Vergelijkend godenonderzoek

IN DE VIJFDE eeuw na Christus braken barbaarse stammen definitief door de grenzen van het Romeinse Rijk. Gothen, Vandalen, Hunnen, Suaven - er zaten stammen tussen die nauwelijks het pottebakken machtig waren. En toch bezweek onder hun massale druk een imperium dat eeuwenlang het beste leger, de lekkerste baden en de nauwkeurigste administratie bezat. De Pax Romana was niet meer; de keizers die het gezag over een wereldrijk belichaamden, verdwenen van de aardbodem.

Dit is ongeveer het beginpunt van de Middeleeuwen, het diepe zwart na de val van het Romeinse Rijk. Bloedwraak en het recht van de sterkste domineerden, de beschaving tuimelde naar het nulpunt. Hoe heeft uit deze rokende puinhopen een organisatie kunnen ontstaan die zich de katholieke, universele, kerk noemde? Hoe langer je erover nadenkt, hoe raadselachtiger het wordt. In een wereld waar alleen het staal sprak, krabbelde een macht overeind zonder legioenen, een spiritueel imperium waarin niet een oorlogsgod centraal stond, maar een gekruisigde timmermanszoon.
In Conversion of Europe onderneemt de Britse historicus Richard Fletcher een grootse poging dit raadsel te begrijpen. Hij heeft de beschikking over brieven van bisschoppen, enkele historische kronieken en een stortvloed aan heiligenlevens. De brieven zijn feitelijk, net als overigens de informatie uit archeologische vondsten. Dat kan niet worden gezegd van de kronieken en de levensbeschrijvingen. In beide genres figureren uitsluitend christelijke helden die het ene wonder na het andere verrichten. Alsof de opkomst van het christendom onvermijdelijk was.
VOORDAT HET Romeinse Rijk door de volksverhuizing werd weggevaagd, was het officieel tot het christendom overgegaan. Constantijn de Grote had het in een veldslag tot een vergelijkend godenonderzoek laten komen. Zijn legioenen, met het nog natte kruis op hun schilden, behaalden de overwinning en een keizer was overtuigd. De god van Christus was sterker dan de traditionele Romeinse goden. Dat deze god later de legioenen in de steek liet tegen de barbaren is niet van belang. Het christendom was voor het komende millennium verzekerd van de associatie met het Romeinse Rijk. Christelijk werd synoniem met sterk en rijk, heidens met zwak en arm.
De Romeinen waren alleen christelijk gedurende hun laatste stuiptrekking. Daarvóór hadden Jupiter en zijn familieleden vreedzaam de gelovigen gedeeld met het Egyptische godenpantheon en de populaire god Mithras. In het Rijk mochten alle religies naast elkaar bestaan, zolang aanhangers de keizer maar de nodige eer bewezen. Juist de Jezussekte had aan deze tolerante houding een einde gemaakt.
Door het gezag van de caesars schemerde voor christenen een andere macht waaraan ze gehoorzaamden, die van een ‘komend koninkrijk’. Daarom weigerden zij de keizer te vereren. De Romeinen gingen over tot iets wat niet in hun aard lag: de vervolging van personen omwille van hun geloof. Al snel nadat het keizerrijk tot het christendom was overgegaan, werden andere godsdiensten verboden. Eén Rijk, één god, luidde het motto - ook toen er helemaal geen Rijk meer bestond.
De volksverhuizing had het christendom eeuwen teruggeworpen. Bisschoppen die terugkeerden naar hun standplaats vonden dorpen vernietigd en hun kerkgebouwen geplunderd. De gelovigen waren gevlucht of vermoord, en voor een belangrijk deel vervangen door ongelovigen. De herovering van de kerk leek onbegonnen werk, net als het her-beschaven van de wilden.
Het idee van bekering was traditioneel gebonden aan de grenzen van het Romeinse Rijk. Daar begonnen dan ook de eerste schuchtere pogingen. Onstuitbaar werd de opmars van het christendom pas nadat een Engelsman een missiegebied koos buiten de vertrouwde grens. Deze Engelsman heette Patrick en hij reisde naar Ierland. In Ierland sloeg het christendom aan en niet alleen dat. Op dit perifere eiland ontstonden een methode en een mentaliteit die ten grondslag lagen aan de bekering van het hele continent.
