blauwdruk worden voor de Amerikaanse suburbs. Gevangenen werden ingezet voor gevaarlijke klussen met grote stralingsdoses.

Plutonium (scheikundig symbool: Pu) is een stof die niet in de natuur voorkomt, maar die in een kernreactor uit uranium ontstaat door bestraling met neutronen. Plutonium heeft geen andere toepassing dan kernwapens en is vooral gevaarlijk binnen het lichaam (door voedsel of inademen) omdat het in z’n directe omgeving ernstige stralingsschade aanricht die tot tumoren kan leiden. Plutonium wordt uit bestraalde splijtstof (voornamelijk bestaande uit uranium) gewonnen door die op te lossen in geconcentreerd salpeterzuur en door vervolgens langs chemische weg de ongeveer zeven procent plutonium van de andere isotopen te scheiden. Een plutoniumfabriek bestaat dus uit kernreactoren en chemische fabrieken. Daarnaast zijn schoorstenen, afvoerpijpen en opslagvijvers en -tanks nodig om de afvalproducten weg te werken.

In Richland werkten de mannen in de reactor en de vrouwen in de scheidingsfabriek. ‘Het werk in de verwerkingsfabriek, waar laboranten uraniumoplossingen destilleerden om er druppels plutonium uit te winnen, werd als eenvoudiger en minder gevaarlijk beschouwd dan werken in de reactor. Die aanname bleek onjuist’, zegt Brown, die de zieke slachtoffers sprak. De tragiek wil dat vooral vrouwen in de vruchtbare leeftijd tussen twintig en veertig jaar voor dit werk werden geworven.

De eerste hoeveelheid plutonium werd in februari 1945 naar Los Alamos gestuurd, en daarna ging het vlot. Na het eind van de Tweede Wereldoorlog werd in het kader van de Koude Oorlog de productie flink opgeschaald. In 1948 stonden er vier reactoren en twee opwerkingsfabrieken en de uitstoot van radioactieve isotopen in de lucht en naar de rivier nam gestaag toe. Zeker toen men na de eerste Russische atoombom in 1949 besloot om de gebruikelijke afkoelperiode van bestraalde splijtstof van twee tot drie maanden te schrappen. Zo’n green run veroorzaakte veel meer radioactieve vervuiling aan kortlevende isotopen en werd daarom als extreem ongewenst beschouwd. Militairen drongen er echter op aan omdat ze aannamen (terecht, naar later bleek) dat de Russen zo te werk gingen. Meting van de uitstoot van dit eenmalige ‘experiment’ zou een vergelijking mogelijk moeten maken met de Russische emissies en daarmee informatie leveren over de grootte van de productie. Tot op de huidige dag wordt de plutoniumproductie nauwkeurig afgestemd op de tegenpartij.

Onder president Eisenhower (1953-1961) namen de emissies flink toe, terwijl de veiligheidsnorm juist werd verlaagd. Zo werd in 1951 via de schoorsteen 181 curie aan jodium de lucht in geblazen, terwijl de norm één curie per dag bedroeg. Een curie is de radioactiviteit van één gram radium-226. Tussen 1951 en 1953 werd gemiddeld zevenduizend curie per dag vanuit opslagtanks in de rivier gepompt. In 1959 was dat zelfs drie keer meer. In de hoogtijdagen tussen 1956 en 1965 draaiden er negen reactoren en vijf opwerkingsfabrieken. Het afval werd opgeslagen in 177 ondergrondse silo’s omdat niemand wist wat je er anders mee moest.

In totaal werd er naar schatting tweehonderd miljoen curie geloosd en 350 miljoen curie radioactiviteit opgeslagen in roestende ondergrondse tanks. Daarmee vergeleken is de uitstoot van vijftig tot negentig miljoen curie van Tsjernobyl een bedrijfsongevalletje. In Hanford werd alles bij elkaar een kleine zestig ton plutonium geproduceerd voor zestigduizend kernkoppen.

Het contrast tussen de vernietigingskracht van de kernkoppen en de onvoorstelbare vervuiling in Hanford en het middle class utopia voor de werknemers in Richland kon niet groter zijn. Het bedrijf General Electric, dat het overheidscontract had overgenomen van Dupont, runde er in wezen een communistische enclave met totale controle over zijn werknemers. Goed betaald als ze waren, hadden die daar geen problemen mee. Veilig en van alle luxe voorzien beschouwden ze zichzelf binnen de omheining als de uitverkorenen. Daarbuiten leefden de wood heads en heersten misdaad en armoede.

