‘Vergeef me deze “wijze woorden”’

Ook in de postume brievenautobiografie van dichter Paul Celan, met brieven aan zijn vrouw en zijn vele vriendinnen, betoont de dichter zich een groot auteur.

We herdenken dit jaar Paul Celans vijftigste sterfdag en zijn honderdste geboortedag © Effigie Literary Photo Agency / HH

‘Départ Paul’ stond er bij de datum 19 april 1970 genoteerd in de agenda die Paul Celan (1920-1970) op zijn bureau achterliet. Een paar dagen later werd het lichaam van de grootste dichter van de twintigste eeuw opgevist uit de Seine. Hij woonde in Parijs, schreef in het Duits en was een Roemeense jood, geboren in wat nu Tsjernivtsi heet en in Oekraïne ligt aan de rivier de Proet. Czernowitz was de Duitse naam van deze cultureel bloeiende stad in de Boekovina, Duits was een van de talen die er gesproken werd en Jiddisch de extra voertaal onder de joden. Duits bleek ook de taal van hun moordenaars te zijn, Celan heeft die spanning altijd gevoeld en ook verwerkt en gebruikt. Hij verloor zijn ouders door de nazi’s, zelf kon hij ontkomen; terugkeren was onmogelijk nadat de Sovjet-Russen er de macht kregen. De taal waarin hij zijn gedichten schreef, werd door hem tot het uiterste doorgrond en opgerekt; elk precies gekozen woord droeg het watermerk van de shoah, al kun je hem niet louter reduceren tot dichter van de shoah.

Werk en persoon zijn sterk verweven bij Celan en dat is ook steeds duidelijker geworden naarmate er de afgelopen decennia tal van briefwisselingen gepubliceerd zijn, waaronder een fameuze uitgave met de brieven aan zijn vrouw, de kunstenares Gisèle Celan-Lestrange (1927-1991), en die aan Ingeborg Bachmann (1926-1973), de Oostenrijkse dichteres en Celans geliefde gedurende een aantal jaren. Woorden uit de gedichten doken op in de brieven, levenshistorische gebeurtenissen konden des te meer gekoppeld worden aan de taal die hij gebruikte, de vermeende en verweten duisterheid van de dichter bleek zinsbedrog.

Dit jaar is een Celan-jaar: op 19 april wordt zijn vijftigste sterfjaar herdacht, 23 november zijn honderdste geboortedag. Er verschijnen tal van boeken, waaronder een imposante verzameling brieven waarmee de bezorger, Barbara Wiedemann, een biografisch profiel van de dichter probeert te schetsen onder de titel ‘etwas ganz und gar Persönliches’. De brieven beslaan de periode van 1934 tot en met 1970; het zijn uitsluitend brieven van Celan, zo geselecteerd dat de suggestie van een autobiografie wordt gewekt. De uitgebreid geannoteerde uitgave beslaat 1286 pagina’s en bevat 691 brieven, waarvan er 330 voor het eerst gepubliceerd worden. Ook in zijn brieven betoont Celan zich een groot auteur, juist als hij door de diepe dalen gaat die we uit zijn leven kennen: de onmogelijke band met Duitsland en zijn foute vertegenwoordigers, met name in de letterenwereld, het voortdurend gevoelde antisemitisme, de beschuldiging van plagiaat, de psychische problemen in de jaren zestig, de opnames in klinieken. Door de brieven kom je de aard van de dichter op het spoor. Een groot aantal ervan is gericht aan vrouwen en vriendinnen (die hij overigens al evenmin trouw was als zijn vrouw), in andere wordt de boventoon gevoerd door een bijtende agressie tegen wie hem niet steunt in zijn als strijd ervaren leven. Weer andere getuigen ervan hoe bewogen hij de maatschappelijke ontwikkelingen volgde, zowel in de jaren vijftig (Koude Oorlog, atoombom) als zestig (studentenonlusten, Vietnam).

De ontroerende liefdesbrieven – vaak complementen van de indrukwekkende liefdesgedichten die hij schreef – laten zien tot welke intense uitingen Celan in staat was. Dat was al goed te zien aan de gedichten die hij aan Ingeborg Bachmann opdroeg en die hun pendant hebben in de brieven over en weer. Briefe 1934-1970 bevat een aantal tot op heden onbekende of ongebundelde brieven aan haar. In een ervan windt hij zich erover op dat ze naar Parijs wil komen (‘Deze stad behoort jou niet toe, ze is van mij. Van mij omdat ik haar tuinen heb laten bloeien met mijn wonden; en bedenk dit: deze stad is mijn gevangenis – wil jij je hier nestelen?’). In een andere brief beweert hij dat er nauwelijks een gedicht van hem bestaat waarin hij geen ruimte ingeruimd zou hebben voor haar, om vervolgens te laten weten dat Gisèle, zijn echtgenote, gezegd zou hebben: ‘Elle aussie est mariée avec toi’.

