Profiel: Stephanie Kelton en de doorbraak van de Modern Monetary Theory

Vergeet onze schulden

Nu, met de pandemie, blijkt de overheid ineens diepe zakken te hebben. Maar de staat kan toch niet zomaar cash creëren? Jawel, betoogt de Amerikaanse econoom Stephanie Kelton. Zij wil afrekenen met de mythes over schuld, zodat we een betere economie kunnen bouwen.

Stephanie Kelton – ‘Mijn theorie is niet radicaal’

Het moet frustrerend zijn om het economische nieuws te volgen als je naar de wereld kijkt zoals Stephanie Kelton dat doet. Je leest interviews met schatkistbewaarders die metaforen gebruiken als ‘de broekriem aanhalen’ of ‘het huishoudboekje op orde krijgen’. Je bladert door financiële dagbladen vol zorgwekkende analyses over de oplopende staatsschuld. Je hoort de president roepen dat hij zal zorgen voor een exportoverschot, omdat handel voor hem een wedstrijdje is. Je kijkt naar verkiezingsdebatten waarbij politici na elk ambitieus beleidsvoorstel onmiddellijk de vraag krijgen ‘En hoe gaan we dat betalen?’, waarop maar al te vaak een antwoord volgt in de trant van ‘belasting heffen op dit en bezuinigen op dat’. Op zulke momenten heeft Kelton de neiging om naar de tv te schreeuwen: ‘Zo werkt het niet!’

Stephanie Kelton is een 51-jarige econoom uit de Verenigde Staten. Jarenlang werkte ze aan de Universiteit van Kansas en bij het Levy Economics Institute, waar ze in aanraking kwam met de onorthodoxe ideeën van Warren Mosler. Deze hedgefundmanager heeft een compleet andere kijk op het geldsysteem en werkte dat samen met gelijkgestemde economen uit tot de Modern Monetary Theory, kortweg mmt. Kelton ontpopte zich tot een van de invloedrijkste voorvechters van deze theorie. De Democratische Partij schoof haar eind 2014 naar voren als hoofdeconoom voor de begrotingscommissie van de Senaat en toen Bernie Sanders een gooi deed naar het presidentschap adviseerde Kelton hem bij macro-economische vraagstukken. Afgelopen zomer verscheen haar boek The Deficit Myth, waarin ze het brede publiek laat kennismaken met het mmt-gedachtegoed en eens en voor altijd wil afrekenen met alle schadelijke misverstanden rondom geld en schuld.

Laatst was het weer raak. Een filmpje van de Britse minister van Financiën die zegt: ‘De overheid is niet een of andere entiteit die zijn eigen geld heeft.’ Kelton plaatste het screenshot op Twitter met bondig commentaar: ‘Disqualifying.’ Dat is namelijk precies wat de Britse overheid wél is: de staat is eigenaar van de Bank of England, de centrale bank die geld kan scheppen en dat aan de lopende band doet. Het is de kern van het mmt-denken: landen met monetaire soevereiniteit, die kunnen lenen in hun eigen valuta, hoeven zich geen zorgen te maken over hun staatsschuld. Want als het nodig is kan de overheid simpelweg ‘eigen geld’ bijdrukken.

Dat staat haaks op de manier waarop we doorgaans denken en praten over overheidsfinanciën. Als Jesse Klaver voorstelt om alle achttienjarigen een startkapitaal te geven, heeft hij direct een financieringsmodel: een miljonairsbelasting. Het klinkt logisch en het kan wenselijk zijn om de rijken zwaarder te belasten, maar het hele idee dat de overheid eerst belasting moet heffen voordat ze geld heeft om uit te geven verwijst Kelton naar het rijk der fabelen. In werkelijkheid is het precies andersom. Niet de belastingbetaler, maar de staat financiert de overheidsuitgaven. Pas daarna kan de fiscus innen.

Het boek van Kelton betekent een doorbraak voor de Modern Monetary Theory. Tot ongenoegen van veel traditionele economen, die vinden dat mmt eigenlijk zou moeten staan voor de Magic Money Tree, want verkondigen Kelton cum suis geen gevaarlijke sprookjes over een onuitputtelijke schatkist? Nee, werpen mmt’ers tegen, geld groeit niet aan de boom. Het is een rekeneenheid, het kan worden gecreëerd met een druk op de knop. Als de Federal Reserve morgen honderd miljoen nieuwe dollars wil scheppen, dan kan dat. Vadertje Staat kan nooit zonder geld komen te zitten. De kunst is om dat geld op een verstandige manier te besteden.