Zo kon het gebeuren dat na de val van de Berlijnse Muur in 1989 mensen in Richland de straat op gingen om te demonstreren vóór de bom. Dat mocht niet baten. Maar toen het Department of Energy de tent sloot (plutoniumproductie vindt nu plaats in Georgia), was er plots een nieuwe industrie: de schoonmaak. Goed voor honderd miljard dollar en vijftig jaar werk.

Kate Brown heeft er geen vertrouwen in: ‘Ze hebben nu 35 miljard uitgegeven, maar er is weinig vooruitgang geboekt. Er zijn dubbele wanden rond lekkende tanks gemaakt, maar niemand weet hoe ze de hoogradioactieve pindakaas in de tanks moeten verwerken.’

Vijf tot tien keer meer radioactiviteit dan een geplofte kernreactor, en niemand weet een oplossing. Nee, dan Rusland. Daar is het altijd een graadje erger. Brown kreeg haar informatie uit publicaties die het Department of Energy vanaf 1990 openbaar maakte. Rusland lag op z’n gat en Amerika maakte zich zorgen over de nucleaire faciliteiten. ‘Het Department of Energy heeft er veel geld in gestoken, en dat opende de deuren.’ Ook twee historici uit Ozersk (het Richland van Rusland) en Moskou hebben onderzoek gedaan, aan de hand van interviews en archieven, naar de plutoniumfabriek in Maiak nabij Tsjelabinsk (waar onlangs een meteoriet overheen vloog). Onder Poetins vernieuwde patriottisme gingen de poorten weer dicht en Ozersk werd wederom een gesloten stad.

Brown interviewde oud-werknemers en hun familie uit Ozersk daarom via een dame die er met stralingsslachtoffers werkt. Ze werd ondergebracht in een datsja in een naburig dorp. ‘Ik kon daar niet interviewen, want de huurbaas was bang voor de fsb, de opvolger van de kgb. Nadezhda belde me dan op en zei: “Ik stuur nu iemand naar je toe.” Als ze dan aan mijn accent hoorden dat ik Amerikaanse was, wilden ze meteen rechtsomkeert maken. Vijftig jaar lang hadden ze gehoord dat wij hun aartsvijand waren. Mensen die wel wilden praten hadden vaak een rekening te vereffenen. Het waren vaak ouderen die ziek geworden waren of mensen met kinderen that got messed up.’

De Goelag, juli 1946. Ploegen van duizenden uitgemergelde arbeiders begonnen aan een hopeloze klus: met schep en kruiwagen een dertig meter diep fundament graven voor de eerste Russische kernreactor in de zompige bodem van de Oeral.

Toen twee jaar later de reactor A (koosnaam Anouchka) voor het eerst kritiek werd, was dat maar voor even. Het koelwater was veel te radioactief. Kennelijk waren er splijtstofelementen oververhit geraakt en geknapt. Operator Kurchatov wist niet hoe snel hij de regelstaven moest laten zakken om daarna kameraad Beria het slechte nieuws te brengen.

Men besloot dat alle splijtstofstaven met de hand uit de reactorwand van grafiet getrokken moesten worden. Brown schrijft: ‘Het is moeilijk voor te stellen wat een moed het vergt om de reactorhal in te lopen en met de hand de staven te verwijderen. Iedereen deed mee – gevangenen, gedeporteerden, soldaten, operateurs, opzichters en wetenschappers. Zelfs Kurchatov pakte een gasmasker en ging naar binnen. Terug uit de reactor sloegen de mannen een glas wodka achterover terwijl ze de misselijke duizeligheid probeerden te onderdrukken.’

Van de 29 geregistreerde incidenten mag er hier één niet ontbreken: de explosie van een ondergrondse opslagtank voor hoogradioactief afval in Kysthym op 29 september 1957. Oververhit door de warmteproductie knalde een 160 ton zwaar betonnen deksel van vier meter onder de aarde opeens naar twintig meter erboven. Toeschouwers bij een voetbalpartijtje zagen hoe een grijze wolk zich aan de horizon verspreidde. Toen begon het langzaam te regenen.

