Wie schrijft die blijft (14)

Vergeten dichter Agnes de Graaf

Anders dan in de «valse» grote wereld was in de gedichten van Agnes de Graaf het leven goed en eerlijk. Uitgevers vochten om haar. Eventjes, want haar poëzie kroop een «veels te intellectuele kant» uit. Deel veertien in de serie over vergeten dichters.

suikerbeest wat versen

1

een maant als jij zit ik in zee

maak ik de beesten in je tuin van glas

open ik mijn wijde mantel eronder wettik

hep ik niets aan draag jij je

rimen met daaraan een bijl lampen en

welligt het patvindersmes

2

tovenaar van babil blaast even

in je haar zo handig

een uitgestorven stat staat vol torens nog

in een lantsgap van jou

3

een suikerbeest om je lekker te maken

hep ik tegen het hek gezet

kom jij naakt op mij af en zi ik

je hept een reuze zin in mij

Agnes de Graaf

uit: Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen (1970)

Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen heette de wonderlijke verzenbundel van Agnes de Graaf, die in 1970 door uitgeverij G.A. van Oorschot in een oplage van tweeduizend exemplaren in de handel werd gebracht. Agnes, toen pas 22, bediende zich in haar eerste en enige bundel van een stijfkoppig vocabulaire dat «ekspres» barstte van de fouten. Tal van eendimensionale wezens krioelden erin rond, met ongewone namen als «Piggelmee», «errit», «faufin», «sekarjahoe», «mevrouw windelarm» en «poe». Binnen dit «agnesk» heelal was het leven goed en eerlijk. Liever was zij daar dan in de valse schijnwereld der volwassenen.

Een veelzeggende inkijk biedt het gedicht «hee poe»: «er was eens een meisje, en dat hete agnes, en agnes wilde zo graag eens met een beer naar bet. di beer noemde ze poe. maar poe di ging ook namen verzinnen zoals snorkmaiden, en piglet, en ook aunt jane.» «poe» en «agnes» wonen in «het grote groene lant» in «een stat met een haven». Als ze «bootsgappen» hebben gedaan «in de oto met het gezigt» en agnes eieren vasthoudt gaan ze naar het huis van «de broer van poe» die al in bed ligt. «en agnes probeert een vertoning te maken van het uitkleden, wat niet zo goet lukt, wat ook eigelek de bedoeling was. en poe vrijt wat met agnes, en agnes roept au, hee je doet me pijn poe, beertje, oh beertje. maar poe weet wat hem te doen staat. oh di poe is niet agterlijk. welnee. en eigelek wil agnes verkragt worden, ja eigelek wel.» Na de liefdesdaad bakt poe liefst 82 eieren, «allemaal op een versgillende manier». Dan neemt agnes poe mee naar haar huis, waar ze «beatle-platen» luisteren en «fotoos van de live mongool» Bart bekijken.

In Agnes’ koninkrijk ontaardt zelfs de dood in vrolijkheid, waarvan het vers «hoe de fluitspeler te begraven» getuigt. De fluitspeler, «een grote blonde vreemdeling met harde lippen», wordt daarin overreden door een «oto» die «ontzettent hart wegreet»: «ze stonden wel even vreemd te kijken, maar tenslotte deden ze alles maar in een grote plestiek zak en begroeven hem agter in de klapbessentuin.» Als later de moeder van de fluitspeler is gekomen zegt Agnes dat het een grapje was «en dan is ze weer gelukkig».

In «ik ben gewoon een heer» wordt de spot gedreven met volwassenen en hun gewichtigdoenerij: «ik ben gewoon een heer sprak de heer/ laat mij maar begaan/ ik laat mij een huis bouwen met een/ tuin aan de voorkant en eragter is ook/ een tuin». Geen gewichtigheid voor Agnes. Ze danst en slaapt liever met haar «speelgoetbeer».

Letterkundigen oordeelden gematigd gunstig over Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen. «Er kan nog best een dichteres van belang in dat meisje steken, maar in deze bundel komt dat er nog niet uit», meende Peter Berger in Het Vaderland van 25 juni 1971. «Datgene waar haar gedichten door opvielen, een merkwaardige, opzettelijke kinderlijkheid die merkwaardig contrasteerde met de nogal rijpe dingen die het meisje te vertellen had, dat is allemaal even wel aardig.» Maar veel meer dan dat heeft de dichteres volgens Berger «niet in haar knusse huisje».

