Afrikaner snobs drinken hun eigen wijn

Vergeet die arme druivenplukkers

Voor de elite in Stellenbosch is een wijnlandgoed de ultieme kroon op een geslaagd leven. De Zuid-Afrikaanse wijnwereld zit vol snobs, oud geld en maffiosi.

NEEM DE HELSHOOGTE Pass vanuit Stellenbosch, en na een kwartiertje rijden kom je bij de Tokara-wijnlanderij op de flanken van de Simonsberg. Een mens moet even slikken bij het verwerken van zoveel fraais: weidse uitzichten over het Kaapse achterland, blauwige bergen, mistige valleien, kronkelende riviertjes, historische dorpen en wijnranken die wegglooien in herfstkleuren. Woorden als weemoed en gelukzaligheid dringen zich op. Dat wil zeggen, zolang je zaken die een dergelijke gemoedstoestand kunnen bederven - we noemen daar kolonialisme en uitbuiting - op afstand weet te houden.
Nu is dat hier niet zo lastig, want in tegenstelling tot veel andere wijnboerderijen in de omgeving heeft Tokara geen turbulente geschiedenis van slavernij, feodalisme en plaaswerkers die volgens het dop-systeem (goedkope alcohol) werden betaald. Die afwezigheid van een loden last weerspiegelt zich in de luchtige lunchroom en het ruime terras met zijn kunstwerken, gebouwd in een moderne stijl die je tegenkomt in The Financial Times-bijlage How to spend it: veel glas, licht getint hout, witte muren, smaakvolle lichtbruine accenten. Frans met een vleugje Scandinavisch, of andersom.
Tokara is dus geen koloniaal relikwie. Het is een trofee van de moderne Afrikaner zakenwereld die na 1994 uitzonderlijk goed heeft geboerd en die het slaperige universiteitsstadje Stellenbosch in een voornaam kapitalistisch bolwerk heeft omgetoverd. Het is een kroon op het werk van de Afrikaner emancipatie. En gezien het beladen apartheidsverleden is dat op z'n zachtst gezegd opmerkelijk.
We blijven even op Tokara. De 110 hectare tellende boerderij werd in 1994 gekocht door de Stellenboscher zakenreus Gerrit Thomas ‘GT’ Ferreira en diens vrouw Anne-Marie. De Ferreira’s waren teruggekeerd naar Stellenbosch nadat GT in Johannesburg carrière had gemaakt als medeoprichter van de succesvolle Rand Merchant Bank. Aanvankelijk was het idee om hier gewoon plezierig te komen wonen. Wijnproductie stond niet op het verlanglijstje. Maar toen wijnmaker Gyles Webb van de naburige Thelema Mountain Vineyards de Ferreira’s erop wees dat dit toch werkelijk een uitzonderlijk terroir was, gingen ze overstag. Maar alleen, verzekert marketingmanager Thys Lombard, 'als we de lat van het wijn zo hoog mogelijk zouden leggen’. Daartoe stelde GT de jonge, veelbelovende Miles Mossop aan als wijnmaker, die als afgestudeerd geochemicus begon met een nauwkeurig onderzoek van de topografie van het gebied. Pas daarna werd er geplant.
Het proces kwam op gang. Wijnranken klommen gestaag omhoog, laafden zich aan de zon, zogen de regen op en baarden prachtige druiven. Negen jaar na Ferreira’s aankoop werd de eerste wijn geproduceerd, Tokara Zondernaam, die in 2005 op de markt kwam. Lombard knikt: opmerkelijk etiket. 'Tokara’ had niks te maken met een obscure Japanse druivensoort of een bushman-woord. Het was samentrekking van de voornamen van de twee Ferreira-kinderen Thomas en Kara. 'Zondernaam’ was een verwijzing naar de originele zeventiende-eeuwse Nederlandse koopakte waarin de grond als 'Land zonder naam’ stond vermeld.
