Wie schrijft die blijft (12)

Vergeten dichter Erika Dedinszky

Van een non leerde ze Nederlands. Daarna deed de Hongaarse Erika Dedinszky alles wat god verbood. In haar gedichten moesten vooral haar man en kinderen het ontgelden.

WINDSTILTE

1

de zwakke angst zwol tot fluitende zekerheid

in plaats van maan brandt het oog van de

wervelstorm

2

ik vraag om ’n vuurtje en de bliksem ontluikt

ik dans om regen en ’n blaadje valt

3

ik schrijf naar de natuur

naar mijn natuur schrijf ik

wie mij aankijkt vliegt hoog

wie orakelt verbrandt

4

alleen de hitte van ’n slakkenhuis

alleen de galm die in de keel van ’n klok bleef

steken

kan verduidelijken waarom

toen dat gebaar brak

als ’n strijkstok

en waarom de viool toch verder speelde

Erika Dedinszky

uit: De ijstijd begint met de kou (1980)

Het is ruim vijftien jaar geleden dat Erika Dedinszky in Boedapest een straat overstak, geschept werd, met het hoofd tegen het plaveisel smakte en goeddeels haar verstand verloor. In één klap was het gedaan met het kolkende dichteressenbestaan. Toch zit anno nu, in een Geleense huiskamer, een buitengewoon tevreden mens tegenover mij. Herinneringen zijn er in overvloed. Het kan hooguit gebeuren dat ze die — vanwege de beschadigde prefrontale kwab — gemakzuchtig en slordig verwoordt. Daarom ook zit echtgenoot Piet Masthoff naast haar op de bank, hoewel hem ook wel wat van het hart moet. «Pas sinds het ongeval is er een beetje rust in de tent», steekt hij van wal. «Altijd was ze de hort op, van het huwelijk trok ze zich weinig aan.» Hij staart naar de twee dichtbundels op de salontafel. Uit angst voor biografische verrassingen heeft hij haar verzen nooit echt tot zich durven nemen.

Puffend staat Dedinszky op om zich een sherry in te schenken, een van de dagelijkse houvast biedende rituelen. Zoals ze ook om half vijf — donker of niet — de gordijnen dichttrekt. «Ik schrijf nog steeds elke dag een rijmpje», roept Dedinszky vanuit de keuken. Masthoff schudt het hoofd. «Dat is echt niveautje sinterklaas, hoor.» Hij vertelt dat ze elke dag op de hometrainer moet en zodoende komt tot regels als «ik val af met snelle grammen, morgen gaan we cryptogrammen».

Onder roerganger Miklós Horthy, die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitsers, was Dedinszky’s vader officier. Na de oorlog werd het gezin tot de fascisten gerekend en niet langer kwam vader in aanmerking voor een baan. Dedinszky mocht in Boedapest wel gewoon naar het gymnasium maar zou op de universiteit nooit toegelaten worden. In 1956 brak de Hongaarse Opstand uit. «Ik heb lelijke beelden daarvan in mijn hoofd», zegt Dedinszky. «Een tank reed over mensen heen, allemaal klompen vlees lagen er.» Na de Opstand werden de omstandigheden er niet vrolijker op. Het gezin besloot het land te verlaten. Veertien was ze toen ze met ouders doch zonder bezittingen in Nederland arriveerde, waar haar moeder in Alkmaar een broer had wonen. Aan de hand van Eline Vere van Couperus en met hulp van een non maakte ze zich in rap tempo het Nederlands meester.

In het nieuwe vreemde land hielden Dedinszky’s ouders hun enige kind nauwlettend in de gaten. Het was direct naar huis na schooltijd, verboden buiten te spelen. In die tijd waagde ze zich, alleen op haar kamertje, voor het eerst aan verzen. «In de gedichten kon ik ontsnappen», zegt Dedinszky. Ze schreef ze eerst alleen nog in het Hongaars, maar al snel ook in het Nederlands.

In 1959, krap twee jaar in Nederland, werden gedichten van haar hand in het schoolblad van het Alkmaars gymnasium afgedrukt. Herman Besselaar nam op 16 juni 1961 de gedichten «avondstilte» en «pentekening» op in Eigen Wijs, een jonge dichtersrubriek die hij voor het Algemeen Handelsblad verzorgde. «Dezer dagen ontvingen wij een brief van een Hongaars meisje (zij heet Erika met haar voornaam) dat negentien jaar is en het gymnasium in een kleine Hollandse stad bezoekt», lichtte Besselaar toe. «Zij schrijft: ik woon nu al vier jaar in Nederland. Pas hier heb ik na onze immigratie Nederlands geleerd. (…) Het is nog maar kort dat ik ook in het Nederlands gedichten maak. Natuurlijk gaat het veel moeizamer dan in mijn eigen moedertaal. Bovendien ben ik nog lang niet op dat niveau van experimentele poëzie gekomen als de dichters en dichteressen die in de dichtershoek staan. (…) Ik zend deze gedichten dan ook alleen maar op om te horen of het überhaupt de moeite waard is met dichten in het Nederlands door te gaan.»

