Hoofdcommentaar

Vergeet de krantenjongen niet

EEN VAN DE EERSTE computerspelletjes, op 8 bit consoles, heette Paperboy. De gamer manoeuvreerde met een joystick en één enkele knop een tweedimensionaal jongetje op zijn fiets door een lange straat en terwijl hij allerlei bijtende honden, plassen modder en dronken zwervers moest ontwijken, gooide hij de krant op het erf van de abonnees. Dit alles onder begeleiding van een tenenkrommende synthesizersoundtrack. Paperboy werd uitgebracht in 1984, toen gameontwerpers nog de meest dagelijkse, vanzelfsprekende dingen gebruikten om munt uit te slaan. Hele generaties waren opgegroeid met een krantenwijk, dus ziezo.
Het is een mooie eerste baan. Vroeg opstaan, door weer en wind; goed voor persoonlijke Bildung. De vraag is hoeveel langer nog jonge jongens dagelijks vroeg hun bed uit moeten om de kranten te bezorgen, nu het aantal abonnees afneemt. Zo ongeveer elke week komt er nieuws over inkrimpingen en ontslagen bij dagbladen. Vorige week werd bekend dat er bij de Noordelijke Dagblad Combinatie, uitgever van de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden, 120 banen moeten verdwijnen. Niemand twijfelt er nog aan dat er de komende jaren dagladen uit de kiosk zullen verdwijnen. De vraag is: welke? En: is dat erg?
Eeuwenlang hadden kranten geen natuurlijke vijand, behalve elkaar (een beetje zoals ijsberen). Sinds Adam Smith in 1776 zijn Wealth of Nations schreef, hebben kranten zich gedeeltelijk kunnen ontrekken aan de markt van vraag en aanbod. In de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw werd hun continuïteit gewaarborgd door de politieke partijen die hen financierden en daarna hadden kranten zo ongeveer alleenheerschappij op de advertentiemarkt. De krant was zo niet afhankelijk van zijn lezers.
En dat was te merken. Wereldwijd zijn kranten op elkaar gaan lijken, met dezelfde bijlagen, dezelfde specials, dezelfde columns, dezelfde talking heads. Nu daalt de betaalde oplage, en daarmee nemen ook de advertentie-inkomsten af, en moeten kranten halsoverkop op zoek naar de nieuwe lezer. ‘De journalistiek moet zich heruitvinden’, wordt volop geroepen. Wat echter overheerst is koudwatervrees. Er wordt overal gesneden en bezuinigd, niet vanuit het doel een onderscheidende krant te maken, maar juist om te besparen zodat zo veel mogelijk hetzelfde kan blijven.
Christian Van Thillo, voorman van de Belgische Persgroep, gaf een voorzetje. Van Thillo wil PCM overnemen – uitgever van AD, NRC Handelsblad, de Volkskrant en Trouw – en zei niet te snappen waarom één concern twee titels heeft die in elkaars vaarwater zitten. Nog maar drie weken terug, toen de Telegraaf Media Groep interesse had getoond in de PCM-kranten, zei PCM-bestuursvoorzitter Bert Groenewegen met klem dat opsplitsing onlogisch zou zijn, de titels waren ‘heel vervlochten’. De ontwikkelingen gaan snel. Dit weekend maakte de redactie van NRC Handelsblad bekend dat zij overweegt zelfstandig verder te gaan (wellicht bij het kleinere concern HAL investments, dat ook Het Financieele Dagblad uitgeeft), om een fusie met de Volkskrant te voorkomen – en alle banen-verdwijnende-ellende die dat met zich mee zou brengen.
Het zou een dappere stap zijn en misschien wel precies wat de dagbladenindustrie nodig heeft. De twee grootste kwaliteitskranten die de concurrentiestrijd met elkaar aangaan, in de arena van dat andere zakenmodel dat in crisis verkeert, de Vrije Markt. Wie op zoek is naar een heruitvinding van de journalistiek moet dan eens goed opletten. En mocht NRC Handelsblad een ochtendkrant worden, des te beter – precies wat de krantenjongen nodig heeft.