De wijn doet het in Nederland bijzonder goed, vervolgt Lombard. Want hoewel Tokara inmiddels naar onder meer China, Japan en Singapore exporteert, is Nederland de belangrijkste markt: Gall & Gall neemt jaarlijks ongeveer 240.000 flessen af, ruim eenderde van de productie. En vooral in Nederland wordt het etiket Zondernaam nog gebruikt. Vinden ze leuk, die Hollanders. Maar opgelet, waarschuwt Lombard, het is geen gimmick: Tokara produceert uitstekende wijnen. Neem de Director’s Reserve, 22 maanden gerijpt in nieuwe Franse eiken vaten. Een toppertje, vindt ook Gall & Gall. In 2008 nam de drankenketen hier zesduizend flessen van af en het jaar daarop vierduizend. 'Daarvan werd al meteen bij de release zestig procent verkocht’, zegt Lombard.
En Tokara zou Tokara niet zijn als er geen speciale pinotage werd gemaakt. Pinotage is de uniek Zuid-Afrikaanse wijn waar snobs op neerkijken. Het is het product van een in 1925 lokaal gekweekte druif, een kruising van de pinot noir en de cinsaut (in Zuid-Afrika hermitage geheten, vandaar pinotage). Het idee kwam van de eerste hoogleraar viticultuur van de Universiteit van Stellenbosch, Abraham Izak Perold. Het duurde zestien jaar eer pinotage de markt vond. Aanvankelijk lieten fijnproevers zich laatdunkend uit over die robuuste new world-wijn. 'Zoete verf’ was een veelgehoorde vergelijking, evenals 'nagellak’, 'roestige spijkers’ en 'frambozenazijn’.
De nationale doorbraak kwam in 1961 toen '59 pinotage de Grand Championship won tijdens de Cape Young Wine Show. En internationale connaisseurs moesten dertig jaar later eindelijk erkennen dat er inderdaad zoiets bestaat als goede pinotage, toen de wijnmaker van Kanonkop, niet ver van Tokara, met zijn versie de titel 'wijnmaker van het jaar’ in de wacht sleepte tijdens de International Wine and Spirit Competition in Engeland. Op Tokara zijn nog maar vijfhonderd ranken met pinotage over. Jaarlijks betekent dat veertienhonderd flessen, die na twintig maanden rijping voor zo'n twintig euro in de rekken liggen - een fiks bedrag als je nagaat dat je al voor vier euro een redelijke pinotage kunt kopen. 'Binnen een mum van tijd uitverkocht’, bezweert Lombard. 'Die exclusiviteit hè…’ De Ferreira’s kunnen trots zijn op hun wijnen. De 2007 pinotage won een hoofdprijs, en vorig jaar ging de prestigieuze Old Mutual Trophy van 'meest succesvolle producent’ naar Tokara. Dit jaar waren ze achtste en de voorgaande jaren vierde en vijfde. 'Steeds weer in de top-tien, niet slecht’, zegt Lombard.
Dat wil overigens niet zeggen dat Tokara ook winstgevend is. Dat gebeurt pas als er jaarlijks zestigduizend dozen kunnen worden gevuld. Maar winst komt op de tweede plaats. De wijn komt voor de puissant rijke Ferreira’s (ter illustratie: voor zijn zestigste verjaardag huurde hij twee Boeings om zijn tweehonderd gasten naar een vijfsterrenhotel in Mauritius te vliegen) op de eerste plaats. Kwaliteit is de prioriteit. De concurrentie is moordend - alleen de Stellenbosch-wijnroutes tellen al 130 estates - en de wijnwereld zit vol snobs en oud geld, die neerkijken op een parvenu als GT. Dat maakt het voor de 63-jarige Ferreira allemaal nog mooier. Instemmend knikte hij toen Lombard hem vorig jaar zelfontworpen flyers toonde met de tekst A newcomer ascends the throne.