Haar moeder wilde dat ze in Amsterdam zou gaan studeren, opdat het gezin niet uiteen zou vallen. De non die haar Nederlands had geleerd, wist nog wel een vroom kosthuis. Dedinszky was de bemoeienissen zat. Ze maakte haar ouders wijs dat om in aanmerking te komen voor een beurs uit het zogenoemde universitair asielfonds, ze per se in Nijmegen moest studeren. Hoewel de opzet slaagde, in de herfst van 1962 hoorde ze haar eerste Franse lessen aan, was ze nog niet van haar verwekkers af. «Elk weekend kwamen ze in die Renault 4 naar Nijmegen om te zien hoe ze leefde», zegt Masthoff, die haar in die dagen op een Hongaarse danscursus leerde kennen. «Ze brachten oubollige kleren voor haar mee.» Zelfs hadden ze al een partner voor haar, een rijpe Hongaarse man van midden veertig. Zodra haar ouders weer gevlogen waren, zette Dedinszky flink de bloemen buiten. Masthoff: «Alles heeft ze gedaan wat god verboden heeft.»

Na de studie trouwden ze, betrokken een woning in Voorschoten en dachten na over kinderen. Masthoff vond een betrekking als docent. «Afgepeigerd kwam ik ’s avonds thuis.» Hoewel Dedinszky ook over een onderwijsbevoegdheid beschikte, vertikte zij het om les te gaan geven, druk doende als ze was met het in de steigers zetten van haar literaire carrière. De daartoe vereiste gedichten schreef ze ’s nachts. «In onze slaapkamer», weet Masthoff nog. «Als ik rond enen toch weleens naar bed wilde, zat zij te tikken. ‹Ik kom zo, nog een regeltje, nog een regeltje›, zei ze altijd.»

Toen zich voor Masthoff een vacature in Hilversum aandiende, wist Dedinszky hem zo gek te krijgen naar die stad te verhuizen, dichter bij het literaire vuur. Ze begon zich wel nuttig te maken. Voor de omroep, via welke ze types als Wim Hazeu en Ad den Besten zou leren kennen, ging ze Hongaarse vertalingen doen die veel geld opleverden. Masthoff zag van het verdiende geen stuiver. «Ze bleek het op een spaarrekening te storten!» Later ontdekte hij dat ze met het vergaarde kapitaal voor zichzelf een huis in Hongarije had willen laten bouwen, om daar onbezorgd poëzie te kunnen schrijven. Een louche aannemer die uiteindelijk in het geheim het lapje grond zou gaan bebouwen, ging er echter met de centen vandoor.

In 1975 brengt Uitgeversmaatschappij Holland Kornoeljeboom uit, haar debuutbundel. In voorgaande jaren heeft ze dan reeds gepubliceerd en vertalingen geleverd aan literaire tijdschriften als Maatstaf, Kentering en Wending. In 1973 heeft Magyar Mühely, een te Wenen en Parijs gevestigd platform van Hongaarse avant-gardisten, reeds haar bundel Gyógyfüvek, beszélö állatok gedrukt. In Kornoeljeboom is een dichteres aan het woord die het burgermansbestaan wil verruilen voor het grootse en meeslepende. In het openingsgedicht «Vrijheid» staat: «als het uitspansel gewillig is/ laat ik mijn dorstige bomen steigeren.» Ze geeft zich weliswaar rekenschap van haar onverantwoordelijkheid («goed, ik stort misschien troebele stromen/ in zee uit, krimpend van pijn») maar het is het dubbel en dik waard, want «mijn grote rivieren rollen/ schoongeschuurde kiezels in hun diepte». «Dierenwraak» bevat uitbranders aan het adres van de familie: «pinnige stekelvarkens gaf ik aan mijn moeder/ aan mijn vader de strak glimlachende/ platte vissen van de stilte/ en de blinde onschadelijke mol aan mijn oma.» In «Vijf stukken voor violoncel» is haar gezin mikpunt van hoon: «mijn kolken mijn angstkolken heb je nooit gekend// je dook en steeg, bang om dieper te duiken» en «op mijn verlaten oevers treur ik om jou/ mijn man mijn zoon die ik in weeën kreeg».