Voor Kelton was het een aha-erlebnis toen de puzzelstukjes in elkaar klikten en ze de wereld begon te zien door een mmt-lens. Een ‘copernicaanse wending’ noemt ze het in haar boek. Plots snapte ze dat belastingheffing geen instrument is om overheidsuitgaven te financieren, maar om ongelijkheid te bestrijden of inflatie te temmen. Ineens leken alle zorgen over het begrotingstekort totaal belachelijk. En zat ze regelmatig met de handen in het haar als vakgenoten of beleidsmakers de hardnekkige mythes over staatsfinanciën herhaalden.

Met The Deficit Myth hoopt ze ‘het aantal mensen dat begrotingstekorten als een probleem ziet dichter bij de nul te krijgen’. Voor economen die het debat rondom de Modern Monetary Theory volgen, bevat haar boek vermoedelijk weinig nieuws, maar voor minder ingevoerde lezers is het een eyeopener. Misschien doet de titel haar revolutionaire boodschap wel tekort, want het is niet slechts de ‘mythe van het begrotingstekort’ waarmee Kelton afrekent – ze zet het hele denken over schuld en overheidsfinanciën op z’n kop. Of zoals economieredacteur Koen Haegens schreef in een jubelende Volkskrant-recensie: ‘The Deficit Myth heeft alles in zich om een economische klassieker à la Milton Friedman of Thomas Piketty te worden.’

Het succes heeft haar verrast, zegt Kelton vanuit haar werkkamer in New York, waar ze doceert aan de Stony Brooks Universiteit. In haar boekenkast staat The Deficit Myth zo gepositioneerd dat het omslag prominent in beeld komt. ‘Mijn agenda zit bomvol. Ik heb nog geen tien minuten vrij op een dag. Zo meteen moet ik direct door naar het volgende televisie-interview.’ Het is te merken dat ze haar verhaal vaak heeft verteld: ze spreekt snel, in strakke volzinnen, zonder dat ze de indruk geeft een verzameling voorgeprogrammeerde oneliners op te lepelen. Elke kritische kanttekening weet ze resoluut te weerleggen. Nee, mmt geeft politici geen vrijbrief om met geld te strooien. Nee, het is geen radicale theorie, maar een feitelijke beschrijving van hoe ons geldsysteem werkt. En ja, de coronacrisis heeft inderdaad geholpen om haar boodschap bij een breder publiek te laten landen.

‘In de Verenigde Staten, maar ook in veel andere landen, ging het de afgelopen jaren constant over begrotingstekorten en de onhoudbaarheid van de staatsschuld’, zegt ze. ‘Maar door het coronavirus verdwenen die zorgen als sneeuw voor de zon. Opeens konden overheden hun bestedingen vergroten zonder dat ze extra belasting hoefden te heffen. Mensen begonnen zich te realiseren: verhip, al de beperkingen die we dachten te hebben houden ons in werkelijkheid helemaal niet tegen. Wereldwijd hebben we biljoenen uitgegeven en we gaan er prima mee om. Er is geen noemenswaardige inflatie, we houden de rentes onder controle. Het heeft ervoor gezorgd dat een hoop mensen hun aannames zijn gaan bevragen. Dat is exact wat mijn boek doet. Het beantwoordt de vraag: hoe kan dit? Waar komt al dit geld vandaan? En komen we straks in de problemen? Want dat begin je al weer te horen: “Oké, we kunnen nu wel geld uitgeven, maar op den duur zullen we weer moeten bezuinigen.” Mijn boek is ontworpen om korte metten te maken met dat soort argumenten.’