Harry van Santvoort kon in De Nieuwe Linie van 28 januari 1971 over dit «grappig meisje met grappige gedigtjes» wel iets aardigs zeggen: «Onder de debuten die de Nederlandse poëzie in 1970 gekend heeft, is dat van Agnes de Graaf wel het origineelste.» Santvoort vroeg zich wel af «waartoe deze poëzie in de toekomst leidt. Blijft het bij een dergelijk debuut? Is de creativiteit met een dergelijk debuut volledig opgebrand?» Henk Romijn Meijer voorspelde twee dagen later in Het Parool dat «zulke uiterlijkheden» makkelijk gaan vervelen, «(…) en bovendien zal het in een landje als het onze, waar spellingsvernieuwingen steeds sneller en drastischer om zich heen grijpen, niet lang duren of iedereen sgrijft min of meer als agnes (…)». J.P. Guépin schreef in december 1970 in NRC Handelsblad dat «de pose van kinder ach tigheid» haar poëzie «een voor kunst nood zakelijke distantie van de dagelijkse werkelijkheid van de tienerbedrijvigheid» geeft.

Echt geen liefhebber was Kees Fens, die in de Volkskrant van 21 november 1970 uiteenzette dat de spelling van kinderen nooit een systeem is en dat van Agnes wel en dat daar door een «schijn-kinderlijk uiterlijk» ontstaat dat «irritant kan gaan werken».

Heden heeft men bij Van Oorschot geen idee waar Agnes de Graaf zou kunnen uithangen. Aan de telefoon vertelt een der redacteuren dat hij niet snapt dat haar bundel ooit door zijn firma uitgegeven had kunnen worden. Hij denkt dat «de oude Geert» van Agnes een soort tweede Neeltje Maria Min had willen maken.

Na enige maanden speuren blijkt dat Agnes de Graaf, alweer sedert een jaar of drie, in Wales woont. Het knappe huisje dat zij deelt met haar Schotse vrijer was vroeger een kapel waarin de anti-anglicaanse Methodist Church diensten hield. Vanuit de woonkamer zie je uit op heuvelland. Soms wrikt de zon een wolk los en blinkt ergens in de verte een beekje op. Mensen zijn hier een zeldzaamheid. Heel af en toe passeert een auto en duiken lammeren onder de buik van het moederschaap. Agnes is nu 53. «Ik schrijf poëzie vanaf mijn veertiende», zegt ze. We bevinden ons in de living, gloeiende houtblokken in de haard. «Er kwamen zoveel dieren en fantasiewezens in voor omdat die staan voor een onbedorven status, zonder pose of façade.»

Zij groeide op met vader, moeder en zes broers en zussen in het Noord-Hollandse Castricum. «Wij mochten nooit zeggen wat we dachten. Mijn moeder zei dat ik moest oppassen omdat anders de fantasie met mij aan de haal zou gaan. Ze geloofden allemaal erg in God en ik helemaal niet omdat God gepresenteerd werd als iemand die altijd over je schouders meekeek of je stoute dingen deed.» Volwassenen waren onecht volgens Agnes. «Als we ergens op bezoek gingen, wist ik van tevoren al precies wat ze zouden gaan zeggen. Ze zeiden nooit eerlijk waar het op stond.» Dat haar broertje zwakzinnig ter wereld kwam, legde Agnes allerminst uit als misfortuin. «Ze gingen allemaal zo krampachtig met hem om. Bij de bakker trokken andere moeders hun kinderen bij hem vandaan. Zijn staat van zijn heeft ook juist iets ongerepts.» Agnes zwoer bij zichzelf nooit te worden als die volwassenen. «Er was mijn echte binnenwereld en de valse onechte buitenwereld.» Ze ging poëzie schrijven om haar binnenwereld gestalte te kunnen geven.

Toen Agnes een hele berg gedichten had, wilde zij ze opsturen naar een literair tijdschrift. «Ik kende er geen, dus ging ik naar de boekhandel. Ik pakte er een, het heette Podium. Ik schreef het adres over en stuurde er gedichten heen.» De zogenaamde «gedigten met faufin» werden direct opgenomen in het gerenommeerde letterkundig periodiek. «mijn kleine faufin, hoe staat het met je borduurwerk?/ en de kleine faufin glimlagt/ haar mont met witte lippen open/ soms komt haar moeder binnen/ en versguift haar beentjes», aldus ving het vers aan.

Podium werd uitgegeven door Meulenhoff. Daags na de publicatie kwam er van dat uitgevershuis een mooie brief. Of Agnes eens langs wilde komen om te praten over een bundel, was getekend Theo Sontrop. Agnes typte op haar schrijfmachientje een heleboel van haar gedichten uit, deed ze in een mapje en stapte op de trein naar Amsterdam. Het was 1969 en in die grote stad keek zij haar ogen uit. Sontrop was heel aardig. «Hij bladerde erdoorheen en zei dat hij het ontzettend leuk vond. Een bijzondere uitgave beloofde hij ervan te maken. In de trein terug was ik echt in trance.»