In De Nieuwe Linie steekt Jan van der Vegt de loftrompet. Hij legt uit dat een kornoeljeboom «ook het beeld is voor het woekeren van emoties die naarmate ze heviger zijn haar des te sterker het onvolmaakte doen beseffen». In Plug signaleert Jos Knipscheer een worsteling van iemand die kampt met «de innerlijke onvrede met een leven in ballingschap». Maar, aldus Knipscheer, «een dergelijke tweeheid (…) levert bijna per definitie boeiende resultaten op».

In De Gooi- en Eemlander legt Fransje Drossaers de nadruk op het feministische karakter van de bundel: «Daar zij tevens een strijdbaar feministe is, is ook de weerslag van haar persoonlijke groei duidelijk in deze bundel te vinden.» De recensente constateert dat Dedinszky «ouders, man en kinderen» in bijna al haar gedichten «vijandig gezind» is. Alleen in «Pinkstermorgen» is er «heel even iets van verzoening». Maar dan weer op zo’n manier dat «je de geur van versgezette koffie bijna kunt ruiken».

Masthoff kent Fransje Drossaers nog wel. «Dat was een feministische kennis die bij Erika in een praatgroep zat. Zij heeft Erika tegen mij op lopen stoken. Na het ongeluk ben ik haar eens tegengekomen. ‹Goh›, zei ze, ‹ik dacht dat jullie allang uit elkaar waren.›»

Na de bundel nam Dedinszky’s leven de gewenste hoge vlucht. Optredens kriskras door het land. Onder meer ook werd ze door Ton Luiting gevraagd voor het radioprogramma Dichters in de vaart. In het plakboek dat Masthoff van zolder heeft gehaald, is het draaiboek terug te vinden. «Als u dat wenst, kunt u het publiek op enigerlei wijze in uw optreden betrekken. Dus: wilt u reacties uitlokken gaat dan gerust uw gang», aldus de dramaturg-regisseur van de NOS.

In die jaren begon Dedinszky steeds frequenter haar moederland te bezoeken. «Hele weken was ze soms weg», weet Masthoff, die zich omwille van de kinderen gedwongen zag zijn baan deels op te geven. «Als een spin zat ze in het web. Alles wat met Hongarije te maken had, trok ze naar zich toe. Als er journalisten naar Hongarije moesten, zorgde zij dat ze als begeleidster mee kon.» Het viel Masthoff op dat ze over het communistische regime in het land steeds milder sprak. Toen leden van de Hongaars-Nederlandse vereniging Mikes ontdekten dat Dedinszky eveneens lid was van de door het Kadar-regime gesteunde Wereldconferentie van Hongaren, werd ze uit het bestuur gestoten.

Ook binnen de literaire gemeenschap wekten haar totalitaire loftuitingen beroering. In zijn NRC-rubriek Een en ander van 9 november 1977 bespot Gerrit Komrij een mede door Dedinszky te Boedapest georganiseerd internationaal dichterscongres. Komrij beschuldigt de dichteres ervan lid te zijn van een «Oosteuropese inlichtingendienst». Martin Ros schrijft in De Tijd dat Dedinszky «al jaar en dag persona grata aan de Hongaarse ambassade» is.

«Het ligt geloof ik iets genuanceerder», zegt Masthoff. Uit het plakboek haalt hij een stapel brieven van Martin Ros te voorschijn. Het blijkt dat Ros in de vroege jaren zeventig uitgebreid gecorrespondeerd heeft met Dedinszky over een door hem en Komrij te maken reisje naar Hongarije. «Het zou natuurlijk prachtig zijn, indien u voor Gerrit en mij gesubsidieerde reizen kon organiseren, aan de hand waarvan we uitstekend materiaal voor Maatstaf kunnen componeren», schrijft Ros haar op 11 december 1972. Met de visa wil het kennelijk niet vlotten want op 19 april 1973 vraagt Ros zich af waarom in hemelsnaam toch de uitnodigingen op zich laten wachten, want «we coveren een stuk pers waar die Hongaren toch gerust happig op moeten zijn».

In De Tijd van 16 december 1977 legt Dedinszky uit waarom het tripje volgens haar geen doorgang vond. Ros zou een afspraak met een medewerker van het Hongaars bureau voor auteursbelangen vergeten zijn: «Geen wonder dat Hongarije na deze ervaring ervan afzag zo’n onbeschoft heerschap en zijn kornuit uit te nodigen.» Volgens Ros, die in datzelfde Tijd-nummer reageert, had hij de medewerker wel degelijk ontvangen. Deze had echter niet over de reis willen spreken maar hem «slechts lijsten van titels en projecten ter vertaling uit het Hongaars» voorgelegd. Ros houdt het erop dat de Hongaren hem en Komrij te kritisch hadden bevonden, vooral omdat ze te kennen hadden gegeven een vertaling van het dichtwerk van de suïcidale dissident Atilla Joszef in Maatstaf te willen plaatsen.