PATRICK MOET een geniaal man zijn geweest. De Ierse samenleving was een ingewikkeld en telkens veranderend weefsel van bondgenootschappen. De centrale eenheid in de Ierse samenleving was de tuath, waarvan er zo'n tweehonderd bestonden. De tuatha waren een soort clan-bolwerken met een koning aan de top, die zijn familie en aanhang op verspreide bezittingen installeerde en veiligheid bood als het krijgsgeweld weer eens losbarstte. De koning speelde tegelijkertijd een bemiddelende rol tussen zijn volk en de goden.
Patrick identificeerde de sterkste dynastieën en introduceerde iets dat later bekend werd als 'monasticisme’. Kloosters bleken perfect in de Ierse samenleving te passen. De tuatha brachten, via lijnen van verwantschap en cliëntèle, op haast organische wijze kloosters voort. Kloosters bezaten land en verplichtten de boerenbevolking in de omtrek tot allerlei diensten. In zoverre was het klooster een gewone feodale instelling.
Over de reden waarom de nieuwe religie zo'n opgang maakte, is de auteur summier. En juist het Ierse talent voor discipline zou maatgevend worden voor Europa. 'De aantrekkingskracht van een leven van ascetische zelf-ontzegging werd in Ierland even sterk gevoeld als elders in het onveilige Europa’, zegt Fletcher hierover. Dat klinkt ietwat obligaat. In het boek is een foto opgenomen van de restanten van een klooster uit die tijd, waarvan de dikte van de muren getuigt van een intense behoefte aan veiligheid.
Des te opmerkelijker is het dat de Ieren een methode van missie ontwikkelden die iedere geborgenheid opgaf. Een monnik, veelal dus afkomstig uit aristocratische kringen, ging op peregrino: hij verliet huis en haard om het geloof onder de heidenen te verspreiden en nooit meer terug te keren. Dit was het grootste offer dat een Ier voor zijn god kon brengen. De peregrino bracht mannen voort die zich door niets lieten afschrikken. Via Engeland en Frankrijk maakte het Ierse monasticisme school. Een aristocratisch netwerk kroop over West-Europa, dat talloze missionarissen recruteerde.
Adembenemend is de wijze waarop Fletcher de heiligenlevens uitschudt op bruikbare feiten en levende details. Heiligenlevens werden meestal geschreven na een succesvolle missie en orgelen van triomfantelijkheid. Heiligen brachten springvloeden tot stilstand of trakteerden het dorstige land op een malse bui, al naar gelang de heidense goden hun gelovigen in de steek lieten. Maar soms, tussen de regels door, vernemen we van een missionaris die met stenen werd bekogeld. Geregeld sloegen de heidenen er één dood, en gezien de bekeringspraktijken is het een wonder dat dit niet vaker gebeurde.
Waar de missionarissen het vaak op lieten aankomen was een duel tussen hun god en die van de heidenen. Dus de heilige Willibrord liet zich in Helgoland de heilige runderen aanwijzen en slachtte ze stuk voor stuk. In Friesland sloeg hij het beeld van de godin Hludana stuk en daagde de onthutste Friezen uit met de opmerking dat zijn god hem beschermde tegen wraak.
Vandalisme was voor missionarissen een vorm van evangelisatie op zich. Het aantal gevelde heilige eiken en verpulverde godsbeelden moet immens zijn geweest. Tempels echter bleven gespaard. De leeggehaalde heidense tempels werden als christelijke godshuizen ingericht. Zo konden de wilden wennen aan de nieuwe godsdienst.