Drie maanden later had Agnes nog steeds niets gehoord van Meulenhoff. «Ik belde Sontrop maar hij wist niet meer wie ik was. Hij verwarde mij met Agnes de Haas die net een roman had ingeleverd. Toen ik zijn geheugen had opgefrist zei hij dat hij meer tijd nodig had.»

Intussen was Agnes ook in Hollands Maandblad gaan publiceren. K.L. Poll, die in zijn eentje dat blad bestierde, was heel enthousiast. Datzelfde jaar nog ging Agnes, doortrokken van pril literair geluk, in Amsterdam wonen. De Hollands Maandblad-publicaties trokken aandacht. Toen de VPRO in december 1969 debuterende dichters uitnodigde voor een live-televisieshow vanuit de Wintertuin van Krasnapolsky, werd Agnes ook gevraagd. Haar vader in Castricum zou een foto maken van het scherm als zij in het beeld kwam. De plaatselijke courant maakte melding van de shooting star.

In de Wintertuin lazen onder anderen Rutger Kopland, Riekus Waskowsky en Hanny Michaelis. «Het was een variété achtig geheel met vuurspuwers, zwaardeneters en operazangers», herinnert ze zich. «Op de tafeltjes stonden allerlei flessen drank. Die Waskowsky leegde het ene glas na het andere.» Ze nipte van een glaasje mineraalwater toen na haar voordracht Kopland op haar afkwam. «Jij hebt toch nog helemaal niks uitgegeven», sprak deze. «Nee», zei Agnes, «ik heb wel wat bij Meulenhoff liggen maar daar hoor ik maar niks van.» «Je moet eens praten met Van Oorschot», adviseerde Kopland, «dat is een fatsoenlijk fonds.» Omdat niemand zich voorstelde, wist Agnes niet precies wie de aanwezigen waren. Opeens kwam een lange, stakerige man vanachter een exotische kunstplant vandaan. «Dag Agnes, ik ben nu Bert Poll van Hollands Maandblad», zei hij tegen haar. Ze spraken af dat Agnes snel weer zou inzenden. Ze was juist weer gaan zitten toen een forse man zich naast haar neervlijde. Deze zei dat hij graag meer van haar zou willen lezen. «Ik dacht eerst dat het weer zo’n Meulenhoff-man was, maar het bleek niemand minder dan Geert van Oorschot te zijn.»

Enkele weken na de Wintertuin-uitzending bezorgde de post bij Zeilschip Het Paard van Troje, een halflekke en brandgevaarlijke woonboot waarop Agnes haar in trek had genomen, een briefkaart. «Geachte Mejuffouw De Graaf», luidde de aanhef. «U beloofde mij in Krasnapolsky uw gedichten en verhalen eens te zenden. Ik ben wachtende en zou alles graag eens lezen om een uitgave in een of andere vorm te overwegen. Mag ik iets van u horen? Met hartelijke groeten, G.A. van Oorschot.»

Direct de volgende dag belde Agnes met Theo Sontrop. «Het zit nog in de pipeline», sprak deze. «Maar ik wil het gewoon terug», zei Agnes. Ze maakte een afspraak en daarop fietste ze richting de grachten. Binnen zei een meisje dat Sontrop in vergadering zat. «Ga hem er maar uithalen», zei Agnes. Sontrop kwam.

«Ik zit met een probleem», sprak hij. «Ik wil het echt wel uitgeven, maar ik moet twee anderen overhalen.» «Het heeft er al een jaar gelegen, nu wil ik het terug», zei Agnes. Sontrop liet haar in een kamertje en probeerde haar met mooie boeken van onder meer Solzjenitsin op andere gedachten te brengen. «Weet je», zei hij, «we hebben een heel mooie poëziereeks waar jouw bundeltje goed in zou passen.» «Dat wil ik niet», zei Agnes beslist. Sontrop gaf het op en haalde het manuscript tevoorschijn.

Agnes haastte zich naar Van Oorschot, alwaar ze al haar eisen inzake lettertype en illustraties begon op te sommen. «Mevrouw De Graaf», sprak Van Oorschot, «u bent schrijver, ik ben uitgever. Mijn hele leven al geef ik boeken uit en die boeken zien er goed uit. Als u nou gewoon blijft schrijven geef ik het mooi uit.» Van Oorschot hield woord. In groot formaat en met een door Nicolaas Wijnberg geïllustreerd omslag, voorstellende een met kleurig speelgoed omringd kanon dat overeenkomsten vertoont met een opgericht mannelijk lid, publiceerde hij het in oktober 1970.

Het laatste gedicht op bladzijde tachtig, «meneer de uitgever» getiteld, refereerde aan het Meulenhoff-akkefietje: «ik denk waar blijft nou een brief van julli?/ want zo wort ik tog nooit es beroemt.// niet zo veel liefs van/ agnes».

