Hardvochtig Europa

Vergeetgaten

Dat duizenden vluchtelingen in Griekse kampen te midden van ratten en vlooien verkommeren in regen en kou is geen humanitair drama. Het is doordacht beleid. Europa wil dat vluchtelingen zich ongeacht hun verhaal zo onwelkom mogelijk voelen. Het is nooit anders geweest.

Jonge Oost-Europese vluchtelingen in een kamp voor ontheemden © Jerry Cooke / Getty Images

Elf Nederlandse ngo’s, waaronder Amnesty, PAX en Stichting Vluchteling , begonnen gezamenlijk de actie Kijknietweg.nl, waarin zij per petitie de Nederlandse politiek oproepen om duizend vluchtelingen van de Griekse eilanden naar Nederland te halen. ‘Een humanitaire ramp voltrekt zich’, schrijven ze op de site. Ze hebben het mis. Tsunami’s en oogsten die plotsklaps worden opgevreten door zwermen sprinkhanen, dát zijn humanitaire rampen. Wat we zien in de kampen op de Griekse eilanden is de implementatie van beproefd Europees ‘migratiemanagement’ dat zijn wortels heeft in de allervroegste geschiedenis van de Europese Unie en zelfs daarvóór, in de Koude Oorlog.

‘Containmentbeleid’ heet het in Brussels jargon: het inkapselen van het vluchtelingenprobleem. Het spruit voort uit het idee dat isolatie zal leiden tot stagnatie van de stroom asielzoekers. Humanitaire actie voor één groep, in Griekenland, zet geen zoden aan de dijk. De vluchtelingen op de Griekse eilanden zitten ingekapseld in precies dezelfde omstandigheden die gelden in ‘containers’ dáár, bijvoorbeeld in de treurige unhcr-kampen in Afrika.

Europese landen doen graag alsof zij in onschuld in een kwetsbaar fort wonen en zich onafgebroken moeten verdedigen tegen horden inhalige nepvluchtelingen die een gat in de muren proberen te hakken. Maar dat is al te gemakkelijk. Ze verzwijgen de rol die zij zelf spelen in de oorlogen en de armoede waaraan mensen ontvluchten, om over de vervuiling van het milieu door ‘onze’ bedrijven en klimaatverandering niet eens te spreken: toen in 1989 de Koude Oorlog afliep, vlak voor de geboorte van de Europese Unie, waren er 36 gewapende conflicten gaande. In zo goed als allemaal waren Europese landen belangrijke spelers, vaak in een bondgenootschap met de VS. Ze vochten mee, steunden de oorlogen politiek of financierden ze, verkochten wapens aan strijdende partijen, hielpen dictators in het zadel te blijven en waren medeplichtig aan beleid dat mensen arm hield en hun rechten schond.

De grootste vluchtelingenproducenten van onze tijd zijn Syrië, Afghanistan en Somalië, in die volgorde. In alle drie de oorlogen vechten Europese landen mee, zij aan zij met de VS. Maar Europese politiek leiders presenteren de vluchtelingen die uit de puinhopen te voorschijn komen als een op zichzelf staand probleem, nooit als een consequentie van het eigen buitenlandbeleid.

In het midden van de jaren tachtig registreerde de VN-vluchtelingenorganisatie unhcr nog ‘maar’ tien miljoen vluchtelingen. Naarmate het einde van de Koude Oorlog naderde en nieuwe oorlogen uitbraken om de macht en middelen te herverdelen, werden dat er steeds meer. In 1992 was het aantal bij de unhcr geregistreerde vluchtelingen gestegen naar bijna achttien miljoen.

Van de miljoenen kwamen er ‘slechts’ enige honderdduizenden naar Europa, maar Europese landen ontstaken evengoed in paniek: nooit eerder hadden ze zo veel asielzoekers bij elkaar gezien. In de jaren zeventig haalden hooguit een paar duizend vluchtelingen per jaar het naar Europa, eind jaren tachtig was dat opgelopen naar 450.000 in een jaar en in 1992, een jaar voor de geboorte van de EU, naar 672.000. Het gevoel nestelde zich in Europese burgers dat het uit de hand liep met al die asielzoekers. Maar Europese regeringen staken hun energie niet in het vinden van politieke oplossingen voor het ontstaan van de mensenstromen: ze namen slechts steeds strengere maatregelen om de toevloed te stoppen.

