Rudy Kousbroek (1929-2010)

Vergeet niet Aesclepios een haan te offeren

Het is alsof de intelligentie van Rudy Kousbroek een constant hemels peil had. Hij was de rationalist bij uitstek die tranen met tuiten kon huilen met betrekking tot de verloren dingen. Een sentimentalist die altijd net op tijd terugkeerde naar het verstand. Een echte, grote intellectueel.

De mooiste openingszin die ik ken is deze: ‘Waarom heeft men mij nooit eens gevraagd een telefooncel te ontwerpen?’ Deze openingszin van een artikel van Rudy Kousbroek in het PTT Designmagazine, al weer jaren geleden, is zo uitnodigend - wie wil er niet een telefooncel ontwerpen? - en tegelijkertijd absurd, dat hij aanzet tot lachen en lezen.
Voor de zojuist uitgekomen bundel Anathema’s 9, Restjes genaamd, geldt de kracht van de openingszin voor elk essay. 'Vraag iemand Lolita na te vertellen: een onmogelijke opgave; vraag wat het belangrijkste thema is: je krijgt het verkeerde antwoord.’ De eerste zin van het essay Lolita. 'Delicaat en moeilijk te benoemen is het bij anderen herkennen van domheden waar je jezelf aan ontstegen voelt.’ Het begin van Invoelbaarheid. De essays in Anathema’s 9 zijn net zo fris als die in zijn eerste bundels, alsof er geen tijd overheen is gegaan, alsof de intelligentie van Kousbroek geen hoogte- en geen dieptepunten kent, maar een constant hemels peil had. De reeks Anathema’s (wat elegant dat het er negen zijn en niet tien) die hij vanaf 1969 het licht heeft doen zien is prachtig. Een verrukkelijke training in hoe men moet redeneren om fatsoenlijk te blijven. Hoogtepunt in zijn werk evenwel is Het Oost-Indisch kampsyndroom uit 1992, waarin hij de naoorlogse vervorming van de herinneringen van de slachtoffers van de jappenkampen analyseert. Het is het tot nu toe helderste inzicht in de werking van het geheugen van slachtoffers, waarbij het centrale thema van Kousbroek is dat de jappenkampen niet gelijk te stellen waren aan de Duitse concentratiekampen.
Op Eerste Paasdag is Rudy Kousbroek gestorven. Als hij dat opzettelijk op de dag van de verrijzenis gedaan heeft, zou dat me niet verbazen. Hij had zo z'n grapjes. De schepping hield niet op hem met verwondering te slaan, maar waar hij kon ingrijpen, de blik van de lezer veranderen, een nieuw standpunt loslaten op kwesties, liet hij dat niet na. Het woord 'schepping’ zou trouwens een afkeurend gemompel bij hem teweegbrengen; hij was een atheïst pur sang, misschien zelfs wel een tikkeltje fundamentalistisch in deze, want waar hij maar kon, bestreed hij religies met een aan kwaadheid grenzend humeur.
Ik kwam in aanraking met Rudy Kousbroek via mijn werk als redacteur bij Vrij Nederland. Natuurlijk kende ik zijn werk, ik was een groot fan van hem. Bij alles wat hij schreef, leek het of er een luik van licht openging. Hij schreef helder, opengegooid en nietsontziend proza, dat je de illusie gaf ook iets van het universum te begrijpen. Het was bij zijn Mondriaanlezing eind jaren zeventig dat ik werd overweldigd door zijn stem. Hij sprak mompelend, niet helemaal gearticuleerd, deftig Nederlands. Een Nederlands dat je nergens meer zult horen. Toen ik een vraag stelde vanuit de zaal keek hij op, zag mij zitten, en zei: 'Doeschka, wat leuk.’ Het was een Maria Magdalena-moment, de enige ontroerende passage uit het Nieuwe Testament, waarin Maria Magdalena troosteloos te neer zit omdat ze het graf van Jezus van Nazareth leeg heeft aangetroffen en de tuinman ontmoet, waarop zij plotseling in hem Jezus van Nazareth herkent, als een soort epifanie, en zegt: 'Rabbi.’ Een zelfde gevoel van totale overgave vond bij mij plaats. Deze knappe man, deze gedistingeerde man achter de katheder, was het waard om volledig te leren kennen.