Inderhaast opgeroepen militairen arriveerden een dag later om de boel op te ruimen. Een ooggetuige vertelde Brown: ‘De mannen waren bleek, gaven over en spuugden bloed. Ze trilden en hun haar viel uit. Ik heb de moeder van een van de soldaten gebeld. Ze was nog net op tijd, zodat hij niet alleen stierf.’

Toen in 1990 de eerste radiologische inspectieteams het stroomgebied van de rivier Techa benedenstrooms van Maiak bezochten, konden ze hun geigertellers nauwelijks geloven. Hooi voor de koeien gaf een hogere uitslag dan in de omgeving van Tsjernobyl. De plutoniumfabriek had vanaf het begin radioactief afval in het riviertje geloosd, waarvandaan het zich door de hele moerasachtige omgeving had verspreid. Halverwege de jaren vijftig was er een evacuatie van benedenstroomse dorpen geweest, overigens zonder de bewoners te vertellen waarom. Maar het dorp Muslumovo was grotendeels ongemoeid gelaten.

Toen fotograaf Robert Knoth en journalist Antoinette de Jong het troosteloze dorp tien jaar later bezochten, merkten ze dat er in ieder huis wel iemand ziek was, ‘en niet zo’n beetje’. Ook fotografeerde Knoth de macabere verzameling van honderden miskramen uit de regio in het radiologische onderzoekscentrum fib-4 in Tsjelabinsk.

Het is verleidelijk om de historie van de plutoniumproductie af te doen als een boze droom uit de geschiedenis. Volgens zowel Knoth als Brown is dat onterecht. Want de productie gaat nog steeds door, zij het op andere plaatsen. Brown schrijft dat er nu meer geld naar nucleaire bewapening gaat dan op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. De VS hebben er voor de komende tien jaar zevenhonderd miljard dollar voor uitgetrokken en Rusland blijft met 650 miljard niet ver achter.

Het griezeligst van alles is dat de politiek niet bij machte is om de plutoniumproductie te stoppen. Tijdens zijn laatste bezoek aan Berlijn zei president Barack Obama kernwapens te willen ontmantelen, maar volgens Brown heeft hij dat snel weer ingeslikt omdat het politieke zelfmoord zou zijn. De enorme zakelijke belangen en de verwevenheid met de politiek maken het onmogelijk de plutoniumproductie te beëindigen. Brown citeert een voormalige Pentagon-official: ‘De Koude Oorlog is voorbij, het militair-industriële complex heeft gewonnen.’

Met een morbide soort cynisme is Rusland de streek rond Maiak en andere nucleaire armageddons gaan beschouwen als geschikte opslagplaats voor kernafval van anderen. Ze leveren al nucleaire kennis, technologie en diensten aan China, India en Iran. De Jong schrijft: ‘Ook beoogt de Russische federatie een sleutelrol in de bewerking en opslag van radioactief materiaal van over de hele wereld. In 2004 waren de internationale contacten van de Russische kernindustrie al 3,5 miljard dollar waard.’ Ze verwijst naar een conferentie van het Internationaal Atoomenergie Agentschap iaea in Moskou in 2005 waar die plannen werden besproken.

Blijft de vraag waarom mensen zo lang konden wegkijken van de vernietiging die ze teweegbrachten. Brown denkt dat hun comfortabele welstand hun ervan overtuigde dat ze de juiste keuze hadden gemaakt. ‘Zelfverzekerdheid en vertrouwen brachten patriottisme voort, trouw, onderwerping en zwijgen. We zijn tot veel bereid wanneer ons comfort, onze manier van leven op het spel staat. Kijk naar Edward Snowden. De helft van Amerika beschouwt hem als een verrader omdat hij ons vertelt dat de overheid ons bespioneert. We willen het niet weten. We’re all residents of Utopia, right?’

Kate Brown, Plutopia: Nuclear Families, Atomic Cities and the Great Soviet and American Plutonium Disasters, Oxford University Press, 2013;

Robert Knoth en Antoinette de Jong, Certificate no. 00358: Nuclear Devastation in Kazakhstan, Belarus, the Urals and Siberia, Mets Schilt, 2006