***

In voorbereiding op de oprichting van de Europese Unie en het ontwerpen van een gemeenschappelijk Europees buitenlandbeleid evalueerde de Europese Economische Gemeenschap (eeg) in 1987 het bestaande vluchtelingenbeleid in de twaalf lidstaten. Conclusie: de ineenstorting van de gemeenschappelijke vijand, de Sovjet-Unie, deed het beetje Europese saamhorigheid dat er was in rook opgaan. In het streven om vluchtelingen weg te houden was het ieder voor zich. Regeringen vreesden de open grenzen die er na de geboorte van de Europese Unie zouden komen: behalve gewilde handelspartners zou alleen nog maar méér vreemd gespuis naar binnen kunnen wandelen. Een vluchtelingvriendelijke opvang moest worden voorkomen, om niet méér asielzoekers te trekken dan andere Europese landen.

De redenering in Europa was toch al dat als je te aardig voor vluchtelingen bent ze allemáál zullen willen komen. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog was het toelatingsbeleid van Europese landen voor joodse ‘migranten’ uit Duitsland ten minste zo restrictief als het Europese migratiebeleid nu. Behalve dat regeringen nazi-Duitsland, een belangrijke handelspartner, niet wilden ontrieven, was ze er alles aan gelegen om een aanzuigende werking te voorkomen. Ook in Oostenrijk en Oost-Europa nam de agressie tegen joden toe. Zou je Duitse joden al te gastvrij toelaten, dan zouden maar zo tweehonderdduizend Oostenrijkse joden, drie miljoen Poolse joden, achthonderdduizend Hongaarse en driehonderdduizend Roemeense joden het idee kunnen krijgen dat ze ook welkom waren.

De angst voor de aanzuigende werking bleef. Ook in de nieuw opgerichte EU moesten vluchtelingen zich zo onwelkom mogelijk voelen. Landen, ieder op eigen houtje en in competitie met elkaar om de onaardigste beleidsvoering, zochten naar het maximale van wat ze asielzoekers konden ontzeggen zonder de afspraken in het VN-Vluchtelingenverdrag te schenden. Asielprocedures werden ‘herzien’ en er kwamen ‘B-statussen’, ‘C-statussen’ en andere kortdurende, uitgeklede verblijfsvergunningen. Termen als ‘gelukszoekers’ en ‘uit de ruif komen vreten’ vierden hoogtij. Maar hoeveel nationale decreten, ingrepen, wetswijzigingen en bezuinigingen er ook kwamen, het legde de stroom niet of slechts een beetje stil en altijd kwamen elders wel nieuwe stromen op gang.

Buiten Europa, in de rest van de wereld, werden intussen wél de contouren zichtbaar van een gemeenschappelijk gevoerd Europees vreemdelingenbeleid. Vlak voor de geboorte van de EU kwam er bijvoorbeeld een lijst van landen wier inwoners zonder visum de unie niet zouden mogen betreden. Daar kwamen uiteindelijk meer dan honderd landen op te staan, ongeveer driekwart van de wereld buiten Europa. Maar vooral begon met de oprichting van de EU dat Europese containmentbeleid: het inkapselen van vluchtelingenstromen in kampen ver van Europa. Tegenwoordig heet dat ‘opvang in de regio’.

De unhcr is daarbij een willig instrument. De organisatie heeft geen keuze: meebuigen met de wensen en ambities van zijn donorregeringen is de enige manier om financieel te overleven. De EU, Europese landen en de VS zijn veruit de grootste donoren aan de vluchtelingenorganisatie. Altijd geweest ook. Willen de donoren inkapseling van vluchtelingenstromen in kampen, dan wil de unhcr dat ook. Destijds, begin jaren negentig, noemde de unhcr het wel zijn ‘transformatie tot een bredere humanitaire organisatie’, wat neerkwam op het verleggen van zijn activiteiten van ‘verdragsvluchtelingen’ naar ‘kampvluchtelingen’.

Verdragsvluchtelingen voldoen aan het vereiste profiel in het VN-Vluchtelingenverdrag: het zijn individuen die worden vervolgd in eigen land. Ze weten op eigen kracht een veilig land te bereiken. Eenmaal daar hebben ze recht op opvang en, als ze de toetsing doorstaan, op de mogelijkheid om asiel aan te vragen.