CRUCIAAL VOOR de vestiging van een universele kerk was de kerstening van koningen. Dit is een tweede route die het christendom volgde. Maar koningen waren twijfelaars. Ze hadden wel gehoord van de successen van de christelijke god en ze zouden graag zijn kracht gebruiken voor hun machtsuitbreiding. Maar ze waren afhankelijk van hun aristocratie, in een tijd dat de kloosters nog zeldzame verschijnselen waren en de stamgoden stevig in het zadel zaten. Hoe zou de adel reageren als hun koning van de ene dag op de andere overging tot een nieuwe god?
Hier werd het christendom geholpen door zijn Romeinse verleden. Koningen waren gebiologeerd door de luister van de vroegere keizers. Het christendom bracht Romeinse allure in huis. Een aantal belangrijke koningen liet zich overtuigen op het slagveld, reden waarom Fletcher hen de new Constantines doopte, van wie Clovis, koning der Franken, en Edward van Northumbria de bekendsten zijn.
De overeenkomsten zijn inderdaad overweldigend. Eerst trouwden ze een christelijke vrouw, die al iets van beschaving inbracht. Na het krijgsgewoel, als de christelijke god zijn macht had bewezen, lieten koning en vechtadel zich dopen. De paus stuurde dan plechtige brieven en beloonde de vorsten met ronkende titels en rijkdommen. En net als Constantijn begonnen de koningen met de codificatie van wetten.
De opkomst van het christendom kreeg met de regering van Karel de Grote het momentum van een triomftocht. Karel overrompelde de Saksen en vernietigde hun cultuur door ze per dictaat het christendom op te leggen. In een convenant werd vastgelegd welke gebruiken ze moesten opgeven en welke christelijke regels daarvoor in de plaats kwamen. Ruim een eeuw later was het de beurt van de Saksen om even meedogenloos de politiek van religieuze kolonisatie oostwaarts voort te zetten.
Zo beschrijft Fletcher de kerstening van Europa tot aan de doop van groothertog Jogaila van Litouwen in 1386, als de expansie zijn natuurlijke grenzen heeft bereikt. Het christendom reikt dan van Scandinavië tot Spanje en van Ierland tot Rusland. Vanaf die tijd werd de katholieke kerk een bureaucratische moloch, die met legioenen van schriftgeleerden werkte aan zijn consolidatie. Tegen deze tijd ook heeft het woord 'peregrino’ zijn oorspronkelijke betekenis verloren. Het staat niet langer voor een zelf opgelegde levenslange verbanning, maar voor een pelgrimage, waarna de gelovige na boete te hebben gedaan weer veilig thuiskomt.
Er is weinig dat Fletcher in zijn rijke boek overslaat. Hij mag de opmars van een heerszieke godsdienst beschrijven, maar hij blijft wijzen op het gematigde christelijke karakter van zowel geestelijkheid als lekenvolk: bisschoppen feestten dagenlang en maakten hun slaven af, in dorpen bezocht men nog steeds waarzeggers en tovenaars. Ronduit bewonderenswaardig is de manier waarop Fletcher de retoriek uit zijn bronnen vijlt en tegelijkertijd zo dicht bij de levens van de beschreven heiligen blijft dat de honderden bladzijden lezen als een spannend verhaal.
REFORMATIE, christendom en de wereld 1500-2000 is een boek dat min of meer verdergaat waar Fletcher stopt. Het is een opmerkelijk boek, alleen al omdat het is geschreven door een protestant én een katholiek. Derek Wilson (Anglicaan) en Felipe Fernández-Armesto beogen in hun boek over het trauma van de Reformatie niets minder dan een verzoening tussen de gezworen vijanden. 'Voor zover wij weten is dit het enige boek over dit onderwerp dat tot stand is gekomen door de samenwerking tussen twee schrijvers van de twee uitersten van de katholiek-protestantse scheidslijn’, schrijven ze trots.
De Reformatie, de geboorte van het protestantisme, wordt altijd omschreven als een van de grote, beslissende veranderingen in de wereldgeschiedenis. Hoogste tijd om dit beeld te veranderen, vinden de auteurs. Alleen oppervlakkig gezien spleet de katholieke moederkerk. De Reformatie moet niet worden opgevat als een afsplitsing, maar juist als een kersteningsoffensief. Luther, Zwingli en Calvijn wilden het christendom christelijker maken, alleen was de bekeringsijver gericht op de kerk zelf. De daaropvolgende oorlogen en controverses hebben de overeenkomsten verdoezeld.