Die geluiden klinken ook volop in Nederland. Nu snoeien is niet verstandig, erkende Wopke Hoekstra, maar ‘je zal een keer die overheidsfinanciën weer op orde moeten brengen’, zei de minister van Financiën afgelopen zomer tegen rtl z. Klaas Knot, directeur van De Nederlandsche Bank, zei in zijn H.J. Schoo-lezing dat we ons geen acute zorgen hoeven te maken over de oplopende begrotingstekorten. Het werd gezien als een ommezwaai: de baas van de centrale bank die in het verleden aandrong op de naleving van de Brusselse begrotingsdiscipline was nu pleitbezorger van meer coulance. Maar een copernicaanse wending was het bepaald niet. Knot zei namelijk ook dat we uiteindelijk moeten streven naar een staatsschuld van rond de zestig procent van het bbp. Daarmee is hij voorzichtiger dan het merendeel van zijn vakgenoten, zo bleek uit een enquête van economenvakblad ESB. Meer dan negentig procent van de deelnemers gelooft dat die staatsschuld gerust verder kan groeien, voordat we in de problemen dreigen te komen.

Volgens Kelton gaat het al mis bij de achterliggende vraag. Want waarom zou een staatsschuld onhoudbaar worden? Of beter nog: waarom noemen we dit überhaupt ‘schuld’? Wie het economische denken wil veranderen, moet beginnen bij de taal, begrijpt Kelton, en de gebezigde terminologie vindt ze maar al te vaak misleidend. Schuld heeft een negatieve connotatie. Een gezin dat diep in de schulden zit kan een deurwaarder verwachten. Een bedrijf met onhoudbare schulden kan failliet gaan. Maar wat we ‘overheidsschuld’ noemen is wezenlijk anders van aard, betoogt ze, want in tegenstelling tot bedrijven of huishoudens is de staat geen valutagebruiker maar een valutaverstrekker. En dat maakt een wereld van verschil.

‘Er is geen econoom ter wereld met een inflatiemodel dat altijd en overal werkt. En iedere econoom die beweert dat zo’n model bestaat, moet zich schamen’

Kelton vergelijkt het met de puntentelling tijdens een sportwedstrijd. De overheid is niet een van de teams op het veld, maar degene die de punten uitdeelt. ‘Het zou dwaas zijn om te zeggen: het staat 2-2, dus de scheidsrechter heeft een tekort van vier punten. Nee, de scheidsrechter kan in principe onbeperkt punten toekennen aan de partijen. Dat is wat de overheid doet. In Amerika worden die punten geteld in dollars, in Japan in yens, in het Verenigd Koninkrijk in ponden. De scorekaart van de overheid doet er niet toe. Het enige wat telt is de scorekaart voor de economie als geheel. Hoe staat het met werkloosheid? Met armoede? En de inflatie?’

In plaats van ons druk te maken over de staatsschuld kunnen we er gewoon mee leren leven, schrijft Kelton in haar boek: ‘Dat wat wij staatsschuld noemen is niets meer dan een voetafdruk van het verleden.’ Dat ogenschijnlijk duizelingwekkende getal is slechts de som van het totale aantal overheidstekorten uit de geschiedenis; daar is niets engs of gevaarlijks aan. Sterker nog: voor pensioenfondsen en institutionele beleggers biedt dit schuldpapier van de staat een veilige belegging.

Zelfs voor de Senaatsleden in de Amerikaanse begrotingscommissie is dit moeilijk te bevatten, zo blijkt uit een anekdote uit The Deficit Myth. Stel je voor dat jullie een toverstafje hadden, hield Kelton hen voor, waarmee je alle staatsschuld in één klap kunt wegtoveren. Zouden jullie dat doen? Natuurlijk, zei iedereen, wie wil nou geen schulden aflossen? Kelton zette het gedachte-experiment voort. En wie zou datzelfde toverstafje gebruiken om alle Amerikaanse staatsobligaties te laten verdwijnen? Niemand. Dat zou toch kapitaalvernietiging zijn? ‘Ik vond het fascinerend!’ schrijft Kelton. ‘Deze mensen zaten in een commissie die letterlijk is opgericht om zich over de staatsbegroting te buigen, en niet één van hen had de truc door.’ Want de truc is natuurlijk dat wat schuld heet voor de staat beleggingen zijn voor de private sector. Oftewel: de een z’n tekort is de ander z’n spaargeld.