Celan zag er geen bezwaar in om bepaalde gedichten aan verschillende vrouwen op te dragen, iets wat ook zijn kortstondige geliefde Diet Kloos-Barendregt (1924-2015), een Nederlandse, overkwam. Overigens waren er meer contacten met ons taalgebied – met de componist Jaap Geraedts (1924-2003), die in 1957 met Celan een oratorium wilde maken (werktitel: Psalm 1943), en met de Vlaming Piet Tommissen (1925-2011), die in het tijdschrift De Tafelronde in 1955 het gedicht ‘Vor einer Kerze’ voor het eerst publiceerde. Veel vriendinnen kust hij in de afsluiter ‘op de ogen’. Onder meer een zekere Hannele, in een paar brieven die ineens opdoken en integraal in deze uitgave staan. Barbara Wiedemann onthult dat het gaat om Hannelore Scholz (1926-2011), een Berlijnse vertaalster die in het begin van de jaren vijftig aan de Sorbonne studeerde.

Je kunt toch ook een beetje lol hebben, schreef Celan. Gedichten herinneren ons eraan dat we leven, werken, ‘vrij, ademend, zij aan zij’

Tot de indrukwekkendste brieven aan vrouwen behoren die aan Ilana Shmueli (1924-2011), die Celan nog kende uit zijn Roemeense geboortestad. Een halfjaar voor zijn dood bezocht hij voor het eerst Israël, bezichtigde het land, ervoer de politieke spanning die er hing, ontmoette er Ilana en begon een verhouding met haar. In het laatste halfjaar van zijn leven beleefde hij de euforie van een nieuwe verliefdheid in een land dat in oorlog was en toch steeds – ook voor hem – de status van beloofd land behouden had. Daar ontstonden de indrukwekkende laatste gedichten, de Jeruzalemgedichten; ze zijn blijkens de stofmappen waarin ze bewaard zijn geschreven voor Ilana en deels na haar. Celan vertrouwde haar toe in Jeruzalem bepaalde krachten teruggevonden te hebben, maar liet begin april 1970 weten niet meer met zichzelf samen te vallen (‘ich bin ganz uneins mit mir’). Ilana Shmueli was een houvast, net zoals zijn gedichten dat waren, een ‘mogelijkheid van bestaan, van stand houden’.

Uit de brieven wordt eens en voor al duidelijk hoe deze mens zich zo lang mogelijk staande hield door zich vast te klampen aan de poëzie die hem en het lot van de zijnen tot uitdrukking moest brengen. De hier gebundelde brieven bieden de context en versterken de poëzie eens te meer, met name als Celan met Franse en Duitse intellectuelen (onder wie Sartre, Böll, en Grass) en de hem omringende dichters (Char, Du Bouchet, Amichai, Bonnefoy) correspondeert.

Tot de bijzonderste brieven behoort een tot nu toe onbekende aan een zekere Maximilian Goldhagen, die op dat moment (1964) vanuit Roemenië naar Düsseldorf verhuist en in de oorlog met Celan in een werkkamp had gezeten (in Tabaresti, waar een weg moest worden aangelegd en Celan moest ‘graven’, een werkwoord dat in zijn werk veel voorkomt, ook in ‘Fuga van de dood’, waarin zoals bekend ‘een graf in de lucht’ wordt gegraven). In de brief beschrijft hij de omstandigheden in het kamp. Goldhagen had in de zomer van 1941 als jood dwangarbeid moeten verrichten om een van de verwoeste bruggen over de Proet te herstellen; in 1943 zat hij met Celan ‘opeengepakt in hutjes van aarde’ die amper bescherming boden tegen ‘de guurheden van het weer’ en waar het ontbrak ‘aan welke hygiënische voorziening dan ook’. Als je het fysiek zware werk niet aankon, schrijft Celan, dreigde je de Dnjestr te worden overgezet naar Transnistrië waar zich de concentratiekampen bevonden.