In hetzelfde artikel roept Ros Dedinszky op eindelijk eens haar oogkleppen af te zetten. Want hoewel Hongarije de meest liberale staat van het Oostblok is, komt het «wat betreft de culturele vrijheden» toch niet verder dan «ongeveer in de buurt van Franco-Spanje of Mussolini-Italië».

Dedinszky’s trouw aan het vaderland blijft echter onvoorwaardelijk. Dat blijkt wel uit haar vlammende betoog, begin 1979, in Mandala, een door Jos Knipscheer geredigeerde literaire periodiek. Het is goed, beweert zij, als dichters, zoals in Hongarije, een «maatschappelijke funktie» hebben. Die functie, schrijft ze, komt neer op het mondig en kritisch maken van de landgenoten, die vanwege het uitmuntende poëzieonderwijs zelfs voor de allerexperimenteelste rijmelaars openstaan. Het mooie van Hongarije is dat dichters bijdragen aan «de maatschappij als geheel».

Bij literaire tijdschriften en uitgeverijen in dat land is ook geen sprake van «vaste vriendenkringen, zoals in Nederland». «In Hongarije is het literaire trombosegevaar kleiner, omdat de tijdschriften door de verschillende provincies en door de Schrijversbond worden uitgegeven. Iedereen wordt in alle tijdschriften gepubliceerd (…).»

Dedinszky durft de bewering aan dat juist omdat Nederlandse dichters maatschappelijke steun ontberen, ze gedwongen zijn onderling een concurrentieslag aan te gaan. Daarom ook vinden er van die «walgelijke taferelen» plaats op, bijvoorbeeld, de Nacht van de Poëzie, waar de dichters «dronken opkomen, grapjes vertellen, leuk proberen te doen». Dedinszky besluit haar betoog met de oproep «het kapitalisme in Nederland omver te werpen». Want pas zonder kapitalisme kan sprake zijn van heus «elitair kunstgenot — zoals dat alleen nog maar in een echte ‹arbeidsstaat› mogelijk schijnt te zijn!»

In 1980 brengt Jos Knipscheer De ijstijd begint met de kou uit. In Vrij Nederland doet Arend Slagman de plot uit de doeken: «De boodschap van deze bundel is: door verregaande civilisatie raken we meer en meer verwijderd van onze elementaire waarden, dreigen we zelfs elk gevoel te verliezen.» In De Nieuwe Linie is Jan van der Vegt het daarmee eens. Volgens hem stelt Dedinszky in haar nieuwe bundel «een materialistische kilte, een grof gebrek aan tederheid» aan de kaak. De bundel, zo signaleren ook andere critici, puilt verder uit van seksuele toespelingen: «terwijl ik mijn hitte ijlings weer dichtknoop» en «slierten blauw wierookt je sidderaal». Volgens Huub Beurskens in De Groene Amsterdammer is dat omdat Dedinszky fel wil protesteren «tegen seks als wegwerpgebaar».

Minder goed dan destijds de recensenten weet Dedinszky anno nu in de huiskamer de titel van haar tweede bundel te verklaren. «Het heeft iets met de noordpool te maken», gokt ze. «Het heeft ook met jouw levensgevoel van dat moment te maken, Erika», zegt Masthoff. «Dat was die feministische fase, onvrede, de wereld die je met je poëzie wilde veroveren. Dat je toen niet doordraaide, was omdat je harder en harder ging werken. Steeds vaker vloog je naar Hongarije, op de vlucht voor je complexen.» Het was ook in die tijd dat Masthoff een brief van een onbekende advocaat ontving. «Je wilde van mij scheiden, ik wist nergens van.» «Maar nu ben ik toch lief», zegt ze. «Alles, tot man en kinderen aan toe wilde je in die tijd van je afschudden.»

Hedy d’Ancona, die ze nog uit feministische Hilversumse kringen kende, vroeg haar in het voorjaar van 1985 voor de coördinatie van een in Boedapest te organiseren culturele maand. Dedinszky aanvaardde het aanbod en stapte in het vliegtuig. Met in haar hoofd een nieuwe grote opdracht drukte ze de aangezwollen onrust weg. Zonder te kijken echter stak ze over.

Sindsdien is in haar hoofd de wervelstorm gaan liggen. «Ik ben heel tevreden met het heden», zegt ze. Op plechtige toon leest ze haar gedicht «Windstilte» voor. Masthoff heeft zich uit de voeten gemaakt.