IN ZIJN KANTOOR in hartje Stellenbosch bevestigt de 64-jarige multimiljonair Jannie Mouton de stelling dat geld en druiven elkaar genadig zijn. 'Ik ben een wijnman. Yiss, ik kan op een feestje gemakkelijk twee, drie flessen leegdrinken zonder dat ik daar de volgende dag iets van merk.’ Gevraagd naar zijn voorkeur zegt hij: 'Het liefst drink ik mijn eigen wijn.’ Die blijkt afkomstig van de verfijnde estate Klein Gustrouw, gesticht in 1817 en gelegen in de Jonkershoekvallei net buiten Stellenbosch, niet open voor publiek. Maar bij de buren kun je wel terecht: het magnifieke Lanzerac met zijn vijfsterrenhotel, op zijn beurt weer het paradepaardje van de bevriende zakenman Christo Wiese.
Mouton, Wiese, Ferreira, ze vormen met een half dozijn anderen wat in de volksmond de 'Stellenbosch-maffia’ is gaan heten, een groep Afrikaner zakenlui die het universiteitsstadje als economische en financiële hub op de kaart heeft gezet. Beursgenoteerde giganten als Remgro, Medi-Clinic, Distell, Capitec, PSG en Steinhoff hebben hun hoofdkantoor in Stellenbosch. En voor die Stellenboscher elite is een wijnlandgoed de ultieme kroon op een geslaagd leven. Dit is hun Ferrari, hun zeiljacht, hun renpaard.
De bebrilde Mouton draagt een zwart-wit gestreept overhemd met een roze binnenzijde voor het boordje en de manchetten. De bovenste knoopjes staan open, een gouden kettinkje weerkaatst het licht. Hij heeft kort grijs haar en een nauwkeurig bijgepunt ringbaardje. Achter de bril gaan toegeknepen, slimme ogen schuil. Mouton heeft een slepende stem, die bij het terugbeluisteren klinkt alsof de opname te langzaam wordt afgespeeld. Zijn Engels, geeft hij met zelfspot toe, is matig. 'Ik heb een Duitse zakenvriend, Bruno Steinhoff, wiens Engels niet zo goed is. En die zegt altijd: Jannie, jij praat het mooiste Engels, zelfs ik begrijp het.’
Net als Ferreira heeft hij een kantoor in het Ou Kollege-gebouw in Stellenbosch’ Kerkstraat, een voornaam wit pand met zware houten deuren die worden geflankeerd door dubbele zuilen. Aan de muren hangen schilderijen met landschappen, gemaakt door beroemde Afrikaner kunstenaars. Er staat een kast vol boeken. Thuis, vertelt Mouton, heeft hij nog een hele bibliotheek. Hij leest graag biografieën van geslaagde zakenlieden zoals Walmart-oprichter Sam Walton. Tevens heeft hij een imposante verzameling Afrikaanstalige literatuur.
Hartgrondig Afrikaans is Mouton. En een onbeschaamde propagandist van Stellenbosch, zijn alma mater waarnaar hij na 22 jaar Johannesburg in 1996 terugkeerde. Hij slurpt van zijn koffie, steekt een sigaret op en opent het raam. Vanochtend, zegt hij, lag hij tot kwart over acht in bed de kranten te lezen. Daarna ontbeet hij, douchte hij en om kwart voor negen stapte hij in zijn auto, ruim op tijd voor onze afspraak. Zeven minuten kostte het hem om hier te komen. In Johannesburg stond hij dagelijks twee uur in de file. Stellenbosch is een paradijs. 'Het vliegveld is minder dan een half uur rijden, makkelijk als je naar Johannesburg moet. Het is hier landelijk, vredig. En als je naar buiten kijkt zul je zien dat het veel weg heeft van een kleine Europese stad. Er zijn cafés met terrassen. Heerlijk. Iedere dag ga ik met twee collega’s lunchen. We lopen naar buiten en overleggen: welke wordt het vandaag? Er zijn vijftien etensplekken op loopafstand. We kennen de eigenaars en de serveersters. Vaak weten ze ook al je bestelling.’
