Vergeten

Misschien bestaat er een soort mentale kust, waar de vloedlijn van het vergeten en het strand van de herinnering elkaar ontmoeten, in steeds veranderende configuraties. Waar heden en verleden vervloeien.

Het is onmogelijk om te vergeten wat je hebt onthouden, net zoals je niet kunt onthouden wat je hebt vergeten. Soms weet je niet eens wat je weet. ‘Ik las daar vorige week nog iets over’, zeg ik, maar het waar en wat is verdwenen in de nevelen van mijn herinnering. Ik weet iets, maar ik weet niet wat ik weet.

Je mag al blij zijn als je het verschil weet tussen wat je hebt bedacht en wat je je herinnert. Ik lees een essay waarin de masturbatiescène uit Lodewijk van Deyssels Een liefde wordt verbonden met die van Molly Bloom, uit Joyce’s Ulysses, en herinner me dat ik iets dergelijks heb geschreven. Maar wanneer en waar en hoe komt het hier nu terecht? Twee zielen, één gedachte? Simultaneïsme?

Ik denk erover in de trein, op weg naar mijn moeder, wier dementie het stadium heeft bereikt waarin mijn vader, mijn zusters en ik ‘Opname’ overwegen. Het O-woord wordt in haar bijzijn niet uitgesproken.

Het is een onweersbui die zwaar en traag komt aanrollen, alzheimer. Tussen de donkere wolken zijn nog wakken, maar in de verte is te zien dat het onherroepelijk dicht zal trekken. Het heden wijkt en het verleden vormt een steeds groter deel van haar bestaan en dat is oorlog, onderduik en ‘verdwenen’ familie. Uiteindelijk wordt het: ‘O’. Een duivels dilemma, zei ik tegen mijn vader, die het moeilijk heeft met de gedachte dat hij zijn vrouw zal laten ‘afvoeren’. Ja, onze taal is een troebele soep van WO II-metaforen aan het worden.

Het verre verleden blijft het langst bestaan in het hoofd van de alzheimerpatiënt en dan ben je met een geschiedenis als die van mijn moeder slecht af. Ik heb zelf ooit geschreven dat de herinnering een hoer is, maar nu kom ik er achter dat ze ook een tiran kan zijn die triomfantelijk terugkeert uit lange ballingschap. ‘Resistance is futile’, zeggen de Borg.

De vergelijking tussen Van Deyssels scène (uit 1887) en Joyce’s Molly Bloom (veertig jaar later) vind ik terug in mijn digitale geheugen. Degene die het nu publiceert in een essay heeft die tekst destijds gelezen, want zijn opmerkingen staan er in zijn hoedanigheid als redacteur bij. Vreemd hoe we ons ideeën eigen maken. Ik heb zelf lang gedacht dat ik ooit het woord ‘droomboter’ had uitgevonden in plaats van het pleonastische ‘echte boter’. Maar een tijdje geleden herinnerde ik me ineens weer dat dat woord in de groep werd gegooid door een paar kunstenaars met wie ik toen omging. Blijkbaar vond ik dat het beter was geweest als ik het had bedacht. Of ik heb het zelf nog een keer uitgevonden. Dat gebeurt ook.

Ik heb een sterke herinnering aan een zondagochtend, zeven of acht was ik, toen ik de slaapkamer van mijn ouders binnen stormde en buiten adem van opwinding meldde dat ik een spectaculaire uitvinding had gedaan. Vader uit bed getrokken en tegensputterend meegetrokken naar mijn slaapkamer, waar ik hem de opstelling toonde: een transformator, twee stroomdraden en daartussen het veertje van een balpen. ‘Kijk’, zei ik. ‘Als ik ’m aanzet, gaat-ie gloeien.’ Het was even stil. ‘Mooi’, zei mijn vader toen. ‘Je hebt de gloeilamp uitgevonden.’

De gloeilamp bestond al, maar toch had ik ’m ook... eh... uitgevonden

Is het nog een uitvinding als iemand je voor is geweest? De gloeilamp bestond al, maar toch had ik ’m ook… eh… uitgevonden.

Mijn vader en ik gaan weg, terwijl mijn oudste zuster bij mijn moeder blijft. Naar de garage, zegt mijn vader. Dat is al maandenlang zijn smoes voor bezoek aan een mogelijke kandidaat voor ‘O’. Als we terugkomen, schiet mijn moeder op mijn vader af, neemt zijn gezicht in beide handen en zegt: ‘Lieverd, waar was je toch? Ik was bang dat je niet terugkwam.’ Tederheid en uiting van liefdevolle gevoelens zijn nieuwe verschijnselen. Ze was altijd wars van vertoon van gevoelens. Sterker: ze vermeed intieme relaties met mensen. Nu begroet ze mijn vader zo, maar een paar weken geleden kwam ik binnen en toen ik mijn vader kuste, keek ze mij bevreemd aan. Of wij elkaar dan kenden? ‘Natuurlijk’, zei ik, ‘mijn vader!’ Een ongelovige blik. Ze had geen idee wie die man was.

Dat moet vreemd zijn: iemand in huis die je niet herkent. Hij zet koffie en zorgt voor het eten en stapt ’s avonds naast je in bed. Er wordt te veel kafkaësk genoemd, maar dit is een geschikte kandidaat. Ik vind het een huiveringwekkende gedachte.

Maar misschien is het grijzer en lopen herinnering en gebrek daaraan meer door elkaar dan ik vermoed. Zou er een soort mentale kust zijn, waar de vloedlijn van het vergeten en het strand van de herinnering elkaar in steeds veranderende configuraties ontmoeten? Het vergeten is niet constant en misschien ook niet totaal. Misschien is er een soort half-bewustzijn, een waakvlam die te weinig licht geeft om scherp te zien, maar wel vage vermoedens mogelijk maakt.

Ik hoop het.

En wat ik mij ook afvraag is of mijn gedachten hierover nu ingegeven worden door de actuele situatie, of dat ik de dingen zo zie omdat mijn werk altijd over herinnering en tijd gaat. Misschien vraag ik me zelfs wel af of het mijn schuld is.

Ik weet het niet. Ik merk wel dat ik de situatie bekijk met de gretige nieuwsgierigheid van de observator. Hoe werkt dit, wat denkt iemand onder zulke omstandigheden, hoe ziet de realiteit er voor haar uit? Voorlopig ben ik meer schrijver dan zoon.