‘Kampvluchtelingen’ voldoen vaak ook aan het profiel in het verdrag, maar hun vlucht eindigde in een opvangkamp in de eigen regio. Daar krijgen ze van de unhcr wel een tent of een stuk zeil om onder te wonen, en van het World Food Programme (wfp) van de Verenigde Naties voedselrantsoenen, maar het recht om asiel aan te vragen hebben ze niet, want ze kregen een ‘prima facie-status’: op het eerste gezicht. Ze werden het gastland binnengelaten als groep, zonder individuele toetsing op hun ‘echtheid’ als vluchteling. In het VN-Vluchtelingenverdrag wordt de prima facie-status niet genoemd, maar ten minste tachtig procent van alle vluchtelingen ter wereld moet het ermee doen. De prima facie-status beschermt tegen ‘refoulement’ (uitzetting naar een land waar hun leven gevaar loopt), maar geeft géén normale toegang tot asielprocedures en een minuscuul percentage komt in aanmerking voor de hervestigingsprogramma’s die bedoeld zijn om de ‘opvang in de regio’ te ontlasten.

De redenering in Europa was toch al dat als je te aardig voor vluchtelingen bent ze allemáál zullen willen komen
***

De prima facie-status en de vluchtelingenopvangkampen waren oorspronkelijk bedoeld voor korte duur, tot er een permanente oplossing voor zo’n vluchtelingengroep gevonden zou zijn. De tweehonderdduizend Hongaren die in 1956-1957 naar Oostenrijk vluchtten voor de Russische inval waren de eerste prima facie-vluchtelingen ooit. De nood was hoog en vereiste een snelle aanpak. Tegenwoordig is prima facie de standaardprocedure. Als een opvangkamp voor prima facie-vluchtelingen er eenmaal staat en tjokvol zit, leunen regeringen achterover: de stroom is gestagneerd en de noodzaak voor het zoeken naar oplossingen is daarmee vervallen. De vraag wat ‘tijdelijk’ is, beantwoorden de gastlanden niet en de rijke landen, die de kampvluchtelingen een menswaardige status zouden kunnen geven, ook niet. Een gemiddeld verblijf in een opvangkamp duurt tegenwoordig zeventien jaar, maar er zijn talloze uitschieters naar boven. Kampen voor Eritreeërs in Soedan bijvoorbeeld bestaan al sinds 1968, de kampen voor Sahrawi in Algerije sinds 1975.

De unhcr noemt dit soort zich decennialang voortslepende misère ‘protracted displacement’, langdurende ontheemding. De situatie van de prima facie-vluchtelingen wordt niet getoetst aan het internationaal vluchtelingenrecht, maar aan het oordeel van lokale autoriteiten. Die bepalen ook wanneer het veilig genoeg voor ze is om naar huis te worden gestuurd, soms in samenspraak met de unhcr en de donorregeringen die voor de kampen betalen en dat liever niet zouden doen.

Een paar duizend Soedanezen die niet lang geleden en groupe op de poorten van Kenia klopten, kregen de prima facie-status en eindigden in een kamp. Tweemaal zo veel Soedanezen kwamen tegelijkertijd naar Egypte. Zij werden individueel beoordeeld en een groot deel van de groep kreeg de vluchtelingenstatus met de rechten die daarbij horen. Hieruit blijkt dat de prima facie-constructie, hoewel uitgevonden voor grote groepen, lang niet altijd met aantallen te maken heeft, maar vaker met hoe welgesteld en georganiseerd een land is waar vluchtelingen aankomen. Wie naar een land vlucht – vaak gaat het om buurlanden – dat geen functionerend systeem heeft om naar individuele gevallen te kijken, heeft geografische pech.

De prima facie-status die eindeloos, soms generaties, mag voortduren lost een voor Europa belangrijk probleem op. Onder de totaal circa twintig miljoen vluchtelingen die in 2017 onder het mandaat van de unhcr vielen, bevonden zich er maar drie miljoen die de juiste status hadden om een asielaanvraag te kunnen doen – van wie anderhalf miljoen hun aanvraag dáár hadden lopen, ‘in de regio’, ver van Europa. De zeventien miljoen anderen, ook die in sloppenwijken overleven als ‘urban refugees’, kunnen zonder vluchtelingenrechten geen kant op, maar worden wél meegeteld door Europese politieke leiders die waarschuwen dat ‘miljoenen’ asielzoekers Europa zullen overspoelen als we de grenzen niet nog steviger op slot draaien.