Het probleem, ziet Kelton, is dat beleidsmakers zich vaak blind staren op het begrotingstekort, waardoor ze geen oog hebben voor de tekorten die er werkelijk toe doen. Het tekort aan duurzame investeringen, bijvoorbeeld. Wanneer overheden niet langer gehinderd worden door begrotingsmythes kunnen ze eindelijk de portemonnee trekken voor een ambitieuze Green New Deal. Ook voor het tekort aan goede banen heeft mmt een oplossing paraat: een baangarantie. Iedereen die wil werken, zou aan de slag moeten kunnen in een overheidsbaan tegen een fatsoenlijk minimumloon. Dat is niet alleen een goede zaak voor alle mensen die tegen hun wil thuis zitten, zo’n baangarantie functioneert ook als een ‘automatische stabilisator’ van de economie, betoogt Kelton. In moeilijke tijden kunnen mensen die anders werkloos waren geworden terecht bij het banenprogramma, wat leidt tot een stijging van de overheidsuitgaven. Op het moment dat de economie weer aantrekt zullen meer mensen overstappen naar beter betaalde banen in het bedrijfsleven, waardoor de kostenpost weer slinkt. En er valt nog genoeg werk te verrichten om de betere economie te bouwen die Kelton voor ogen heeft. Een economie die, in haar woorden, ‘zorgt voor mensen, gemeenschappen en de planeet’.

© Paul Thomas

Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, heeft gemengde gevoelens over The Deficit Myth. Hij is blij dat Kelton met dit boek een aantal dominante mythes over overheidsfinanciën doorprikt. Zelf werd hij er ook regelmatig mesjogge van als politici begonnen over het huishoudboekje van de staat. Onvermoeibaar legde Jacobs dan uit dat die vergelijking niet opgaat. Het is onzin dat de overheid in zware tijden de broekriem moet aanhalen. Dat leidt alleen maar tot onnodige economische schade, zoals we hebben kunnen zien in de jaren na de financiële crisis. Nu de economie in lockdown moet, merken we hoe onbenullig onze bezuinigingsdrift destijds eigenlijk was, zegt Jacobs. ‘Tijdens de coronacrisis is er ongeveer evenveel uitgegeven aan noodsteun als er tussen 2011 en 2017 is bezuinigd op de collectieve sector.’

Dus ja, hij heeft ‘veel sympathie voor Keltons kritiek op het begrotingsfetisjisme’. Minder enthousiast is Jacobs over haar controversiële theoretische claims: ‘Ik zie mmt vooral als een pleidooi voor monetaire financiering van de overheid. Op zich is het goed dat het taboe op monetaire financiering wordt doorbroken, maar het is extreem onaannemelijk dat je alle overheidsuitgaven met de geldpers kunt financieren. Als je dat zou proberen krijg je een hoge inflatie en ondermijn je het vertrouwen in de munt.’

Vrijwel alle critici wijzen inflatie aan als zwakke plek van de Modern Monetary Theory. Als het werkelijk zo eenvoudig is als Kelton beweert, is het de vraag waarop we nog wachten. Waarom hebben we nog geen gratis gezondheidszorg? Waarom investeert de overheid niet volop in duurzame infrastructuur? Waarom zijn er nog werklozen of studenten met schulden? ‘Kelton doet alsof er geen begrotingsrestricties bestaan’, zegt Jacobs. ‘Maar er is wel degelijk een restrictie: de mate van inflatie.’ Iedere economiestudent leert dat wanneer overheden te veel geld bijdrukken de prijzen stijgen, de koopkracht daalt en spaargeld verdampt. Vandaar dat de controle over de geldvoorraad is weggehaald bij politici en is uitbesteed aan centrale bankiers, die de inflatie zo goed mogelijk proberen te sturen.

‘Er is geen enkele economische theorie die inflatie zo serieus neemt als mmt’, countert Kelton. Voor mmt’ers is niet de hoogte van de staatsschuld, maar het inflatieniveau de belangrijkste indicator bij het vormgeven van begrotingsbeleid. De grote misvatting is dan ook dat mmt beweert dat de overheid er lustig op los kan spenderen, omdat er toch geld zat is. Wanneer de inflatie dreigt op te lopen kan het verstandig zijn om te bezuinigen en meer belasting te heffen. In plaats van de inflatiedoelstelling over te laten aan centrale banken heeft mmt meer fiducie in beleidsmakers. Centrale bankiers hebben niet de juiste gereedschapskist en baseren zich op foute modellen, stelt Kelton. Als de neoklassieke theorie zou kloppen, had een land als Japan na decennia van monetaire verruiming nu wel iets van inflatie moeten laten zien. Quod non.