In de weken na de lezing volgde tot mijn grote verbazing een brief van Rudy Kousbroek aan mij. Dat was het begin van een lange correspondentie tussen ons (ik kan die brieven niet meer vinden. Wil degene die ze ontvreemd heeft ze zo snel mogelijk op het tafeltje in de hal terugleggen). De briefwisseling was voor 95 procent volgens het platoonse ideaal. We maakten elkaar het hof, we stimuleerden elkaar de beste te zijn, er zaten zuchtende liefdesverklaringen bij. Om de een of andere reden, die ik niet meer kan achterhalen, liep de brievenaffaire op een gegeven moment ten einde. Je weet dat je het geheim van verliefdheid met elkaar deelt, je hebt je er met je volle creativiteit in gestort, en op een gegeven moment is het weg, en je denkt: wat jammer, er is iets opgehouden.
Kousbroek zelf heeft heel z'n leven lang in geschriften getreurd over de dingen die voorbij gaan: het Indië van zijn jeugd, herinneringen aan voorvallen, tijdperken die zijn afgesloten, dierenlevens. Hij zwoer bij de kracht van de fotografie, de kunst immers die per definitie een verleden vastlegt. Hij was de rationalist bij uitstek die tranen met tuiten kon huilen met betrekking tot de verloren dingen. Een sentimentalist die altijd net op tijd terugkeerde naar het menselijk verstand. Het leverde een wonderlijke combinatie op van heimwee-achtige gevoelens en vooruitgangsdenken.
Want Rudy Kousbroek had ook een grote experimenteerdrift, die onder meer bleek uit zijn fascinatie voor techniek. In de correspondentie tussen hem en W.F. Hermans komen tal van voorbeelden voor als het perpetuum mobile, het ontwerp van de beste auto of de listigheden van de fototechniek. Zijn eigen grote experiment, het schrijven van een roman, liep uit op een mislukking. De crux van Vincent of het geheim van zijn vaders lichaam, de enige roman die Kousbroek publiceerde, is dat de plaatjes het verhaal genereren, dus omgekeerd van hoe de meeste romanschrijvers te werk gaan. De plaatjes zijn negentiende-eeuwse pentekeningen, die op zichzelf volstrekt onbegrijpelijk zijn. Kousbroeks poging de plaatjes door tekst met elkaar te verbinden leidt niet tot grotere begrijpelijkheid.
Een van de frappantste eigenschappen van Rudy Kousbroek is dat hij uit gewone dingen een inzicht destilleert dat de lezer een Aha-Erlebnis bezorgt. Zo heeft hij het in Anathema’s 9 in zijn opstel over invoelbaarheid over de zekerheid van vals taalgebruik. Hoe het plaatsvervangende schaamte oproept als iemand onjuist taalgebruik hanteert: het woord 'administration’ bijvoorbeeld, dat in het Amerikaans zowel administratie als regering betekent. Als iemand in het openbaar spreekt over de Amerikaanse administratie, waarbij hij het heeft over de Amerikaanse regering, dan vertrouw je de man niet meer. 'Je ontkomt dan niet aan de gedachte: als zo'n man het verschil niet opmerkt en als hij de verkeerde klank ervan niet hoort, dan moeten ook allerlei andere essenties aan hem voorbij gaan en daaruit volgt dan weer dat hij een onbenul is.’
Deze gevoeligheid voor de nuances van taal, en de precisie van de zuivere waarneming bieden Kousbroek een kans om de wereld binnen zijn handbereik te krijgen.
In een van de brieven aan mij was het afscheidswoord: 'Vergeet niet Aesclepios een haan te offeren.’ Laat mijn postume antwoord hem alsjeblieft nog bereiken: 'Vergeet niet een telefooncel tussen daar en hier te ontwerpen.’

Rudy Kousbroek, Restjes. Anathema’s 9 . € 18,90