Hoewel opvangkampen de verantwoordelijkheid zijn van gastlanden distantiëren die zich er vaak van en besteden de toegang tot onderdak, water, voedsel en gezondheidszorg uit aan de unhcr. De donorregeringen houden de unhcr daarbij strak aan de financiële riem, want ook in de kampen geldt de theorie van de aanzuigende werking: een al te comfortabele opvang trekt alleen maar méér vluchtelingen aan. In steeds meer landen mogen vluchtelingen de kampen niet uit. Sociale rechten voor vluchtelingen, zoals het recht op werken om zichzelf en hun kinderen te onderhouden, en het recht ‘zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven’, zoals beschreven in het vluchtelingenverdrag van 1951, zijn opgeschort. Mensen zijn er de facto gevangenen.

Vluchtelingen wachten op eten in een Duits vluchtelingenkamp in de buurt van Lübeck. 13 augustus 1949 © Bert Hardy/Picture Post/Getty Images
***

Filosofe Hannah Arendt maakte een studie van het fenomeen van kampen. Ze was een kind van haar tijd: in 1906 werd ze uit joodse ouders geboren in Linden-Limmer bij Hannover. In 1933 ontvluchtte ze Hitlers Duitsland. Van 1935 tot 1938 werkte ze in Frankrijk voor een organisatie die kinderen van joodse vluchtelingen naar Palestina hielp ontkomen. In mei 1940, onmiddellijk na de Duitse inval in Frankrijk, werd ze gearresteerd en enige weken vastgehouden. In 1941 wist ze New York te bereiken.

In 1943 bereikten haar de eerste berichten over het bestaan van een nieuw soort kampen in Midden-Europa: naziconcentratiekampen. Ze realiseerde zich meteen dat zich iets ongekends aan het voltrekken was. Concentratiekampen waarin bepaalde groepen mensen verzameld worden, meestal onder militaire dwang, bestonden al langer. Het Britse leger bijvoorbeeld hield er concentratiekampen op na tijdens de Boerenoorlog in Oranje Vrijstaat en Transvaal (1899-1902), maar die hadden tenminste nog een strategisch doel gehad en pasten in een soort oorlogslogica. Maar uit wat Arendt hoorde over de Duitse kampen in Europa begreep ze dat het in stand houden van dit nieuwe genre de eigenlijke Duitse oorlogsinspanning niet eens diende: in de naziconcentratiekampen werd het kwaad bedreven om wille van het kwaad. Bij dat inzicht opende zich een gapende afgrond voor haar voeten, schreef onderzoeker Roger Berkowitz in zijn essay Why Arendt Matters (2017). De ontdekking van het kwaad werd het centrale thema in Arendts oeuvre.

In 1951 publiceerde ze haar driedelige werk The Origins of Totalitarianism, waarin ze drie soorten kampen onderscheidde: vernietigingskampen, zoals Auschwitz-Birkenau en Treblinka II, geperfectioneerd door de nazi’s, waarin het menselijk leven opzettelijk tot de grootst mogelijke marteling gemaakt werd en fysieke vernietiging het uiteindelijke doel was; de werkkampen zoals die tijdens de Koude Oorlog bestonden in de Sovjet-Unie, waarin fysieke vernietiging als zodanig niet het doel was, maar het gevolg van verwaarlozing en dwangarbeid tot de dood erop volgde; en opvangkampen zoals die voor de ‘Displaced Persons’ (DPs) in Europa, na de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden ingericht voor ruim een half miljoen ‘ongewenste elementen’ voor wie in het Marshallplan geen plaats was: staatlozen, oproerkraaiers, oorlogswezen, bejaarden, zieken, mensen zonder de juiste vaardigheden om aan de wederopbouw bij te kunnen dragen, onaangepasten en ontheemde joodse overlevenden van de holocaust: de ‘droesem van de getto’s’ werden die wel genoemd. Het laatste DP-kamp in Europa kon pas in 1960 sluiten, zo moeilijk was het om voor de DP’s een plaats te vinden.