‘Er bestaat geen one size fits all-antwoord op inflatie’, zegt Kelton. ‘Stel, ik ga zo naar beneden en ik zie dat mijn kelder onder water staat. Ik snap onmiddellijk dat ik een enorm probleem heb, maar ik weet niet direct wat ik eraan moet doen. Ik weet niet of de vaatwasser kapot is gegaan, of dat er een leiding is gesprongen. Misschien heeft een van mijn kinderen de kraan open laten staan. Voordat ik weet hoe ik dit kan oplossen moet ik eerst de oorzaak vinden.’ Zo werkt het ook met inflatie, zegt ze. ‘Als de inflatie wordt veroorzaakt door oplopende kosten van zorgpremies en geneesmiddelen heeft het weinig zin om dat te bestrijden met een verhoging van rentestanden of belastingen. In zo’n geval is het raadzaam om te onderhandelen over medicijnprijzen en de gezondheidszorg te hervormen. Er is geen econoom ter wereld met een inflatiemodel dat altijd en overal werkt. En iedere econoom die beweert dat zo’n model bestaat, moet zich schamen.’

Misschien komt het door dit soort teksten dat mmt zo veel weerstand oproept op de economiefaculteiten. In interviews en in haar boek gaat Kelton er regelmatig met gestrekt been in tegen ‘de mainstream economie’. Bas Jacobs stoort zich aan die aanvallen, want bij nadere inspectie is Keltons copernicaanse wending een stuk minder revolutionair dan ze doet voorkomen. Dat een land met een eigen centrale bank in principe niet failliet kan gaan, is helemaal niet zo’n baanbrekend inzicht. Je hoeft geen mmt’er te zijn om te begrijpen dat de begroting van een overheid anders werkt dan die van een bedrijf. Dat publieke tekorten en private overschotten twee zijden van dezelfde medaille zijn, is gewoon een boekhoudkundige wetmatigheid.

‘De Modern Monetary Theory vraagt niet: wanneer wordt de staatsschuld onhoudbaar? Maar: waarom noemen we het überhaupt een schuld?’

‘Veel van Keltons opvattingen zijn helemaal niet nieuw, maar voeren terug op John Maynard Keynes’, zegt Jacobs. ‘mmt is in de mode geraakt omdat bepaalde politici, zoals Bernie Sanders, het omarmden. Maar op de beste universiteiten ter wereld wordt mmt niet beschouwd als een serieuze economische theorie. Dat komt heus niet omdat al die slimme mensen niet gediend zijn van tegenspraak of niet openstaan voor nieuwe ideeën.’

Stephanie Kelton is daar nog niet zo zeker van. Het klopt dat de Modern Monetary Theory nauwelijks voet aan de grond krijgt bij de zogeheten Ivy League-universiteiten. ‘Ik heb in ieder geval nog geen telefoontje gehad van Harvard of Yale die me probeerden te rekruteren’, zegt ze. ‘De zogenaamde topuniversiteiten en de toptijdschriften kennen poortwachters. Het is grotendeels een old boys network. Letterlijk. Ze zien zichzelf als een soort… ik wil niet “kliek” zeggen, maar wel als een uniform blok in academia. Daar kom je niet zomaar tussen. Dat geldt niet alleen voor mmt’ers, maar ook voor andere heterodoxe denkers. Op die faculteiten vind je geen marxistische of postkeynesiaanse economen.’

Niet dat Kelton op een rekruteringstelefoontje zit te wachten. ‘Ik hoef niet in zo’n vijandige omgeving te werken. Ik ben liever omringd door mensen die oprecht geïnteresseerd zijn in mijn werk en ik in dat van hen. Wat dat betreft heb ik weinig te klagen. Ik heb op verschillende universiteiten gewerkt, carrière kunnen maken en een boek gepubliceerd dat op de New York Times-bestsellerlijst belandde. Gister was ik nog op BBC World voor een discussie met (Harvard-econoom – jt) Ken Rogoff. Ik bedoel: het is niet alsof we volledig buiten het gesprek worden gehouden.’