Buiten is het inderdaad alsof je in een luchtbel bent beland. In Java van Moutons vriend Christo Wiese zijn alle serveersters slank en blank. De cliëntèle lijkt vooral te bestaan uit zakenmannen met laptops, hippe studenten en wat slonziger geklede academici. Het leven is goed hier, zolang we niet denken aan die dertigduizend zwarten die buiten de stad in krotjes in Kaymandi township wonen. Of aan de crack-cocaïneplaag die de kleurlingengemeenschap uiteenrijt en de gangsters rijk maakt - weggemoffelde onvermijdelijke vieze aangroeisels.

STELLENBOSCH was altijd het vrome knappe meisje onder de Zuid-Afrikaanse steden. De plek werd in 1679 'ontdekt’ toen de commandant en toekomstig gouverneur van de Kaapse kolonie Simon van der Stel een expeditie naar de binnenlanden leidde. Zo'n vijftig kilometer buiten Kaapstad stuitten de mannen op een ware Hof van Eden, een gebied als een zonovergoten, geurende wilde tuin, gevoed door een stroompje dat Eerste Rivier zou gaan heten. Ze doopten de plek tot Van der Stel se Bosch. Dat de grond aan de Khoikhoi toebehoorde, deerde die Hollanders niet. Reeds het volgende jaar hadden zich negen gezinnen in de vruchtbare vallei gevestigd. Drie jaar later werd er een school gebouwd en in 1686 verrees de eerste kerk, op de plek waar nu d'Oude Werf Hotel staat. De kerk brandde af, en aan het eind van Kerkstraat werd in 1717 de Moederkerk gebouwd, die in 1862 zijn huidige vorm kreeg. Het kerkkantoor kreeg de veelzeggende naam Utopia.
Hier in Stellenbosch werd het Afrikanerdom geboren. In 1707 refereerde ene Hendrik Biebouw voor het eerst aan die eigenzinnige blanke Afrikaanse stam die af wilde van de Hollandse betutteling. Tijdens een dronken ruzie met de landrost riep hij: ’(…) ik wil niet loopen, ik ben een Afrikaander, al slaat die landrost myn dood, of al setten hij mijn in den tronk, ik sal nog niet wil swygen.’
Het oude centrum van het stadje beslaat een straat of vijf, met oer-Nederlandse namen als Dorpstraat en Kerkstraat, geflankeerd door rijen eiken. Witte huizen en fraai gerestaureerde gebouwen, vaak uitgevoerd in de Kaaps-Hollandse stijl, een mengeling van Nederlandse, Franse, Duitse en Indonesische invloeden, compleet met 'Amsterdamse’ gevels en een stoep (veranda) met broekie lace-tierelantijnen onder de luifel.
Net buiten het centrum ligt de universiteit, opgericht in 1866 als Stellenbosch Gymnasium, en in 1918 officieel benoemd tot Universiteit van Stellenbosch. Dit is het intellectuele bastion van Afrikanerdom. Alle Afrikaner apartheidspremiers en -presidenten hadden een nauwe band met dit instituut, behalve F.W. de Klerk, die, toevallig of niet, apartheid afschafte. De gebouwen zijn imposant, gebed in groen. Ze dragen de boodschap uit dat het hier gaat om een universiteit van allure, een plek die zich onwillig en mondjesmaat heeft aangepast aan het nieuwe Zuid-Afrika. In 2009 was nog altijd zo'n zeventig procent van de studenten blank.
Het was hier op de campus en in de kosthuizen dat de Stellenbosch-maffia elkaar ontmoette en in de jaren zestig plannen smeedde voor de toekomst. Zo zaten ze op een avond met elkaar te kaarten en riep een van hen uit: 'Een dag as ons groot is gaan ons fokken ryk wees.’ De anderen hieven het glas. Stuk voor stuk hadden ze één rolmodel in gedachten: Anton Rupert, de zakenman die zich in 1946 in Stellenbosch vestigde en een gigantisch imperium opbouwde rond tabak en alcohol, dat hem uiteindelijk een plaats in de Forbes top-500 van rijkste mensen ter wereld opleverde.