Volgens Arendt hadden de nazivernietigingskampen, de sovjetwerkkampen en de geallieerde DP-kampen één eigenschap gemeen: massa’s mensen werden erin gestopt en verdwenen erin alsof ze niet langer bestonden, alsof hun lot niet interessant meer was voor andere mensen, alsof ze al dood waren. Ze concludeerde dat de pointe van alle kampsoorten is om vergetelheid voor bevolkingsgroepen af te dwingen.

Lang na haar overlijden zette de unhcr Hannah Arendt bij in de ‘unhcr-galerij van vluchtelingen die de wereld veranderden’, tussen andere grootheden als Milan Kundera, Béla Bartók, Albert Einstein en Marlene Dietrich. Wat ze van de hedendaagse versie van de DP-kampen, de unhcr-vluchtelingenkampen zou hebben gevonden, weten we niet; Hannah Arendt overleed in 1975, ver voor het einde van de Koude Oorlog, toen unhcr-kampen nog ontwikkeld moesten worden tot een belangrijk instrument in het Europese vluchtelingenmanagement.

In 2014 bezocht Arnon Grunberg twee unhcr-kampen in de Democratische Republiek Congo (drc). Zoals Arendt kampen beschouwde vanuit háár oorlogsachtergrond, bekeek Grunberg ze vanuit de zijne. Grunbergs moeder, Hannelore Grünberg-Klein, voer in 1939 als een van 937 Duits-joodse vluchtelingen vanuit Hamburg mee op het schip St. Louis, dat op zoek was naar een veilige haven. Haar ouders waren ook aan boord. Na een reis van zestienhonderd kilometer langs landen waar ze niet welkom waren, werd de familie Klein uiteindelijk toegelaten in Nederland. Ze verdwenen onmiddellijk achter prikkeldraad, eerst in Rotterdam, daarna in het ‘doorgangskamp’ Westerbork. Daarvandaan werd de familie op transport gesteld naar Auschwitz-Birkenau. Hannelore overleefde, haar ouders werden vergast.

Zoon Arnon bezocht in 2014 een kliniek van Artsen zonder Grenzen in het unhcr-kamp Mweso in het hoogland van de drc. Hij schreef in NRC Handelsblad (24 april 2014): ‘De barakken, de stank, de hitte (…) Als ik de ondervoede kinderen zie, kan ik het niet helpen, ik denk: ik ben in de ziekenboeg van een concentratiekamp beland. Deze gedachte spreek ik uiteraard niet uit, ook omdat AzG-werkers blij lijken te zijn met wat hier is bereikt.’ In het kamp Mpati verderop langs zijn route waren voedseltekorten nijpend, schreef Grunberg: het World Food Programme bleef er weg uit veiligheidsoverwegingen, maar er kwam in deze kampen ook veel te weinig geld van donorregeringen binnen.

‘Je bent niet ergens naar op weg. Het wordt niet beter, er is geen perspectief, geen oplossing. Je kunt niets doen’

Hulpverleners moedigden Grunberg aan om met de vluchtelingen te spreken. Hij noteerde: ‘Het voelt alsof ik voor het bulletin van de Wehrmacht schrijf als ik vraag: “Hoe is de behandeling in het kamp? Is alles naar wens?”’ En: ‘Oog in oog met dit lijden begrijp ik de SS’ers in het concentratiekamp beter dan ooit. Met de ondermens kun je je niet identificeren. Hij stinkt, hij is lethargisch (…), hij lijkt nauwelijks meer op een mens.’

Lethargie was de enige manier om de kampen te overleven, schreef Clemantine Wamariya in haar boek Het meisje dat kralen kon lachen, over haar zeven jaren als prima facie-vluchteling in unhcr-kampen in dezelfde regio als waar Grunberg reisde. Ze was met haar oudere zus ontsnapt aan de genocide in Rwanda (1994). Ze schreef: ‘Je bent niet ergens naar op weg. Het wordt niet beter, er is geen perspectief, geen oplossing. Je kunt niets doen en ook een ander kan niets voor je doen.’