Kelton kan niet ontkennen dat mainstream economen onderhand een aantal inzichten van mmt onderschrijven. Maar volgens haar is die vooruitgang vooral te danken aan de onophoudelijke inspanningen van een groepje dwarsdenkers. ‘Nu zeggen mainstream economen ineens: “Natúúrlijk doen monetaire regimes ertoe.” Maar lange tijd dachten ze helemaal niet zo.’

Als dat besef eerder was doorgedrongen waren er wellicht andere keuzes gemaakt bij het vormgeven van de Europese Monetaire Unie, vermoedt Kelton. Net als veel andere kritische economen waarschuwde zij al tijdens de ontwerpfase van de euro voor de kwetsbaarheid van een muntunie zonder politieke unie. Landen die hun monetaire soevereiniteit opgeven lopen het risico om failliet te gaan, begrepen mmt’ers. Zodra speculanten op de financiële markten dat doorkrijgen, kunnen de rentes op obligaties van kwetsbare lidstaten oplopen. Dat was precies wat er gebeurde tijdens de eurocrisis. De regeringen in Rome of Athene konden niet beslissen om hun munt te devalueren of om nieuwe euro’s bij te drukken. Daarvoor zijn ze afhankelijk van de valutaverstrekker die huist in Frankfurt: de Europese Centrale Bank. Pas toen ecb-voorzitter Mario Draghi bezwoer dat hij ‘whatever it takes’ zou doen om de euro overeind te houden, keerde de rust in de eurozone terug.

Die lijn wordt voortgezet onder de huidige baas, Christine Lagarde. Onder haar leiding werpt de ecb zich op als een betrouwbare lender of last resort, constateert Kelton. Waar de ecb na het uitbreken van de eurocrisis aanvankelijk aarzelde, treedt ze tijdens de coronacrisis snel en resoluut op als economische schokdemper. Er kwam een Pandemic Emergency Purchase Programme van maar liefst 1350 miljard euro. En nu de tweede golf over Europa spoelt maakte Lagarde duidelijk dat de ecb ‘alle instrumenten’ in zal zetten om de boel in goede banen te leiden. ‘Je ziet dat de rente op Italiaanse of Griekse staatsschulden daardoor laag blijft’, zegt Kelton.

Ook op het vlak van klimaatverandering laat de ecb zich onder Lagarde nadrukkelijk gelden. De centrale bank heeft oog voor de financiële risico’s die de klimaatcrisis met zich meebrengt en verkent de mogelijkheden van ‘green bonds’: obligaties die worden uitgegeven met het specifieke doel om de economie te verduurzamen. Op die manier kan de ecb helpen bij het financieren van een Europese Green Deal. ‘Meer dan andere centrale bankiers erkent Lagarde dat hierin een rol is weggelegd voor de ecb’, zegt Kelton. ‘Ik hoop dat ze navolging krijgt. Als de planeet in crisis verkeert lijkt “whatever it takes” me niet alleen redelijk, maar zelfs noodzakelijk.’

Maar is het wel wenselijk dat we voor dit soort plannen afhankelijk zijn van onverkozen technocraten? Lagarde mag dan nobele motieven hebben, maar betreedt de centrale bank hiermee niet de politieke arena? En andersom: is het niet wijs om monetair beleid af te schermen van de grillen van electorale politiek? Een veelgehoorde kritiek op mmt is dat het wel erg gemakkelijk voorbij lijkt te gaan aan de verleiding voor overheden om roekeloos te spenderen – met alle risico’s voor inflatie van dien. ‘Gekozen volksvertegenwoordigers de sleutel geven tot de geldpers is alsof je gokverslaafden de sleutel tot het casino geeft’, schreef econoom Stephen King in een Financial Times-artikel met de veelzeggende kop: ‘The case against Modern Monetary Theory’.

‘Zo’n man heeft er duidelijk niets van begrepen’, reageert Kelton geïrriteerd. ‘Nergens schrijf of zeg ik dat ik politici de sleutels tot de geldpers wil overhandigen. Ik vertel simpelweg welke bevoegdheden de overheid al heeft. De grondwet van de Verenigde Staten geeft de federale overheid het exclusieve recht om valuta te verstrekken. Tijdens de coronacrisis stemde het Amerikaanse Congres in met een steunpakket ter waarde van 2,2 biljoen dollar. Waar kwam dat geld vandaan? Het Congres had heus niet 2,2 biljoen ergens in een lade liggen. mmt geeft de overheid geen nieuwe bevoegdheid om geld te creëren. Die bevoegdheid hebben ze al.’