Ruperts biografie leest als een mythisch verhaal van een eenvoudig Afrikaner jochie dat het tot magnaat van wereldformaat schopt. Het startschot was een eigen investering van tien pond waarmee hij samen met twee kompanen in 1941 een sigarettenhandel begon. Vervolgens stak hij ook geld in een brandewijnstokerij. Want, had Rupert in de jaren dertig geconstateerd, ook al was er een Depressie, 'mensen gingen niet minder roken en waarschijnlijk zelfs meer drinken’. In de loop der decennia groeide zijn Rembrandt Group uit tot een immens conglomeraat met bedrijven in 35 landen op zes continenten. De groep is nu opgedeeld in de investeringsmaatschappij Remgro en het Zwisterse Richemont dat luxegoederen produceert, onder meer Cartier en Mont Blanc. Iedereen kent Ruperts producten, al is het alleen maar vanwege de beroemde Peter Stuyvesant-slogan An international passport to smoking pleasure.
Rupert was een verlichte Afrikaner nationalist. Hij opende musea in Graaff-Reinet en Stellenbosch, zette zich in voor wildparken en sprak zich al vrij snel uit tegen apartheid. Hij was een van de eersten die inzagen dat zwarte Zuid-Afrikanen een aantrekkelijke markt vormden en aandrongen op samenwerking met de zwarte zakenwereld. In de jaren tachtig spoorde hij president P.W. Botha aan om 'die stinkende albatros van apartheid kwijt te raken’, en toen hij in 2006 op 89-jarige leeftijd overleed huldigde de toenmalige president Thabo Mbeki hem als een man die 'was geïnspireerd door rechtvaardigheid en gerechtigheid.’
Het Rupert-rijk buldert gestaag door onder leiding van zijn zoon Johann, met een stevige vinger in de wijnindustrie. Steevast wordt in biografieën vermeld dat van iedere zes flessen Zuid-Afrikaanse wijn die worden ontkurkt er één afkomstig is van een Rupert-bedrijf. En dat van elke vijf flessen brandy er vier een Rupert-stempel dragen. Maar dat is allemaal de onderkant van de markt, plonk. Daarnaast hebben de Ruperts fabelachtige wijnlanderijen. Op twintig minuten van Tokara, nabij Franschhoek, vind je La Motte van Antons dochter Hanneli en L'Ormarais van zoon Johann. Maar het werkelijke paradepaardje is Rupert & Rothschild Vignerons aan de voet van de Simonsberg, een samenwerking tussen de Rupert-familie en de Franse Baron Benjamin de Rothschild. Rupert kocht de landerijen in 1984 met het plan om 'wijn te produceren van de hoogste internationale standaard’. Het was geen toeval dat GT Ferreira vergelijkbare woorden sprak toen hij besloot om van Tokara een wijnboerderij te maken.
Kortom, Rupert zette de toon, werd het voorbeeld en rolmodel. Hij en na hem de Stellenbosch-maffia gaven botten, vlees en vet aan de droom die de Afrikaners vanaf begin vorige eeuw in de greep hield: een volk dat voor zichzelf kan zorgen en in geen enkel opzicht de mindere is van de Engelstalige landgenoten die hen tijdens de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) zo hadden vernederd. Het was een lange, moeizame weg, vol initiatieven als Helpmekaar, Reddingsdaadbond, Afrikaanse Handelsinstituut en de vrijmetselaarsachtige Afrikaner Broederbond. Het begon met de verzekeringsmaatschappij Sanlam, de uitgeverij Nasionale Pers en de Volkskasbank. En het antikapitalistische volkssocialisme dat de apartheidsstrategen aanvankelijk voorstonden was een handicap. Maar vanaf de jaren zestig werden de teugels gevierd en ontwikkelde zich een heuse Afrikaner bourgeoisie; tussen 1948 en 1975 steeg het Afrikaner aandeel in de economie (zonder landbouw) van tien tot 21 procent. Toen de internationale boycots in de jaren negentig werden opgeheven en de grenzen opengingen, was de beer los. Het Afrikaner kapitaal spoot omhoog en vloeide als een olievlek over het land, over het continent en over de wereld: Mozambique, Nigeria, Brazilië, Dubai, China, overal waar zich goede investeringsmogelijkheden aandienen.