Elke dag opnieuw stond Clemantine Wamariya urenlang met honderden, duizenden andere vluchtelingen in de rij voor voedsel. Het World Food Programme bracht maïs en voor kinderen was er een halve vitaminepil per maand. ‘Niet eens een hele’, schreef ze. Ze durfde niet naar de wc, al helemaal na zonsondergang niet, bang om in het stinkende gat in de grond te vallen, zoals met andere kinderen was gebeurd. Ze werd gek van de jeuk van luizen en elke dag peuterde ze beestjes uit haar voetzolen. Ze wist niet wat het waren, maar wel dat ze probeerden zich een weg naar binnen te vreten.

‘We leefden in een plastic zak die anderen ‘‘tent’’ noemden. De unhcr had kennelijk besloten dat menselijke waardigheid geen eerste levensbehoefte was’, schreef Wamariya. Maar Filippo Grandi, de huidige hoge commissaris van de unhcr, begrijpt zeer wel dat het in zijn kampen geen leven is. In een toespraak in januari nog gaf hij de vluchtelingen die naar Europa proberen te ontkomen groot gelijk. ‘Ik zou ook de dood riskeren om uit een smerig migrantenkamp te ontsnappen’, zei hij.

***

Weinig Europeanen weten dat de verdwijngaten waar Arendt over schreef nog steeds bestaan. Van alle vluchtelingen en ontheemden ter wereld overleeft een kwart tot een derde in zo’n gat: verspreid over dertig of veertig landen in dozijnen kampen, in jungles, woestijnen en moerassen, in ‘plastic zakken’ of in hutten van spaanplaat of takjes en modder, ingekapseld in eeuwig gebrek. Nu, voor het eerst sinds in 1960 het laatste geallieerde DP-kamp zijn poorten kon sluiten, hebben we de vergeetgaten ook in Europa zelf weer gecreëerd: op Lesbos en Samos, vakantie-eilanden in het mooie Griekenland, houden we de ‘droesem’ vast van oorlogen die ook de onze zijn, in Syrië, Afghanistan, Irak, Somalië. Soedan.

Volgens Europees en internationaal recht mogen vluchtelingen op Europese bodem wel een asielaanvraag doen, maar de EU zorgt ervoor dat zo veel mogelijk mensen eerst verdwijnen in een bureaucratisch gat. De asielprocedure moet in de Griekse kampen plaatsvinden: dáár wordt besloten of de mensen door mogen naar Europa of terug moeten naar Turkije. Een advocaat, of zelfs maar informatie krijgen ze niet en pas na gemiddeld een jaar in de kampen zijn mensen aan de beurt voor een eerste gesprek. Dossiers verdwijnen vaak spoorloos en dan moet de hele procedure van begin af aan opnieuw.

Voor het overige zijn de leefomstandigheden in de Griekse kampen net als in alle andere vergeetgaten. Mensen staan dag in, dag uit urenlang in de rij voor voedsel. Het is er smerig en het is erg moeilijk jezelf schoon te houden. Wie ziek wordt komt niet of moeilijk aan medicijnen. Er zijn ratten, slangen, vlooien, luizen en schurftmijten. Psychische aandoeningen en trauma’s blijven onbehandeld. Het stormt, hagelt en regent dwars door de tentdoeken heen. Er zijn vechtpartijen, seksueel geweld en branden, want mensen stoken vuurtjes om warm te blijven en droog te worden.

Niemand in Europa heeft de verantwoordelijkheid. George Matthaiou, een woordvoerder van de Griekse regering, beaamde onlangs tegenover de bbc dat de omstandigheden in het kamp Moria op Lesbos ‘vreselijk’ zijn. ‘Maar wij hebben geen geld’, klaagde hij. ‘U weet in welke economische toestand Griekenland verkeert.’ Krokodillentranen. De Griekse regering kreeg voor de periode 2016-2018 rond 250 miljoen euro uit verschillende bronnen voor de vluchtelingenopvang, maar beperkte zich tot dat ene doel: vluchtelingen laten verdwijnen en/of afschrikken.