Celan, die zich in 1946 een ‘trist poet de limba teutona’ noemt, zag zich in toenemende mate omringd door leugens en gemeenheden. Aan de in Czernowitz achtergebleven medestudente Tanya Adler (1920-1994) vertelt hij dat hij met zijn gedichten prijzen heeft gewonnen maar dat ze hem louter ‘heel erg vergiftigde lauweren’ hebben opgeleverd. Mij vielen de brieven aan Nina Cassian (1924-2014) op, de Roemeense dichteres van wie Celan een aantal gedichten vertaalde en die later furore maakte vanuit New York. De tekst die zij in 1988 in het poëzietijdschrift Parnassus over Celan publiceerde draagt de veelbetekenende titel ‘We Will Be Back and Up to Drown at Home’. De correspondentie met haar is nu eens niet geërotiseerd en blaakt van wat je poëziezucht kunt noemen. In juli 1957 ziet hij een Roemeense bundel van haar tentoongesteld in de Sorbonne, hij kent haar uit de luttele maanden die hij vlak na de oorlog in Boekarest doorbracht (als ‘zonderlinge kabelbaanreizigster, grootvorstin van de zaterdagavondse verveling’) en neemt contact op. Dat doet hij in 1962, en dat levert een niet eerder gepubliceerde, wat mij betreft sensationele brief op, althans: het uitgebreide concept ervoor (de eigenlijke brief, niet toegankelijk tot nu toe, is volgens Wiedemann korter). Hij herinnert zich hoe zij na een lezing van Ilja Ehrenburg in 1946 op straat Apollinaire citeerde, in een gezelschap waar Celan bij had willen horen; onthullend zijn ook zijn woorden dat hij altijd geprobeerd heeft ‘natuurlijk’ te zijn, ook in Parijs waar hij ‘transkarpatischer werd dan ooit’; je snapt inderdaad waarom hij de brief in deze vorm niet verstuurde als hij haar verwijt probeert te ondergraven dat zijn eenzaamheid en pijnen alleen maar gespeeld waren. In dit briefconcept schrijft hij verwarrend, zoals je onbelemmerd een dagboek schrijft, en onbelemmerd voor een schrijver wil zeggen: niet bedoeld voor publicatie – en hij schrijft heel wat van zich af. Tussen neus en lippen door geeft hij een definitie van het doel van poëzie dat voor hem geheel samenvalt met wat een mens beweegt. Je kunt toch ook wel een beetje lol hebben, voegt hij toe, gedichten zijn er om ons eraan te herinneren dat we leven, werken, ‘vrij, ademend, zij aan zij’. Een lichte Celan in dat PS’je, een brainstormende in een volgend, Romeins genummerd PS’je: ‘Literatuur is op zoek naar de werkelijkheid en dus anti-metaforisch. Is haar richting niet die van onze weg in al hetgeen ons omringt en aangrijpt? Ze is – ook – actualisering, ze is een daad, is toe-gesproken taal, hic et nunc. Ze komt op je af en is, doordat ze weer op weg gaat, toekomst.’

Aan Nina Cassian zal Celan daarna nog een keer schrijven, en het belang van haar moge blijken uit het feit dat zij in de maand van zijn zelfdoding tot de laatste geadresseerden behoort – naast zijn echtgenote, zijn uitgever en zijn laatste vriendin Ilana Shmueli. Het zijn bewogen afscheidsbrieven. Nina’s moeder is gestorven en Celan denkt terug aan de momenten dat hij hoorde van het doodschieten van zijn eigen moeder (in de herfst van 1943). ‘De dingen nemen af, nemen toe’, schrijft hij ‘– vergeef me deze “wijze woorden” – jouw blik zal de zin ervan verhelderen.’

De afscheidsbrief aan zijn uitgever, Siegfried Unseld (1924-2002), is zakelijker maar voor het begrip van Celan van groot belang. Celan wil de voorgestelde flaptekst voor de bundel Lichtzwang, die in juli 1970, drie maanden na zijn dood, zal verschijnen, veranderen of liefst helemaal schrappen. De brieftekst laat geen twijfel bestaan over wat Celan vooral onoverkomelijk vindt: ‘Mijn gedichten zijn niet hermetischer geworden noch geometrischer; ze zijn geen chiffres of geheime tekens, ze zijn taal; ze verwijderen zich niet nog verder van het dagelijkse leven, ze staan ook in hun woordelijkheid – neem bijvoorbeeld ‘productiewerkplaats’ – in het heden. Ik denk te mogen zeggen dat ik met deze bundel het uiterste aan menselijke ervaring binnengeleid heb in onze huidige wereld en onze huidige tijd van ons, onverstomd en op weg naar meer.’

Celans brieven, of ze nu in het Roemeens, Frans of Duits gesteld zijn, brengen de mens Celan nabijer dan ooit. Het monument dat hij met zijn gedichten oprichtte – niet alleen ter nagedachtenis aan wie hem ontvielen, maar ook als oeuvre in zijn volle, rijke omvang – wordt er alleen maar meer door geschraagd.