Toen Luther in 1517 zijn beroemde 95 stellingen op de deur van de kerk van Wittenberg timmerde, liet hij een stem van protest horen. Hij veroordeelde de verkoop van aflaten, waardepapieren waarmee gelovigen hun zieleheil konden veiligstellen. Geld mocht van Luther geen rol spelen in een zaak als verlossing, en hij verwees naar tal van bijbelpassages. De paus kon zich natuurlijk niet laten corrigeren door zo'n augustijner monnik uit het achterlijke Saksen. Bovendien had hij het geld nodig voor de bouw van de nieuwe Sint-Pieter.
Luther was niet revolutionair met zijn kritiek op de aflatenhandel. Hij had vele voorgangers, onder wie Jan Hus, een theologieprofessor uit Praag die net als Luther het geloof wilde zuiveren. Ook met zijn vertalingen van de bijbel in de volkstaal was Luther niet de eerste. En toen hij na zijn prille jaren het hoofd werd van een eigen kerk werden de verschillen met het vermaledijde Rome wel erg klein. Luther had zijn eigen dogma’s en schriftgeleerden, en met zijn eigen inquisitie joeg hij op ketters.
DE GEVOELIGHEDEN van de protestantse kerken bleken al snel overeen te komen met de traditionele gevoeligheden. Net als de roomse kerk hadden Luther, Zwingli en Calvijn een diepe afkeer van lieden die meenden zich direct met god te kunnen verstaan. Onmogelijk, riepen ze. Waarmee de evangelisten toch in de problemen kwamen, want apostelen als Paulus en Petrus beroepen zich in de bijbel meermalen op hun eigen openbaringen.
Hoezeer protestantisme en katholicisme op elkaar waren gaan lijken, blijkt uit hun overzeese activiteiten. De kerken vielen aan op Afrika. Protestanten doopten soms op één dag 40.000 negers, katholieken kochten hele dorpen op met kraaltjes. Het is alsof je Fletcher leest: 'De afgezanten van de blanke god werden binnengehaald om de status van de leider te verhogen’ - een verre echo van het Romeinse snob-appeal. Alleen speelde dit in het Madagascar van de achttiende eeuw.
Met merkbaar genoegen laten de auteurs zien uit wat voor twistziek zooitje de christenheid vanaf haar oprichting heeft bestaan. Ketterij kwam Paulus al bij de Korinthen en Galaten tegen. Eigenwijsheid bleek onuitroeibaar. Altijd waren er gelovigen die meer wilden hongeren. Of de bijbel nog letterlijker wilden nemen, tot aan de in de Openbaringen verkondigde Eindtijd toe. Het geloof kon altijd geloviger. Ook hier heeft de Reformatie niets aan veranderd.
Wat allengs begint te storen is dat de auteurs de Reformatie isoleren als een puur religieus verschijnsel. Maar net als in de duistere Middeleeuwen van Fletcher was ook raison d'état de zestiende eeuw niet vreemd. Luther heeft voor de paus kunnen vluchten omdat hij een beschermheer vond in hertog Frederik van Saksen. En Frederik zag wel wat in een nieuwe kerk omdat hij bijvoorbeeld genoeg had van het betalen van belasting aan Rome.
Die eenzijdigheid wordt sterker, en functioneler, naarmate het boek vordert. Enerzijds lijkt de diversiteit aan afsplitsingen, deelkerkjes en bloedgroepen elk hoofdstuk toe te nemen, anderzijds houden de auteurs hun vertrouwde koers en blijven ze de bontste schakeringen herleiden tot eeuwenoude continuïteiten. Ze constateren dat kleine en grote tradities tegenwoordig steeds meer respect voor elkaar opbrengen. Verzoening is de eindhalte: 'De Reformatie oogt nu als een fase in een langdurige transformatie van het christendom, een gezamenlijk project van katholieke, protestantse en orthodoxe hervormers.’