De vluchtelingenopvang in Griekenland is altíjd vreselijk geweest, ook lang voor de crisis van 2015. In 2011 oordeelde het Europees Hof voor de Mensenrechten dat de opvang door de Griekse regering van asielzoekers uit bijvoorbeeld Afghanistan, Iran, Irak en de Palestijnse Gebieden zó beroerd was, in gore vergeetkampjes en gevangenissen, dat er van ‘inhumaan en mensonterend’ beleid gesproken moest worden. Het hof verbood andere EU-lidstaten om asielzoekers nog langer naar Griekenland terug te sturen, wat tot dan regelmatig gebeurde met een beroep op de Dublin-conventie. Griekenland heeft sindsdien weinig of niets ondernomen om zijn opvang te verbeteren. Het heeft geen strategie uitgestippeld, noch iets van een coördinerende autoriteit opgezet. Het kon de toestand beter zo ‘inhumaan en mensonterend’ mogelijk laten, dan werd het tenminste niet opgescheept met ‘Dublin-vluchtelingen’ uit de rest van Europa en had het van de gevreesde aanzuigende werking van fatsoenlijke vluchtelingenopvang ook geen last.

De andere EU-lidstaten dringen er bij Griekenland allesbehalve serieus op aan om het beter te doen. odi-hpn, een internationale denktank van en voor de ontwikkelingshulpsector, concludeerde in 2018 dat een groot gebrek aan gepubliceerde evaluaties kenmerkend is voor de Europese humanitaire hulp in de ‘vluchtelingencrisis’. Behalve de 250 miljoen euro voor de Griekse regering maakte Brussel 373 miljoen euro over aan humanitaire organisaties, waaronder de unhcr. Over de verantwoordelijke besteding van die fondsen is weinig terug te vinden. Geen wonder, schreef odi-hpn, want de resultaten zijn ver beneden de maat.

In Moria moet elke (koude) douche/tuinslang nog steeds door 84 mensen gedeeld worden en elke dag opnieuw delen 72 mensen één wc, meerdere keren per dag. Als het regent drijven mensendrollen langs en als het hard regent soms dóór de tenten. Human Rights Watch veroordeelde deze ‘Europese versie van een vluchtelingenkamp’ als ‘ongeschikt zelfs voor dieren’ en ook de burgemeester van Lesbos, Spyros Galinos, vindt Moria ‘lijken op de concentratiekampen; alle menselijke waardigheid is er vergaan’.

***

Het is geen humanitair drama dat zich voltrekt in de Griekse kampen, net zo min als in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog de weigering van Europese landen om joodse ‘migranten’ toe te laten een humanitair drama was. Het was en is beleid, doordacht en doelbewust. In oktober 2017 bracht de vicepresident van de Europese Commissie, Frans Timmermans, een bezoek aan de kampen op de Griekse eilanden. Hij zei dat ze ondanks ‘de problemen’ met hun opvang moesten blijven waar ze zijn, omdat hun transfer naar een betere plaats, op het Griekse vasteland bijvoorbeeld, een verkeerde boodschap zou zenden en een nieuwe migrantengolf zou veroorzaken. Het moeten wandelende vluchtelingenverschrikkers zijn, niet meer en niet minder.

Haal er duizend uit de vergeetgaten, zoals de Nederlandse ngo’s de regering vragen te doen, of tienduizend, ze blijven gevuld met miljoenen zielen. In januari proclameerde staatssecretaris Mark Harbers van Justitie en Veiligheid (want bij dat departement bracht de Nederlandse regering vluchtelingen onder) dat Nederland zes asielzoekers zou opnemen van de 32 die uit zee waren opgepikt door het reddingsschip Sea-Watch. De mensen zaten al bijna drie weken vast op zee, want niemand wilde ze hebben. Brussel drong aan, Nederland zwichtte, zuchtend en kreunend. Harbers vond het een ‘rottig besluit’ dat hij had moeten nemen en voegde daaraan toe dat ‘ze een volgende keer waarschijnlijk nog veel langer zullen ronddobberen, want dan doet Nederland níet mee’. Drijvende vergeetgaten als innovatie in het Europese vluchtelingenmanagement.


Deze week verschijnt van Linda Polman het boek Niemand wil ze hebben: Europa en zijn vluchtelingen, over tachtig jaar Europees ‘vluchtelingenmanagement’ (uitgeverij Jurgen Maas, lindapolman.nl). Het boek kwam mede tot stand met steun van het Fonds 1877 van De Groene, de Stichting Democratie & Media en Fonds Pascal Decroos