Van Oorschot kon deze sneer niet bevroeden, want van haar eerdere uitgeef poging had Agnes geen melding gemaakt. Omdat een dierbare vriend, in de bundel door «poe» gepersonifieerd, in die periode van verschijning het leven liet, was Agnes afwezig toen haar bundel op een boekenbeurs gepresenteerd werd. Van Oorschot stond nietsvermoedend achter zijn stand toen ineens een Meulenhoff-directeur schuimbekkend tegen hem van leer begon te trekken. «Hoe kan jij haar nou hebben», riep deze uit. «Ze zat bij ons, het contract was al opgesteld.»

Er volgde een aantal optredens. Schik had Agnes er nauwelijks in. «Voorlezen ging nog wel, maar vaak moest je ook vragen beantwoorden.» Een keer las ze voor bij het Leidse studentencorps. «Daar zat me een stelletje etters. Het gedicht ging over het uittrekken van een trui. ‹In uw werk worden wel erg veel truien uitgetrokken›, merkte zo’n braller op.» Ze mocht ook een keer, als enige Nederlandse afgevaardigde, naar een internationaal festival in het Duitse Bayreuth. «Alles ging mis daar. Ik had mijn verzen in het Engels vertaald, maar bijna niemand in die zaal bleek Engels te spreken. Ik belandde er in een groepje jonge ‹autorinnen› die als een soort showgirls van het ene gezelschap naar het andere geloodst werden.»

Na het Duitse avontuur besloot Agnes het voordragen te staken. Op haar giro werd ondertussen telkens twee gulden negentig overgemaakt door onbekende fans. Dat vloeide voort uit het gedicht «over agnes in de maant maart» dat bestond uit een lange lijst vragen, zoals «hoeveel jaar is agnes?» en «waarom agnes een tijdje op een jongetje leek?» Onder het gedicht stond vermeld dat na overmaking van het bedrag op postgiro 1599046 een antwoordenlijst toegestuurd zou worden.

In 1972 verhuisde Agnes naar Groningen en aanvaardde daar aan de universiteit een administratieve baan. Uitgesmeerd over de jaren zeventig waren er publicaties in Hollands Maandblad en Tirade, maar met de jaren droogde toch haar inspiratie. Tot overmaat van ramp wees Van Oorschot een tweede manuscript van de hand. Agnes gelooft niet dat ze eigenlijk een Neeltje Min van haar wilden maken en dat bij het uitblijven van een hype de interesse van de uitgever vervloog. «Het lag aan mijn poëzie, die was een veels te intellectuele kant uit gekropen.»

Hoewel Poll braaf bleef afdrukken, zag zij zelf dat het niet langer ging. In 1980 ging daarom de lier in de wilgen. «Het was of ik niet meer leefde. Ik trouwde en stompzinnig klotste het leven voort. Maar als het zo moet, dacht ik, knoop ik me op.» In 1989 verbrak ze de huwelijkse ketenen en na een inspirerende vakantie op een Brits eiland begon de muze opnieuw op haar in te spreken. Maar wat aan te vangen met haar nieuwelingen? Zowel Poll als Van Oorschot lag inmiddels onder de zoden. Bij het opzetten van zijn Prometheus toonde Maij Spijkers kortstondig interesse, maar van hem vernam zij niets meer. Literaire vrinden had zij in haar onstuimige dichteressenjaren ook nooit gemaakt. Alleen Kopland kende ze, ook omdat hij aan de Groningse universiteit op dezelfde afdeling werkzaam was. «Hij keek dan wel naar me of hij me herkende, maar verder zei hij niets.»

Toen ze in Groningen ontslag had genomen en de oversteek naar Engeland waagde, was ze compleet nieuwsoortige verzen in het Engels gaan schrijven. Haar vroegere koninkrijk kon ze met geen mogelijkheid meer betreden. Had de adolescentie haar dan toch te pakken? Ze besloot een nieuw walhalla te situeren, in hogere sferen. Haar artiestennaam veranderde ze in Agnes de Raaf, de «g» van «gravity» liet ze varen. «Ik zit in een menselijk lijf. Daar heb ik nooit om gevraagd.»

Haar poëzie van nu is een constant pogen terug te geraken in de staat van «raaf-zijn», om het «mens-zijn» te ontvluchten. Hardop leest ze in accentloos Engels haar «Wings within». Ze heeft het, met bijsluiting van een beknopte biografie waarin melding wordt gemaakt van haar vroegere Hollandse publicatie, opgestuurd naar Poetry Wales. Goede hoop heeft ze dat dit orgaan tot publicatie over zal gaan.