Pieter Hilhorst

Vergetelijk

Het was erger dan een nachtmerrie. Ik had gedroomd van mijn overleden zus. Een op het oog onschuldige droom. Ze stond in haar bikini bij de Alpenkreuzer. De lange blonde haren zelfs op de camping netjes gekamd. Het groen van haar topje contrasteerde fel met het oranje van de vouwtent. Ze keek me aan. Zonder iets te zeggen. Toch voelde het als verraad. Niet omdat ze omhoog keek, terwijl zij toch ouder was. Niet omdat ik haar liet zwijgen. Iets waar ze absoluut geen talent voor had. Maar omdat ik een foto had gedroomd. Het was geen levende herinnering meer. Zelfs wakker lukte het me niet meer om haar autonoom voor de geest te halen. De ene bekende afbeelding schoof voor de andere. Mijn zus op de fiets, zwoegend bergop. Mijn zus in een zelfgebreide trui van zelfgesponnen wol. Mijn zus als klein kind, in de tuin, met lakschoentjes aan.

De opnamen lijken een prettige ondersteuning van het geheugen. Allemaal momenten om nooit meer te vergeten. Maar ze zijn bedrieglijk. Het is alsof je je herinnering hebt uitbesteed. Alsof je niet eens de moeite hebt genomen om het zelf te onthouden. Het voelt laks en onverschillig. En dan komt de twijfel. Ben ik van het tafereel wel echt getuige geweest? Ik was drie toen mijn zus die lakschoentjes droeg. Voor dat plaatje kan ik onmogelijk uit eigen ervaring putten.

Met het grootste gemak worden ze uitgesproken. Woorden van troost. «Voor ons ben je niet dood.» «Wij kunnen je niet vergeten.» Het is het enige leven na de dood dat we voorstelbaar vinden. En dus is het de enige manier om betekenis te geven aan wat zinloos is. Nabestaanden van beroemdere doden en familieleden van slachtoffers van politiek geweld, klampen zich er even hardnekkig aan vast. Wij mogen de moord op de joden, de zigeuners en de Tutsi’s nooit vergeten. Wie dat wel doet vermoordt ze symbolisch nog een keer. Dan krijgen de daders alsnog hun zin. Want dat was het devies van de Hutu-extremisten bij hun volkerenmoord. «Laat niemand over om het verhaal te vertellen.»

Niet vergeten is gemakkelijk. Maar de herinnering levend houden? Ga er maar aanstaan. Mij is het zelfs met mijn eigen zus niet gelukt. Terwijl ik haar allerminst doodzwijg. Van een taboe is geen sprake. Ik vertel mijn dochter over haar tante die ze nooit heeft gezien. Kleine verhaaltjes over een dun legerjasje dat mijn zus halsstarrig de hele winter bleef dragen. Verhaaltjes over de slimheid waarmee ze mijn moeder overtuigde dat ons buurmeisje mee moest op vakantie. Over het winkeltje dat ze als vijftienjarige al buiten schooltijd draaiende wist te houden. Zelfs over de missie van mijn zus om mij minder arrogant te maken heb ik vaak gesproken. Maar het zijn anekdoten als foto’s. Zeer geschikt voor reproductie, maar ongeschikt voor de authentieke herinnering. Ze kunnen de pijnlijke conclusie niet verhullen.

Mijn zus is niet onvergetelijk gebleken en dat is mijn schuld. Daar doet zelfs deze column niets aan af. Ik had beter mijn best moeten doen. Zo wordt de troostrijke gedachte dat iemand doorleeft in onze herinnering een knellende opdracht. Goed voor eeuwig tekortschieten en schuldgevoel. Je krijgt er bijna heimwee van naar de hemel, die mooie plek waar de doden ook voortleefden zonder dat wij aan ze dachten.