Wanneer Kelton het opschrijft of vertelt, klinkt het allemaal logisch en overtuigend. Er is geld genoeg voor ambitieus klimaatbeleid en goede gezondheidszorg. We kunnen banen creëren voor iedereen. Is de mythe van het begrotingstekort werkelijk het enige wat ons tegenhoudt om een betere economie te bouwen? Bas Jacobs tempert de verwachtingen. Hij gelooft best dat er op dit moment behoorlijk wat ruimte is om geld in de economie te pompen, zonder dat de inflatie direct oploopt. Maar hij vreest dat veel mmt’ers overschatten wat monetaire financiering vermag. Kelton mag dan meermaals benadrukken dat haar theorie geen blanco cheque biedt voor kwistige politici, het is niet vreemd dat die indruk toch ontstaat.

‘Er zit iets dubbels in haar boodschap’, zegt Jacobs. ‘Het ene moment erkent Kelton dat inflatie beperkingen oplegt, het andere moment lijkt ze te suggereren dat de centrale bank ongelimiteerd cash kan creëren. In haar theorie begint alles bij monetaire financiering door de staat, wat leidt tot geldschepping. Belastingheffing zou dan nodig zijn om vraag naar de valuta te creëren. Maar zo’n claim op causale volgorde kun je helemaal niet goed maken. In de macro-economie zijn al deze zaken simultaan bepaald. Het ontbreekt mmt’ers aan een formeel-wiskundig economisch model waarmee ze hun stellingen onderbouwen. Dat maakt het lastig discussiëren. Met woorden beland je al gauw in een semantische discussie, wiskunde disciplineert het denken: het maakt expliciet wat je aannames zijn.’

Maar met grafieken en getallen was haar boek een stuk minder vermakelijk geweest voor het grote publiek, snapt Jacobs. De kracht van Kelton is vooral dat ze dit belangrijke debat toegankelijk maakt voor niet-economen – al vallen er nog de nodige zieltjes te winnen voordat de copernicaanse wending in beleidskringen is voltooid. Zelfs de meest progressieve politici zullen ervoor terugdeinzen om begrotingstekorten te negeren. Intuïtief klinkt het voor veel burgers nog altijd logisch dat de staatsschuld uiteindelijk moet worden terugbetaald of dat tijden van tegenspoed vragen om soberheid. Presidentskandidaten die wilde beloftes doen zonder uit te leggen waar ze het geld vandaan halen, worden al gauw met argwaan bekeken.

Kelton bespreekt deze uitdagingen regelmatig met politici over de hele wereld. Een tijdje geleden had ze een videoconferentie met parlementsleden van de Britse Labour-partij. De volksvertegenwoordigers hadden aandachtig geluisterd naar haar verhaal en instemmend geknikt. Op het eind wilde een van hen praktisch advies: ‘Wat zeg ik als ik op televisie de “hoe gaan we dat betalen?”-vraag krijg en ik maar dertig seconden heb om te antwoorden?’

Keltons suggestie: draai de vraag om. ‘Journalisten stellen die vraag omdat ze niet anders gewend zijn. Niemand heeft hen ooit uitgedaagd om de zaken anders te bekijken. De beste strategie is om de vraag te herformuleren. “Ik denk dat je bedoelt: hoe zorgen we voor genoeg middelen?” Als ik een plan heb voor betere gezondheidszorg, dan heb ik dokters en verpleegkundigen nodig, medische apparatuur en ziekenhuisbedden. Dat zijn de middelen die ertoe doen. Het meest ontregelende wat je kunt doen is niet een onverwacht antwoord geven, maar de vraag veranderen. Dat is wat de Modern Monetary Theory doet. Niet vragen: hoeveel belastinggeld hebben we nodig om een beleidsplan te financieren? Maar: wat is het doel van belasting heffen? Niet: wanneer wordt de staatsschuld onhoudbaar? Maar: waarom noemen we het überhaupt een schuld?’