Om een idee te krijgen van de omvang van die Afrikaner explosie hoef je alleen maar het jaarverslag van Moutons overkoepelende investeringsmaatschappij PSG open te slaan, waarin hij schrijft: 'Als u in november 1995 voor honderdduizend rand PSG-aandelen had gekocht (…) dan zouden die in 2011 99 miljoen rand (tien miljoen euro) waard zijn.’
Ik schud Mouton de hand en stap even later Kerkstraat weer in. De zon heeft de kou uit de lucht gehaald. Stellenbosch maakt zich op voor de lunch. Wordt het de Basic Bistro met zijn Miles Davis-citaten aan de muur, de Decamaron voor een hapje Italiaans of Java met zijn slanke serveersters en terras?
Het wordt Tokara. Terug over de Helshoogte Pass naar die herfstkleuren en de mistige valleien. De lunch is uitstekend, de juiste balans van gezond en vullend, met ter vervolmaking een glas Tokara sauvignon blanc 2009. Er zijn tapenades en kommetjes lokaal geproduceerde olijfolie om zelfgebakken brood in te dippen. Ik lees in Grapes, een boek over de Kaapse wijnindustrie en de rol van de kleurlingen, slaven en plaaswerkers. Het blijkt dat Simon van der Stel niet alleen zijn naam gaf aan Stellenbosch, maar in 1679 ook verantwoordelijk was voor de eerste boerderij die drinkbare wijnen produceerde: Constantia, iets ten noorden van Kaapstad. Ik lees over de bevrijde slavin Ansela van de Caab die eind zeventiende eeuw met een Duitse soldaat trouwde en als kleurling een wijnboerderij begon. Ik lees hoe de meeste wijnlanderijen rondom Stellenbosch verliesgevend zijn en beter groente zouden kunnen verbouwen. Ik noteer een citaat van Mohammed Karaan, decaan aan de faculteit van agriwetenschappen van de Universiteit van Stellenbosch: 'Mensen met te veel geld begeven zich in de wijn vanwege het imago. Het is een industrie met een hoog ego-gehalte, waar de rijken zich komen uitleven.’
Ik lees over het dop-systeem dat dan wel is afgeschaft, maar onder de kleurlingengemeenschap heeft geleid tot drankzucht, vrouwenmishandeling en kinderen met een foetaal alcoholsyndroom. Opeens smaakt die sauvignon blanc en die ciabatta met een hele stapel gezonds wat minder goed. Om mijn geweten en dat van alle Gall & Gall-klanten te sussen ga ik te rade bij Catherina Heunis, de financieel manager van Tokara. Zij vertelt dat de 65 mensen die Tokara in vaste dienst heeft allemaal minstens het dubbele van het vastgestelde minimumloon (honderd euro per maand) verdienen. De werknemers wonen niet op de boerderij zelf. Tokara helpt hen bij het behalen van een motorrijbewijs en bij het bekostigen van een motor. Ook krijgen ze vijftig procent van hun dokterskosten vergoed.
Ik refereer aan een eerder bezoek aan Fairview bij het stadje Paarl, dat onder meer Fair Valley-wijnen produceert, het label van de druivenplukkers. De winst daarvan wordt geïnvesteerd in nieuwe behuizing. Zo ver zijn ze bij Tokara nog niet, zegt Heunis, want voor een relatief jonge boerderij die nog geen winst maakt is de mogelijkheid van een werknemersaandeel nog geen optie. Daarom heeft Tokara een trust opgericht voor zijn arbeiders. En dankzij die trust kon worden geïnvesteerd in huisvesting en in onderwijs voor hun kinderen. 'Financieel gezien was dit een veel betere deal voor hen dan de uitgifte van aandelen.’
Grapes gaat in de tas. Ik neem een laatste slok wijn en denk aan plukkers in hun woninkjes ergens in een kleurlingentownship, en ik vraag me af of hun kinderen op een dag zullen uitroepen dat ze ooit 'fokken ryk gaan wees’.